Alle columns op een rijtje
De Rotterdamse humor van André van Duin
Hoe een ‘ouwe boef’ de hipste koffiezaak van Rotterdam begon
De Reus van Rotterdam
had een hart van goud
Tot hier en bedankt
Stemmen in mijn hoofd
We noemen het liever ‘zeevlees’ (De oude heer Schmidt)
Bert Nicodem
Bert Nicodem
Kroegen ‘galore’
Nog meer Rotterdamse kroegen
De Rotterdamse humor van André van Duin
De allerbeste komiek die Rotterdam ooit heeft voortgebracht, is onlangs in het zonnetje gezet. André van Duin heeft de zeer prestigieuze Hollandse Meester Oeuvre Award gekregen. Vorig jaar kreeg hij ook al de erepenning De Rotterdammert vanwege zijn rol als ambassadeur van de Maasstad. André is er heel blij mee en ik des te meer. En ik zal u haarfijn uitleggen waarom…
André van Duin werd op 20 februari 1947 in Delfshaven geboren als Adrianus Marinus Kloot. Als kind was André al een artiest in de dop. Op een personeelsfeest van de werkgever van z’n vader, de Rotterdamsche Droogdok Maatschappij, zag kleine André de grote Johnny Kraaykamp en Rita Corita optreden. Vanaf dat moment had kleine André maar één droom: dat wilde hij ook. Klasgenootjes op de basisschool bescheurden het van plezier als André weer eens gekke bekken trok of een grappige artiest imiteerde.
Op 15-jarige leeftijd trok André de stoute schoenen aan. Hij schreef sollicitatiebrieven naar de omroepbazen in Hilversum. Tot z’n spijt werd hij telkens afgewezen. Maar André gaf niet op. Ook toen hij inmiddels bij een verzekeringskantoor werkte, bleef de roodharige komiek in zijn droom geloven. Toen de AVRO de talentenjacht Nieuwe Oogst op televisie begon, was Van Duin er als de kippen bij. Hij kwam, zag en overwon. Het betekende zijn doorbraak als artiest. Even later kende heel Nederland hem en mocht hij in het Kurhaus zelfs het voorprogramma verzorgen van de Rolling Stones.
De rest is geschiedenis. Onze André groeide uit tot een fenomeen op de planken en op televisie. Hele generaties groeiden op met de hilarische shows van André van Duin en zijn geweldige tegenspelers Corrie van Gorp en Frans van Dusschoten.
Mijn ouders waren enorme fans, dus ook ik werd als kind al meegenomen naar André. De eerste keer wist ik niet wat mij overkwam. Oh, wat heb ik de slappe lach gehad om André die het politiebureau binnenstapt omdat zijn hond Jan is weggelopen.
Agent (Frans van Dusschoten): “Wat voor soort hond is het?”
André: “Hoe bedoelt u?”
Agent: “Is het soms een fox terriër, een staander…”
André: “Nee, het is een ligger!”
Agent: “Ik bedoel het ras, meneer. Is het een Duitse herder misschien? Of een pekinees?”
André: “Nou, hij is wel moeilijk te verstaan! Dat wel…”
Agent zucht: “Goed, ik schrijf wel vuilnisbakkenras op.”
André: “Nou, dat is wel mogelijk, want het is een afgekeurde politiehond…”
Agent: “Meneer, als we de hond gevonden hebben, dan geef ik u een telefoontje.”
André: “Nou, ik heb liever de hond.”
Tranen met tuinen heb ik gelachen. Maar weet u waarom ik André van Duin zo enorm zijn onderscheidingen gun? Onze André heeft door de jaren heen ontelbaar veel mensen plezier gebracht. Maar hij heeft met zijn humor ook heel veel mensen door moeilijke tijden heen geholpen. Hoe geweldig is dat!
André werkt zich, op z’n Rotterdams, al meer dan zestig jaar het snot voor z’n ogen. En hij is nog steeds de
allerbeste. Hoewel hij ongekend populair is, is het
succes hem nooit naar de kruin gestegen. Van Duin is nog altijd de heerlijke, nuchtere Rotterdammer vol humor uit Delfshaven.
Lieve André, van harte! Met je erepenningen. We hopen nog heel lang van je geweldige humor te mogen genieten.
Dankjewel voor wie je bent…

Hoe een ‘ouwe boef’ de hipste koffiezaak van Rotterdam begon
Hoe noem je een koffiezaak die wordt gerund door ex-gedetineerden die hun leven hebben gebeterd? Heilige Boontjes…!
Het klinkt misschien als een mop, maar niets is minder waar. In het oude politiebureau aan het Rotterdamse Eendrachtsplein staat de hipste en beste koffiezaak van de stad. Alle medewerkers hebben een bont levensverhaal. Te beginnen met de oprichter: mijn maatje Rodney van den Hengel. Stoelriemen vast…
Rodney groeide op in het centrum van Rotterdam. Als jonge tiener ontpopte hij zich als een straatschoffie. Het begon allemaal nog met onschuldig kattenkwaad, maar toen Rodney als ventje van 14 verslingerd raakte aan de drugs ging het pas echt mis. Rodney ging het boevenpad op. Hij leefde van diefstallen en inbraken. Met de regelmaat van de klok belandde Rodney in Hotel Traliezicht.
Toen hij voor de zoveelste keer in de bajes zat, kreeg Rodney een droevig bericht: zijn moeder, 50 lentes jong pas, had een hartaanval gekregen. Ze vocht voor haar leven. Opeens kreeg Rodney een moment van zelfreflectie. Wat had hij zijn ma al die jaren aangedaan? Hij keek naar boven en vroeg hardop: ‘Als U mijn moedertje in leven houdt, dan ga ik mijn leven beteren.’
Rodney kickte af en ontmoette politieagent Marco den Dunnen. De twee konden het uitstekend met elkaar vinden. Zo goed zelfs, dat ze besloten om samen een koffiezaak te beginnen. ‘Ik had net zo veel verstand van koffie als een koe van spruitjes plukken,’ lachte Rodney me eens toe. ‘Maar we waagden het erop. Wel op voorwaarde dat we de zaak zouden gaan runnen met ex-gedetineerden. Want ik wist uit ervaring hoe moeilijk het is om een baan te vinden als je hebt vastgezeten.’
De rest is geschiedenis. Rodney en Marco doopten hun koffiezaak Heilige Boontjes. Het werd binnen een mum van tijd de hipste koffietent van Rotterdam. De verrukkelijke versgebrande koffie van Heilige Boontjes wordt geschonken op alle politiebureaus, gemeentehuizen en ontelbaar bedrijven door het hele land. Mijn maatje Rodney vertelde me deze week trots dat Heilige Boontjes inmiddels tien jaar bestaat en tussen de 40 en 50 miljoen kopjes koffie per jaar serveert.
Rodney’s geheim? Hij geeft voormalig boeven vertrouwen, aandacht en verantwoordelijkheid. Rodney heeft draaideurcriminelen zien veranderen in brave huisvaders. Liefdes onder z’n personeel zien opbloeien. En hij heeft een ouwe schurk in dienst, die nu een opleiding volgt tot leraar.
En niet alleen ex-gedetineerden hebben bij Heilige Boontjes hun leven op de rit gekregen, ook ex-daklozen en andere mensen ‘met een randje’ hebben dankzij de duurzame koffie van Rodney hun draai in het leven gevonden. Ze maken inmiddels ook zeep onder de fraaie naam ‘Was je handen in onschuld’ en verbouwen in Afrika hun eigen fairtrade koffie: ‘Hier en Daar’. Rodney bouwde bovendien het oude cellencomplex op de bovenste etage van het voormalig politiebureau om tot ‘Hotel Penthouse Prison’. Ja Rodney, houdt van woordgrappen…
Wat ben ik trots op mijn vrolijke vriend. Zo trots, dat ik speciaal voor hem een prijs voor hem in het leven heb geroepen. Rodney krijgt van mij de Gouden Koffieboon 2025.
En voor wie het weten wil: Rodney z’n moeder…
Die is onlangs 81 jaar
geworden.
De Reus van Rotterdam
had een hart van goud
Reuzen komen niet alleen in sprookjes voor. Van 1922 tot 1959 leefde in Rotterdam een échte reus: Rigardus Rijnhout. Hij was maar liefst 2,37 meter groot, woog schoon aan de haak 230 kilogram en had schoenmaat 62. De Reus van Rotterdam groeide uit tot een legendarische figuur. Om de kost te verdienen verkocht Rigardus ansichtkaarten van zichzelf. Zijn familie gaf mij hoogstpersoonlijk een origineel exemplaar. Zet u schrap voor een wonderlijk verhaal…
…Rigardus Rijnhout was in de jaren veertig en vijftig van de vorige eeuw een mythische figuur. Waar hij ook ging, altijd en overal had De Reus van Rotterdam een zwerm mensen om zich heen. Rigardus werd daarom door bedrijven ingezet als sandwichman. Met een groot bord over z’n schouders liep hij reclame voor ondermeer een fietsenwinkel, een havenbedrijf en zelfs Nutricia Chocomel. Het was niet altijd leuk om De Reus van Rotterdam te zijn. Mensen kunnen wreed zijn als je anders bent. Zijn lieve zus vertelde me eens dat Rijn vaak werd gepest. ‘Mensen riepen hem na: ‘Hé lange, is het koud daarboven?’ Maar ondanks de treiterijen werd Rigardus nooit boos.’ Rigardus was dus eigenlijk letterlijk de Grote Vriendelijke Reus van Roald Dahl.
Over Rijn deden de wildste geruchten de ronde. Zo zou hij als 14-jarige jongen al 25 boterhammen, 4 biefstukken en 20 glazen vruchtensap als ontbijt nemen. Klinkklare onzin, vertelde zijn zus mij ooit. Wel moest de plaatselijke autorijschool, speciaal voor de lessen van Rigardus, de voorstoel uit de wagen halen. Zo pruttelde de reus, zittend op de achterbank en dan nog met opgetrokken knieën, door de stad.
Rigardus werd slechts 36 jaar. Zijn laatste jaren waren zwaar. Door een val van z’n fiets belandde Rijn in een rolstoel. Om te overleven verkocht hij ansichtkaarten van zichzelf bij toeristenboot Spido, met daarop de tekst ‘The biggest man in world – De Reus kan niet meer lopen, daarom alleen zijn foto’s verkopen’.
Niet veel later werd Rigardus ziek. Er werd een hijskraan ingezet om De Reus van Rotterdam vanaf zijn huis op de tweede verdieping naar beneden te takelen. Heel de stad liep uit om dit te zien en de politie moest zelfs de straat afzetten om de vele pottenkijkers op afstand te houden. Bij het graf sprak zijn vader de alleszeggende woorden: ‘Spot en hoon waren vaak je deel. Maar je haatte de mensen daarom niet. Want je
had een hart van goud.’
In het begin van het millennium las ik een interview met Rigardus’ broer in de krant. Daarin zei hij dat het de grootste wens van de familie was dat Rijn een standbeeld zou krijgen, zodat deze markante Rotterdammert niet in de vergetelheid zou raken. Het levensverhaal van De Reus raakte me zo, dat ik contact zocht. Ik ben met de pet rondgegaan en heb het standbeeld mogen realiseren. Samen met het Centrum voor Beeldende Kunst (CBK) en een vuistjevol lokale sponsors. Als dank kreeg ik van de familie een oude ansichtkaart uit 1955 van hun ‘Ome Rijn’.
Rigardus staat sinds 2011 in brons in het centrum van Rotterdam. Het is een prachtig beeld van Rijn op ware grootte en in de kracht van zijn leven. Stoer kijkend over de stad staat De Reus symbool voor de groei van Rotterdam tot – destijds – de grootste havenstad van de wereld. En Rijn roept ook op tot iets moois. Of je nu groot bent of klein. Dik of dun… We zijn allemaal gelijk. Een wijze les van een reus die een hart had van goud…
Tot hier en bedankt
Vlak voor het drukken van deze krant hoorden we dat Gerard Cox ziek is. Daarom stopt Gerard met zijn column. Vanzelfsprekend hebben we daar alle respect voor.
Tegelijk willen we hem een groot compliment maken en bedanken voor al die prachtige, soms vlijmscherpe columns waarmee hij onze lezers keer op keer wist te raken.
Gerard, maak het je makkelijk met mooie boeken en goeie films. Hopelijk snel een lekker stukkie zwezerik en wie weet: Feyenoord kampioen.
Stemmen in mijn hoofd
Waar ik mij de laatste tijd wel eens op betrap is dat ik gesprekken en discussies van dertig, veertig en vijftig jaar geleden aan het ‘overdoen’ ben. Misschien heeft u daar ook wel eens last van. Het lijkt op een soortement uitgesteld ‘esprit de l’escalier’, u weet wel, als je de trap afloopt weet je ineens wat je had moeten zeggen. Sommige van die lang geleden gesprekken zijn niet altijd afgelopen zoals ik had gewild en dat probeer je dan te herstellen. Het is natuurlijk flauwe kul en als ik me er op betrap houd ik er meteen mee op. Gedane zaken nemen tenslotte geen keer.
Wat ook door mijn hoofd gonst zijn zinnen en uitroepen die ooit tegen mij zijn gedaan of waar ik bij was en die hoor ik dan glaszuiver met de stem van degene die het toen zei in mijn oren tuiten. Het heeft in die tijd ook op de een of andere manier belang gehad denk ik, anders zou je het niet onthouden.
Een van de vroegste herinneringen is van vlak na de oorlog. Het was in de tijd van de Ronde van Nederland, de wielerwedstrijd. De ronde zou bij ons over de Bree komen. De mensen stonden rijen dik langs de weg. Ik zat op de schouders van mijn Ome Jan, de jongste broer van mijn moeder, hij woonde bij ons aan de overkant, in Vreewijk nog bij zijn moeder, mijn oma en hij was nog niet getrouwd. Op een gegeven moment kwam de boel aangestormd, en in het midden van dat moment riep hij: “Dáár gaat Gerrit Schulte! “, dat was toen de beroemdste wielrenner van Nederland. Maar het ging veel te vlug, ik had hem niet gezien. Maar ik hoor het mijn oom nog roepen alsof het een kwartier geleden was.
Even daarvoor was het Bevrijding geweest en hadden ‘de Vliegende Kruideniers’ voedsel afgeworpen op plekken buiten de stad. Dat werd volgens mij verzameld en naar de verschillende politiebureaus gebracht. Maar er werd natuurlijk ook wel eens een graantje gepikt. In elk geval stond er op een gegeven moment iemand bij ons te bellen, en kwam mijn vader even later de kamer binnen, legde een pakje op tafel dat hij open maakte en zei: “Ja hoor, dit is Engelse chocola…”Voor hem lag een tablet ruitjeschocolade. Ik was vijf jaar en zag dat spul voor het eerst. En wat vader zei hoor ik nog alsof het zo even was.
Veel later zat ik in dienst, lichting ‘60 één, DE hap. Ik was opgekomen in Vught bij de Grenadiers, maar een paar maanden later zat ik in Steenwijkerwold, ook bij de zandhazen maar bij een andere club waarvan ik tot mijn stomme verbazing de naam vergeten ben. De naam van je regiment had je op de schouder van je Eerste Grijs genaaid. Dat noemden wij ‘straatnamen’. Maar toen ik op de eerste ochtend stond aangetreden had ik daar nog geen tijd voor gehad. De eerste luitenant van As, een ongelofelijke blaaskaak, kwam op mij afgemarcheerd en brulde: “Cox! Dat had al veranderd moeten zijn! Het moet voor jou een eer zijn om bij het regiment te mogen dienen!”
Ongelofelijk gelul natuurlijk, ze lieten je zelf van de ene dag op de andere van regiment veranderen, waar moest je dan die eer vandaan halen? Maar ik hoor hem nog brullen alsof het gisteren was.
Nog eentje dan. Midden jaren zeventig hadden we nogal afgezien in Ierland bij de opnames van ‘Hollands Glorie’ want we waren daar te pletter geregend. Om ons zelf een beetje te verwennen zaten we een kleine week later in een prachtig hotel in Cap Martin in Zuid Frankrijk. Duur maar ook met stijl. Toen ik bij het diner verscheen in een mooi hemd van Adidas, maar zonder mouwen zei een ober versteend van schrik: “Un chemise, un chemise, un chemise…!” Ik hoor het hem zeggen alsof het vijf minuten geleden is. Ik ben gauw een overhemd aan gaan trekken.
We noemen het liever ‘zeevlees’ (De oude heer Schmidt)
De nieuwe haring is een beetje half ongemerkt, als dat bestaat, het land binnengekomen. Opeens zag ik bij ons op het dorp dat ie er was.
Dat ging vroeger wel anders. Als de eerste lekkernijen aan wal kwamen was het ‘Vlaggetjesdag’. Er was een haringrace aan vooraf gegaan die meestal ging tussen een schip van Scheveningen en een van Vlaardingen… Zou er in Vlaardingen nog één vissersschip te vinden zijn? Of in Scheveningen?
Ik begrijp dat onze Hollandse Nieuwe tegenwoordig uit Denemarken komt.
Vroeger ging een en ander gepaard met veel Hollandse vlaggetjes, vandaar die naam Vlaggetjesdag. Op een gegeven moment mocht dat opeens niet meer. Iemand, wat zou dat voor iemand zijn, bedenkt dan dat de Nederlandse vlag een beetje wordt ‘ontwijd’ door dat feestvertoon.
Ik vind dat onbegrijpelijk. Feest vieren met de nationale vlag, dat is toch wat je noemt feestelijk? Maar goed, toen bedachten ze de ‘Haringvlag’ en dat ziet er ook leuk uit, hoewel je geen karretjes meer in de straten ziet met een luid roepende visboer, ”Hollandse Nieuwe!!!” En dan mag ie uit Denemarken komen want hij smaakt voortreffelijk.
Ergens begin jaren twintig was er ineens gedoe vanwege de ‘haringworm’.
Die veroorzaakte een zeer ernstige aandoening, daar kon je zelfs aan dood gaan.
Ik heb eens iemand gesproken die tegen dat ongeluk was opgelopen en die zei dat het echt vreselijk was.
De haringworm zat op de graat, en u weet nog wel hoe wij, althans in Rotjeknor, de haring aten: je pakte hem bij de staart, scheurde hem in tweeën, at het buikje op en kloof dan smakelijk de graat af. Dat moesten we maar niet meer doen. Tegenwoordig hakt de visvrouw de hele graat er uit. Bovendien wordt de vis na de vangst onmiddellijk diep gevroren dus is er geen gevaar meer.
Het is dan ook niet meer ‘groene haring’ zoals dat vroeger werd genoemd.
Sommige mensen haten haring en andere doen er een moord voor, zoals ondergetekende. Mijn vader, maar dat was voor de oorlog, had ooit een graat is zijn keel gehad, dus die moest er niets van hebben.
Met vrouwen had ik andere ervaringen. In mijn korte leven heb ik een aantal zeer leuke vrouwen meegemaakt en die hielden altijd van haring. Dat schiep natuurlijk een band. Vervelende vrouwen hielden in mijn geval nooit van haring, heel typisch.
Een uitzondering was een zeer leuke Amerikaanse regisseuse die mij zag genieten van het zeebanket en vol afgrijzen zei: “Maar dat is toch rauw…?”
Daar had ik nog nooit bij stilgestaan.
En ik begreep haar pas veertig jaar later, toen we op onze wereldreis “met de vier mannen” in Tokio in een restaurant een eindeloze stroom rauwe vis te eten kregen, ik er niets van moest hebben en geplaagd uitriep: “Ik voel met net een reiger…!”
Bert Nicodem
Bert Nicodem
Mijn steun en toeverlaat, ik noemde hem altijd ‘mijn muzikale linker- en rechterhand’, Bert Nicodem is overleden, u zult het wel gelezen hebben ergens. Hij was niet alleen mijn pianist maar vooral een ‘begeleider’, aan de piano dan en als zodanig onovertroffen.
Maar hij was ook een voortreffelijk componist. Hij heeft voor heel veel liedjes van mij de melodie geschreven en dat was altijd honderd procent. Het was altijd precies wat het wezen moest, hij was daar briljant in. Als u ze kent, van iets simpels als “Het liedje van de week”, dat wij op de zondagochtend in de Doelen deden tot een tamelijk ingewikkeld stuk als “Die ander”, hij sneed de muziek altijd perfect in lijn, hoe zeg je dat, met de tekst. En meestal meteen de eerste keer, je hoefde er niks aan te veranderen. Luister maar naar nummers als ‘Kom nou maar naar huis’ en ‘Nooit meer weg’.
Om het nog mooier te maken, hij kon ook prima tekstschrijven. Toen ik dat geweldige Zuid- Amerikaanse nummer hoorde waarvan ik nu natuurlijk de titel niet meer weet, en met hem besprak wat ik er van zou maken, bedacht hij de titel “Nooit meer verkering”, nou daarna schreef het nummer zich als vanzelf.
Toen ik aangeboden kreeg een paar boekjes van Nijntje te ‘vertalen’ in het
Rotterdams nam ik dat ogenblikkelijk aan want ik dacht, daar kom ik met Bertje altijd uit. Hij schreef het leeuwendeel en het ging onder mijn naam de handel in, maar de zijne stond ook keurig vermeld zoals dat hoort. Hoewel hij er niet zo uitzag was hij een bijzonder ‘musische’ man, geïnteresseerd uiteraard in muziek maar ook in literatuur.
Het was kortom een waar genoegen hem te kennen. Wat kun je soms toch een geluk hebben, want hij was ook heel geestig, op zijn bekende lobbesachtige manier, met die lage stem zogenaamd zonder emotie. Als je een luide boer liet, en je zei er dan tot verontschuldiging achteraan: “Sorry, het kón niet harder”, dan zei Bert droogjes: “Neehee, je doet je best niet…” Ook over soms niet zo aangename dingen die hem overkwamen kon hij met veel humor vertellen.
Een jaar of twintig geleden had hij nogal wat problemen met zijn gebit en liep hij de deur plat bij de tandarts. Hij vertelde: “Die man sleutelde en boorde en wrikte maar aan, maandenlang, ik denk dat ie wel zo ongeveer een Mercedes aan mij heeft verdiend”. Op een gegeven moment gaf die tandarts een feestje en informeerde of Bert op dat feestje piano kon komen spelen.
Bert zei dat dat zijn vak was dus dat dat wel kon. Toen de bekkensmid (zo noemde mijn vader dat) informeerde wat dat ging kosten, noemde Bert een vriendenprijsje en zei: “Geef maar driehonderd gulden”, waarop de arts geschrokken riep: “ZOVEEL!”
(Want dat is het noodlot van ons artiesten. De mensen betalen de loodgieter zonder morren, maar van ons wordt er
verwacht dat het wel voor niks kan. In het ergste geval zeggen ze nog: “Het is toch je hobby…”)
Bert hield van eten. Dat heette bij hem “kanen”. “Nee Geer, we moeten eerst nog even kanen”. En als het een keer niet lekker was bromde hij: “Het is niet te knagen.”
We hebben vijftig jaar samen het land onveilig gemaakt met onze liedjes.
Ik hoef geen ander te zoeken, het is mooi geweest. Dat hij ruste in vrede.
Kroegen ‘galore’
Ach, laten we het maar niet over politiek hebben, vindt u ook niet?
Wat een droefenis allemaal. Mensen gaan naar de stembus, voor wat eigenlijk?
Maar we moeten dat blijven doen en dan hopen dat het op een dag ineens allemaal voor de bakker is. En dat we niet hebben gekozen voor iemand die een waardeloze flapdrol blijkt te zijn, die opstapt vanwege een probleem waar zijn eigen minister over gaat. Ra ra wie bedoel ik?
Nee, dan is het onderwerp Rotterdamse kroegen een veel betere keuze. Gezien het aantal ingezonden stukjes van uw aller handen denkt u er ook zo over.
Ik schreef de vorige keer wel dat wij thuis nooit naar de kroeg gingen maar ik herinner mij dat dat vlak na de oorlog wel eens gebeurd is.
De straten achter de Bree waar wij woonden, hadden zeer indrukwekkende namen: Janne Bouwensstraat, en Hendrik Croesincstraat bijvoorbeeld. Op de hoek van de straat die liep naar het Breeplein zat in die tijd een café, dat heette Coppens, en als we dan op zondagmiddag hadden gewandeld en mijn ouders waren in een goede bui, dan herinner ik mij een keer dat we daar naar binnen zijn gegaan. (Naast Coppens zat trouwens Jaap de IJsboer.) Mijn moeder een advocaatje, of misschien een citroentje met suiker, wij kinderen van die gele priklimonade waar ze ook een ‘imitatie’ mee maakten, later ging dat met 7- Up, maar dat was lang zo lekker niet, en mijn vader met zo’n ouderwets glas bier. Ik mocht het schuim uitlikken, ik zal nooit vergeten dat ik dat voor het eerst proefde.
Bij 7- Up moet ik denken aan de Deens- Amerikaanse komiek Victor Borge. Wie kent hem nog. Hij vertelde het volgende verhaal: Hij had een oom die een klein fortuin had en daarmee een limonadefabriek oprichtte. Die limonade noemde hij 1-Up , One-Up dus. Dat liep niet en hij ging failliet. Toen ie weer wat geld had begon hij weer opnieuw en noemde zijn limonade 2-Up, oftewel Two-Up. Dat ging ook niet dus weer failliet. Hij bleef het, zelfs met geleend geld, proberen, 3-Up, werd niks dus failliet, 4-Up, weer niks, 5-Up, weer een ramp, 6-Up, nee hoor, en toen was zijn geld echt op. Borge: “And than he died…… he should have known…”
Ik moet ook denken aan café de Gouden Snor. Daar ben ik wel eens geweest in mijn Neptunustijd. (Gefeliciteerd mannen met jullie jubileum.) Dat café is begonnen door Joop Zijlaard, een man die nu vredig in Spanje woont maar die toen een roemruchte figuur was in de wielerwereld. Hij was ‘gangmaker’ bijvoorbeeld bij de Zesdaagse in Ahoy, met die grote motoren of die kleinere Dernies. Zijn brede lijf kwam goed van pas.
Als u hem ooit ontmoet moet u hem laten vertellen over de wielersport in die tijd. Je weet niet wat je hoort. Zijn zoon Michael trouwde met Leontien van Moorsel en die voegde nog een aantal gewonnen Tour de Frances en gouden Olympische medailles toe aan de familie-palmares. De Gouden Snor bestaat nog volop volgens mij en is een fijne zaak waar je ook goed kunt eten, maar ik ben er al heel lang niet meer geweest.
Als je naar Zuid ging en je kwam de tunnel uit en je reed rechtsaf Charlois in, daar ben ik ook eens in een café geweest aan een plein, genaamd de Kroonkurk. Het is geloof ik allemaal allang weg. Ik geloof dat Jan Ouderaarden zijn hilarische vertelling, tegenwoordig heet dat tot mijn toenemende woede ‘narratief’, “Waarom we niet naar Amerika gingen” (ik weet de titel niet meer zo precies”, sorry Jan) daar situeerde.
In mijn herinnering waren de muren bezaaid met honderden kroonkurken, maar het kan ook zijn dat ik mij dat verbeeld.
Ja mensen, kroegen genoeg.
Nog meer Rotterdamse kroegen
Ik denk met nostalgie aan bepaalde Rotterdamse kroegen terug, dat heeft u de vorige keer al gelezen.
Laat ik voorop stellen dat ik nooit een echt kroegtijger ben geweest. Dat kon namelijk niet want toen mijn “carrière” in de jaren zestig een beetje begon te lopen stond ik elke avond op het toneel. Zeker toen ik in ’66 bij Lurelei kwam. Toen met Eric Herfst en Jasperina, Marjan Berk en aan de piano de net van het conservatorium gekomen Rogier van
Otterloo, de zoon van de beroemde Willem van Otterloo. Wij speelden ELKE avond in ons theatertje aan de Leidsekade 90, en ’s maandags gingen we de provincie in. Je hoort tegenwoordig nogal eens over “burn out”, maar daar hadden wij toen nog geen idee van. Nooit gekregen trouwens. Ik was toen dus elke avond pas tegen twaalven in Rotterdam terug, en dan had “stappen” niet zoveel zin meer. Toen ik in de Witte de Withstraat woonde kon je nog wel naar “Spooky” voor een broodje, tussen de toffe taxichauffeurs.
Ik zag in die jaren eigenlijk ook nooit televisie. Die was er alleen tussen zes en elf uur. Nou dan was ik dus aan het spelen of aan het auto rijen. Ik heb wat kilometers gemaakt in die tijden, elk jaar zo’n 80.000 kilometer. Maar ja, dan ben je jong en je wilt wat. Later kwam de videorecorder en als je die goed instelde kon je een uur programma opnemen.
Later werd dat meer, maar hoe ging dat? Dan nam je dus thuis tegen twaalven je eerste borrel en dan stond van je opgenomen programma het laatste stukje er niet op en wist je niet hoe het was afgelopen. Wat ook gebeurde is dat je de hele avond iedereen had verboden iets over de wedstrijd mede te delen, onderweg naar huis geen radio aan en kwam je thuis en kwam de buurman vrolijk naar buiten “Goed hè, 2-0 gewonnen!…” en hoefde je niet meer te kijken. Of je ging kijken en viel in slaap en werd midden in de nacht wakker.
Vroeger was het ook niet zo gewoon dat je in de kroeg iets kon eten. Soms een
balletje gehakt. Dat was bijvoorbeeld zo bij Koos Trotsenburg op Delfshaven. Een
heerlijke pijpenla met fijne getapte biertjes. Als toppunt van modern vermaak had hij op zeker moment een soort televisie staan met een spelletje erop, dan kon je met een bewegend stipje “tennissen”. Ja, de tijd stond niet stil.
Getuige ook “De Boemerang”, een veel grotere zaak waar je uitgebreid kon
schransen. Op zondagmiddag na al het voetballen was het daar een drukte van
belang. Er stond halverwege een kooi met een flinke papegaai waar je enorm voor op moest passen anders beet ie je vinger er af. Die had op een gegeven moment tot ieders verbijstering een ei gelegd. Die zaak was een tijd lang zeer in de mode en zat op, hoe heet het daar, de Mariniersweg?
Melief Bender, “Meliefje ik ben d’r” dichtte Frans Vogel, was ook zo’n heerlijke ouwerwetse kroeg met een biljart achterin, en Belgisch bier. Maar dat viel op een gegeven moment ook ten slachtoffer aan een verbouwing. Later was het van Willem Langstraat en die stootte het op in de vaart der volkeren met zijn beroemde “Ontbijt” op zondagochtend. Ik begreep dat de hele bediening gekleed ging in nachtpon met nachtmuts want ik ben er nooit bij geweest, want dan stond ik in de Doelen met ons Zondagsconcert.
Even verderop was het beroemde “Timmer”, ik denk het enige café zonder muziek, wat ik toen en nog steeds een verademing vind. Ik heb er vele gezellige uurtjes door gebracht, vooral op maandag als we met een groep van een stuk of tien gingen bamzaaien. Ik deed in die tijd veel televisie en dan had ik ’s avonds vrij.
Maar ik ben er nu alweer in jaren niet geweest, want ik ben nu te oud om een paar uur in de kroeg te hangen. Toch af en toe blijven doen, Geer. In beweging blijven, dat schreef Ard Schenk laatst nog in de krant.
Over genoemde Frans Vogel nog het volgende: Hij kwam tijdens het Poetry
International de zaal van de Doelen binnen, waar op het podium een Chinese dichter in zijn eigen taal een gedicht voorlas. Frans riep: “Harder!”












