R.E.T. ca. 1940
Uw blad lees ik met veel plezier. Als oud-medewerker van de R.E.T. doet het zien van de oude tramstellen in uw blad mij veel genoegen. De stroombeugels op de rijtuigen, ook wel pantograaf genoemd, heb ik een jaar lang mogen revideren onder de bezielende leiding van Bas van Ree in de remise annex werkplaats aan de Isaac Hubertstraat. Ik was R.E.T.-er in de rang van jeugdig arbeider voor het niet onaantrekkelijke salaris van 25 gulden per week. In een van de oude gebouwen van de gasfabriek aan de Lusthofstraat heb ik als boomstammenschiller gewerkt in de houthakkerij. Het hout was noodzakelijk omdat de bussen op houtgas zouden gaan rijden.Aan de Lusthofstraat was men net begonnen met het ombouwen van de motoren van diesel naar houtgas: de Kromhout-Gardnermotoren ondergingen een flinke ingreep.
De brandstofpompen werd eraf gehaald, er kwam een ontstekingsmechanisme, andere zuigers i.v.m. een lagere compressiedruk en er kwamen bougies i.p.v. verstuivers. Om de autobussen op houtgas te laten rijden, moesten er naast de ombouw van de motoren ook houtgasgeneratoren van het type Imbert worden aangeschaft, contracten voor levering van hout worden afgesloten, een droogoven worden gebouwd en er moesten houthakkers worden aangetrokken. Dat laatste was het eenvoudigst: om aan de nodige mankracht te komen, werd gebruik gemaakt van de werkplaats voor jongere werklozen aan de Piekstraat in Rotterdam-Zuid.
Op 14 mei 1940 werd ik, omdat er steeds minder werk was, ontslagen bij de leerschool van de Rotterdamse Droogdokmaatschappij (RDM). In die zelfde tijd ben ik begonnen aan een studie aan de machinistenschool. Ik wilde na de oorlog gaan varen en het vak van machinist leek me wel wat. Ik kwam, na mijn ontslag terecht bij de eerder genoemde werkplaats en ik werd daar voor fl 2,50 per week beziggehouden. Daarnaast deed ik ook nog wat vakkennis op. Als er door bedrijven baantjes bij de werkplaats werden aangeboden, verliep de toewijzing van die banen strikt eerlijk: wie er het langst was, mocht als eerste kiezen.
Zo kwam ik in de houthakkerij terecht; een vies baantje door de kleverige hars dat aan de stammen zat. Maar ja, 25 gulden of 2 gulden vijftig, dat maakte in die tijd toch heel wat uit! Ik heb thuis als Brugman moeten praten om terug te mogen naar de Piekstraat. Dus op een zaterdagmorgen schoot ik baas Kapteyn aan en deelde hem mijn ontslag mee. Een uurtje later kwam hij weer bij me langs en nam me mee naar de baas van de automobiel-elelektriciens, de heer Capitaine. Hij vroeg me of ik verstand had van elektriciteit. Nou had ik net een paar maanden les uit het boek van Isbrucker gehad en ik zei dat ik er wel verstand van had. Hij vroeg me naar de wetten van Kirschhooff die ik zonder haperen kon opzeggen.
Zo werd ik elektricien d' automobile. Om in Waddinxveen bij de firma Verheul te gaan werken, werd ik toegevoegd aan hoofdmonteur George Walters.
De nieuwe bussen werden daar van de elektrische installatie voorzien. George was een goed mens en een prima leermeester die mij de theorie en de kneepjes van vak heeft bijgebracht. Bij Verheul had men een uur schafttijd. Ik moest van George de schema's bestuderen terwijl hij een dutje deed. Vijf minuten voor het einde van de schafttijd werd hij wakker, overhoorde me en gaf verdere uitleg. Na vier maanden was de klus geklaard en ging ik in het busstation in de Lusthofstraat aan de gang. De invloed van de oorlog was al goed te merken: we moesten allerlei onderdelen zelf maken zoals wikkelingen voor startmotoren, batterijen en bougies. Het was hard werken om de bussen op de weg te houden: de startprocedure op het uitrukterrein in de Lusthofstraat kwam voor onze rekening. Vooral in de winter was het geen gemakkelijke zaak om 's morgens om vier uur uit bed te moeten om met de personeelstram naar het werk te gaan.
Om half zes werd met een startwagen met vier accu's van 40 kg per stuk het busterrein opgereden om de bussen hulpstartvermogen te geven via een stopcontact aan de achterzijde van de bus. Ook moesten alle storingen verholpen worden. Dat varieerde van kapotte richtingaanwijzers en zekeringen tot lege batterijen. Dit werk heb ik tot september 1943 gedaan omdat ik toen naar Duitsland moest. Ik heb de nieuwe garage aan de Sluisjesdijk in 1945 nog helpen inrichten. Toen de bussen weer overgingen op diesel, werd ik overgeplaatst naar de werkplaats aan de Isaac Hubertstraat. In augustus 1946 ben ik bij de R.E.T. vertrokken omdat ik naar zee kon. In de vijftiger jaren ben ik, na het behalen van mijn diploma als scheepswerktuigkundige, bij het Gemeentelijk Energiebedrijf (GEB) gaan werken. Tot aan mijn pensionering heb ik in de centrales van het GEB gewerkt. P. Huizer, Seringenstraat 3, 3261 XG Oud Beijerland. Tel: 0186 - 613717
|