'Vergeten' Beroepen

De kolenboer, de mosselman, scharensliep en schillenboer. Je ziet ze niet meer in de straten van Rotterdam. En juist die verdwenen beroepen waren zo sfeerbepalend in de stad. Vele Rotterdammers hebben warme herinneringen aan de straatventers en sturen die naar de redactie van De Oud-Rotterdammer. Wat we niet kunnen plaatsen, vindt u terug op onze website.


Inleiding

Waarom smaakt het vlees niet meer zo lekker als vroeger? Ligt dat aan ons, zijn we te verwend of ligt het aan het vlees?

Volgens de slager ligt het niet alleen aan ons maar ook aan het vlees!

De dieren werden vroeger op een oudere leeftijd geslacht dan tegenwoordig. Was een varken vroeger toch wel een jaar voordat het geslacht werd, tegenwoordig wordt het al geslacht als het een maand of vier, vijf is. Er mag niet te veel vet aan het beestje komen. De slachtdieren mochten vroeger best vet zijn. Het vet van de dieren werd ook gebruikt. Men kon er bijvoorbeeld het andere vlees in bakken. Tegenwoordig gruwelen we van vet vlees: het past niet meer in ons eetpatroon omdat slank nu eenmaal mode schijnt te zijn. We hebben zoveel ook vet niet meer nodig: we verrichten immers niet meer die zware, lichamelijke arbeid zoals dat vroeger vaak het geval was.

Denk alleen maar aan de kolenboer die met zijn zware last, meerdere keren, soms drie hoge trappen op moest om de kolen in het kolenhok te gooien. In de Lieve Verschuierstraat was in de zestiger jaren een groentewinkel gevestigd.

De vrouw van de groenteboer werkte overdag in de winkel en de man ging met zijn waar door de straten. Hij had een grote houten wagen met twee dissels, alleen ontbrak het paard. Op de wagen was een houten ‘driehoek’ getimmerd waarop de kisten met groenten stonden. Onder die driehoek lagen een paar mud aardappelen.

FOTO

De groenteboer bond, om de wagen aan de dissels voort te kunnen trekken, een touw om zijn schouders, tilde de hele kar op en trok hem zo door de straten. ’s Morgens hielp zijn vrouw hem de kar ‘de hol’ van de Claese de Vrieselaan op te duwen. Er zijn heel wat beroepen uit vervlogen jaren die we nu niet meer kennen of die nu in ieder geval in een andere vorm uitgeoefend worden. Wat te denken van al die arbeiders in de Rotterdamse haven.

Mannen die de stukgoederen vanaf de kade de opslagloodsen in moesten sjouwen? De man die de zinken vuilnisbakken schoonmaakte nadat de vuilnisman was geweest die zijn komst door middel van een ratel had aangekondigd?

De schillenboer die de schillen een of twee keer per week ophaalde?

De waterstoker die emmers kokend water voor een paar centen bij je thuisbezorgde, of de melkboer met zijn ijzeren hond en de metselaar die zelf zijn stenen de stelling opsjouwde?

In deze rubriek verhalen van mensen die ons attendeerden op beroepen die uit het straatbeeld van Rotterdam en misschien ook wel uit onze maatschappij verdwenen zijn.


De schillenboer

Vroeger, in een straat in Rotterdam, hadden wij een schillenboer, een schele man met mooie krullen. Volgens mij heette hij Kees. Zo’n paar maal in de week kwam hij langs met paard en wagen en leegde op zijn kar de door de huisvrouwen aangereikte emmers met aardappel- en fruitschillen en het groenteafval. Soms mochten wij, op de bok zitten en hadden dan het grootste plezier als het paard ging plassen met van die harde stralen die op de straatstenen weer omhoog spetterden. Af en toe klom Kees op de kar om de bergjes schillen glad te harken. Na verloop van tijd raakte Kees uit de gratie en werd kennelijk met pensioen gestuurd waarna de schillen weer in de vuilnisbak belandden.

FOTO

De orgelman

Telkens komt het beeld van een h��l groot muziekkasteel op wielen me weer voor de geest. Dat was wat! De meeste Rotterdamse arbeiders, waarvan er in die tijd veel werkloos waren (ik ben in 1929 geboren, hadden geen geld om een radio te kopen en zeker niet om naar een concertzaal te gaan. Maar soms kwam er zo’n grote muziekkast voor je deur staan en dat speelde dan de mooiste muziek. Pas veel later begreep ik dat dat een draaiorgel was. In Zuid werden wel pleinconcerten in de muziektenten op het Afrikaanderplein en Deliplein gegeven, maar ik was, rond mijn 4e jaar, helemaal weg van de draaiorgels, want die kwamen voor je deur staan en als dan een van die mensen aan het wiel begon te draaien, stond ik te genieten. Natuurlijk ging ik ook graag achter de muziek aan. Als mijn ouders me kwijt waren, hoefden ze maar te luisteren of het orgel er was.

Ik ben nog steeds erg onder de indruk van orgeldraaier Martin Minning. Wanneer het orgel vanuit de Bothastraat richting Jacominastraat draaide, bleef hij draaien terwijl het orgel de steile Beijersstraat inging. “Vasthouden Martin”, riepen zijn maatjes. De Beyersstraat was een heel kort, maar ook heel steil straatje. Ik was altijd bang dat de bocht naar links gemist zou worden en het orgel pardoes de huisjes aan de Jacominastraat zou binnenrijden.

In 1936 was er op het Van Alkemadeplein een brand geweest in een orgelpakhuis. Veel van de uitgebrande instrumenten werden tijdelijk opgeslagen in pakhuizen aan de Brede Hilledijk tegenover het handwagenverhuurbedrijf van de familie Koppelaar. Ook Klaas Koppelaar exploiteerde een draaiorgel.

Martin Boelsen,Zomerakker 205, 3206TN Spijkenisse, tel: 0181626541