Rotterdammers en hun vrije tijd

Al die hardwerkende Rotterdammers waren niet altijd aan het werk. Om aan de broodnodige ontspanning te komen, zullen er dus veel clubs, verenigingen en uitgaansgelegenheden geweest zijn. Sommigen bestaan nog, zoals Dansschool Jansen (Dansuh bij Jansuh), die vroeger trouwens Dansacademie P. Jansen Jzn heette, aan de Vijverhofstraat in Rotterdam waar je nu o.a. salsadansen kunt leren. Dansscholen waren er zat: Dansinstituut Meyr et Fils aan de Henegouwerlaan, Maison De Klerk aan de 1e Weenastraat, Dansschool Pierre Zom Jr. aan ’s Gravendijkwal/hoek Binnenweg. Wandelen kon je bij de Wandelvereniging D.S.O. (Door Samenwerking Omhoog) uit Overschie, turnen bij Gymnastiekvereniging Ahoy in de zaal aan de Rochussenstraat. En hebben we allemaal niet eens Drumband Ahoy door de straten zien lopen? De Openbare Golfclub Kralingen bestaat inmiddels meer dan 70 jaar en heeft de laagst gelegen golfbaan ter wereld namelijk 7 meter onder N.A.P. Zo moeten er heel wat gelegenheden geweest zijn waar de Rotterdammer in zijn vrije tijd naartoe kon gaan.


Rotterdamse Cano Club.

Als jongen van 12 jaar en wonende in het oude westen van Rotterdam zwierf ik vaak langs het water van de Delfthavense Schie. Ik was gek op water maar voorla kano’s, die destijds in grote hoeveelheden op het water lagen, hadden mijn belangstelling. Toen ik mijn zwemdiploma haalde, kreeg ik tot mijn grote blijdschap van mijn ouders een heuse tweepersoons toerkano. Bij de Mathenesserbrug lagen enkele woonboten waar je de gelegenheid had je kano te stallen aan kleine, door de bewoners zelfgemaakte steigers. Mijn kano stalde ik bij de woonboot De Waterlelie. De eigenaar van deze woonboot stond op de kermis met een vlooientheater. Het stallen van mijn kano kostte 50 cent per maand. Na enkele maanden zag ik regelmatig kano’s van een wel heel bijzonder model voorbijvaren. Ik probeerde ze vaak bij te houden maar, onervaren als ik was, lukte me dat in het geheel niet. Toch probeerde ik met ze in contact te komen. Het was een clubje van een vader met zijn zoon en twee vrienden. Ze hadden groen geschilderde kano’s met op het voordek een grote witgeschilderde kikker. Ze noemden hun clubje dan ook De Kikkers. Ik kwam met ze in contact en sloot me bij de Kikkers aan. Watersportliefhebbers zullen namen als Oude Heyna (Jack Heyna) en Wim en Aad Wezener misschien nog kennen. Al vrij snel sloten zich zoveel liefhebbers bij ons aan dat we er niet langer onderuit konden om een echte vereniging op te richten. In de Zoutziederstraat vonden we een opslagplaats voor bootjes. We begonnen met het bouwen van stellingen voor de kano’s en tijdens de kleine inwijding, een pilsje, een glaasje prik en een gevulde koek van vijf cent, werd in de jaren 1932/1934 de naam Viking geboren. De eerste voorzitter van de vereniging werd Aad Wezener. Al spoedig werd begonnen met het zelf bouwen van kano’s. Daarbij hadden we veel hulp van de gebroeders De Crouw en van de Oude Heyna, die allemaal in de scheepsbouw werkten. De ruimte aan de Zoutziederstraat werd te klein en de opslagruimte werd verplaatst naar de Spangensekade. Daar zijn we tot ongeveer 1942 gebleven.


De Rotterdamse bleekneusjesvereniging. Oostvoorne, Agathahuis

Zelf werd ik in de zestiger jaren door mijn ouders twee maal zes weken ‘op kamp gestuurd’ naar het St. Agathahuis in Oostvoorne. Ik was kennelijk een bleekneus en het leek mijn ouders een goed idee om me aan te laten sterken in zo’n kamp. Ik kan me niet herinneren door wie het werd georganiseerd en ik weet ook niet meer waar ik ben aangemeld. Ik kan me van de tweede keer dat ik ging wel herinneren dat een verpleegster thuis kwam kijken. Toen die verpleegster dan ook kwam, was mijn moeder niet thuis. Omdat ik die keer niet wilde, heb ik haar maar voor de deur laten staan. Ik hoopte zeker dat die hele vakantie naar Oostvoorne dan niet door zou gaan. Maar ja, ze kwam natuurlijk gewoon een ander keertje. Wat heb ik het daar afschuwelijk gevonden.


AFBEELDING

Zes weken was tenslotte ook wel een lange tijd om van huis weg te zijn. We moesten in de Conradstraat of bij het station Blaak in de bussen stappen. Na vertrek werd in de bus al gelijk het snoep dat de kinderen bij zich hadden opgehaald. Ik vraag me nu nog af wat daarmee is gebeurd. In het Agathahuis sliepen de meisjes en de jongens apart. De grotere meisjes sliepen met vier of zes in kamertjes die naast de grote meisjesslaapzaal lagen. Aan de slaapzaal grensde ook het wasgedeelte. Daar waren open kastjes waar je spulletjes ingelegd werden. Voor het slapen gaan, moest je in je blootje naar de wasruimte. De verpleegster stond boven aan het trapje en dan moest je je onderbroekje laten zien. Ik weet niet precies meer waarom dat was maar ik denk dat dat was om te zien of je hem de volgende dag nog een keer aankon. Van de zuster kreeg je twee velletjes dun toiletpapier als je voor een grote boodschap naar het toilet moest. Als het tijd was om te gaan slapen werd er nog voorgelezen en daarna moest iedereen op zijn rechterzij in bed gaan liggen. Iedere dag werd er gewandeld door het bos en soms ging men naar het strand. De kinderen mochten wel op het strand spelen maar er mocht niet gezwommen worden. Pootjebaaien was ook taboe. Bij thuiskomst werd iedereen onthaald op een flinke beker hangop. Smerig spul maar het moest opgedronken worden.


AFBEELDING

De maaltijden waren wel gezellig. In de eetzaal stonden lange houten tafels met bankjes. Iedere groep had een eigen tafel. De broodmaaltijd bestond uit 2 of drie boterhammen die al waren belegd en netjes in blokjes waren gesneden. Was je brood op en wilde je nog wat dan kon dat. Na het brood kwam de pap: had je je brood nog niet op dan werd de pap gewoon over het brood in je bord gegoten.


AFBEELDING

at gebeurde trouwens ook met je warme maaltijd. Het kon dus gebeuren dat over de aardappelen met andijvie de karnemelkse pap gegoten werd. De kinderen mochten wel bramen plukken. De zuster zorgde dan voor een emmer en de koks maakten er bramenjam van. Verder kwam er geen zoet beleg op brood. Ik ben natuurlijk niet de enige die op ‘bleekneuzenkamp’ is geweest.


AFBEELDING

Over vakanties van Rotterdamse kinderen krijgen we ook verhalen toegestuurd. In dit deel vind u deze verhalen. Geïnteresseerd in verhalen over de kinderkolonies? Op het Internet zijn heel veel verhalen van ‘bleekneuzen’ te vinden.
Let eens op hoeveel zich de hangop herinneren.


AFBEELDING

Ria van Ekelenburg – van Kwawegen


Padvinderij

Padvinderij Op 25 januari 1926 ben ik geboren op Zuid. Ik was bij de padvinderij en heb destijds het Drakenfeest meegemaakt op de Coolsingel. De padvinderij was gevestigd op de plek waar nu nog het elektriciteitshuisje staat bij Ahoy. De Zuiderbegraafplaats was toen voor de padvinders een oefenterrein om kennis te maken met de Grote Beer en de Kleine Beer. Over dit terrein werd wel verteld dat onder de planten met de hoge sprieten dode mensen lagen. Kunt u nagaan: ik was pas 11 jaar!


A.P. Drent, Schinnenbaan 538, 3077 JJ Rotterdam