Rotterdamse liedjes

Rotterdamse liedjes zijn er in overvloed. De redactie van De Oud-Rotterdammer krijgt ze regelmatig toegestuurd, maar slechts bij hoge uitzondering halen ze de kolommen van de krant. Toch zijn er ongetwijfeld veel mensen die het leuk vinden die oude liedjes nog eens terug te zien. Daarom publiceren we ze in deze rubriek op de website.


Rotterdamse liedjes

Hillegondalied
Toen Hillegond een reuzenmaagd
van Hollands duinenrand,
onschuldig werd van huis gejaagd,
nam zij een schoot vol zand:
zij zocht een plaats voor 't souvenir
van haren dierbren grond,
en 't lieve meisje stichtte hier
den Berg van Hillegond. Maar treurend op den heuveltop,
blonk in haar oog een traan.
Toen hief zich Rotte's stroomgod op
met al haar leed begaan.

"Wees welkom" sprak hij "schoone maagd
waartoe zoo droef geschreid?
Uw naam, dien deze heuvel draagt
zal klinken wijd en zijd."

"Dit oord, door mijne hand besproeid,
wordt u een lieflijk dal,
waar jong en oud, als gij vermoeid,
zijn leed vergeten zal.
De grijsheid dartlend met de jeugd
in 't weelderig plantsoen,
zal 't minnend paartje, vol geneugt,
zien lachen in het groen."
"Uw heuvel, door uw traan gewijd
tot een geheiligd oord,
wordt eens een plek, waar haat noch nijd
den kalmen vrede stoort:
en 't zij natuur des zomers lacht,
of van haar arbeid rust,
den Berg wordt bij het nageslacht
der stedelingen rust."
Wat Rotte's stroomgod heeft voorspeld
is 't alles zoo geschied?
Wie kent in Schielands grazig veld
het vriend'lijk Bergje niet?
O! stille dreven, schoone laan
Langs veld en spiegelend meer,
de wand'laar tot u opgegaan
zingt Hillegond ter eer.

Met dank aan: C.T. Kok - Bosschaart


Nog meer Rotterdamse Liedjes

Van mevrouw Gerlinde Kramer (Ilpenplein 20, 3085 DM Rotterdam) kregen we een stuk van het lied Rotterdam 1940 van Guus Hermus. Op het Internet hebben we de rest van de tekst gevonden en daarmee haar deel van het lied aan kunnen vullen.

Rotterdam 1940

De bakker brengt het brood van puin tot puin
De postbode vergist zich in de straat
De morgen en de middag groeien door
En in de kranten staat dat het leven verder gaat
Maar velen vragen zich slechts af waarom
Voor velen is de noodzaak om te leven niet meer nodig
Het praten leidt hen af, maar het denken maakt hen stom
En alle vreugd en werk lijkt ver en vreemd en overbodig
Maar van de zee, de havens waait een frisse wind
In ieder huis dat bleef, in iedere schamele kamer
Waar dat mensen overdonderend overwint
Met mokerslagen met een hamer

Het hamert in de straten
Het hamert in de hoofden
Die stad van ons is moe gerouwd
Die stad van ons moet worden opgebouwd
Daar kloppen de houwelen
Daar kloppen weer de harten
We gaan vooruit, we bouwen weer
We zwoegen en we sjouwen weer
We moeten door, we willen door
We weten weer: we zijn ervoor
Als bij een legkaart stuk voor stuk
Past weer de arbeid in geluk
En alles wat verloren ging
Wordt eenmaal een herinnering

De bakker brengt het brood als elke dag
De kinderen gaan naar school en spelen weer
Hun schelle stemmen klinken op de straat
De zon schijnt, en er valt wat regen neer
We weten nu dat alles door zal gaan
We doen ons werk, we slapen en we lopen en we eten
Zo zonder erg glijden we weer in ons bestaan
En onze kinderen zullen dit, goddank, het eerst vergeten

Misschien veel later zullen ze ons vragen doen
Maar dan is alles duizendvoud teruggegeven
De tijd reikt over alles heen
En Rotterdam, die stad van ons, is ons gebleven