De Oud Rotterdammer Week 18 - page 9

jaar met me mee.
Ons gezin, vader, moeder en acht
kinderen, woonde in het Jaffa 27a,
1e etage. Het huis boven ons stond
leeg. Ja, wie wilde er boven een gezin
van tien mensen wonen? Het was wel
1940. Toen was een huis huren niet
zo moeilijk. Als je een huis huurde,
werd er door de eigenaar behangen
en geschilderd en de eerste week
hoefde je geen huur te betalen. De
Duitse dreiging werd steeds groter.
Mijn vader zei tegen zijn kinderen
dat, als er bommen werden gegooid,
we aan de muur van de poort moesten
gaan staan, want wij grensden aan het
Jaffahof. Dat leek ons geen goed idee.
De volgende dag had hij een ander
idee. Als er bommen werden gegooid,
moesten we in het trappenhuis bij
de wc gaan staan. Dat leek ons een
beter idee. We zaten met zijn allen in
grote angst. Het bombardement was
begonnen.
Vluchten
Gelukkig werd er gebeld door een
buurman en hij riep naar boven: “De
Natte, kom met vrouw en kinderen
naar beneden. We gaan vluchten naar
het Kralingsebos.” Onze moeder
pakte vlug wat kleding bij elkaar en
wat beddengoed en knoopte het in
een laken. Dat was zo gebeurd, want
we hadden niet veel. Snel de trap af.
Daar werden de kinderen in de Korf
opgevangen in een pakhuis.
De volwassenen laadden allerlei spul-
len in een verlengde handwagen van
een waterstoker uit de Jerichostraat die
zijn ambulante handel er normaal mee
deed. De jongste kinderen mochten op
de handwagen zitten en de hele stoet
vertrok. Vanuit de Korf zag ik, als ik
naar rechts keek, door het raam bom-
men vallen richting Schoutenstraat.
Zoals ik het zag, waren het stukjes
potlood vanaf die afstand, maar ze
hadden een vernietigende uitwerking.
Voordat we bij het bos waren vroeg ik
aan mijn broer Jaap: “Hoe komen we
nu aan eten?” Hij zei: “Dat vragen we
wel aan boeren.”
Benauwd
We liepen een stukje door het bos en
de mannen zochten een diepe grep-
pel uit om daarin te schuilen en te
overnachten. Die was snel gevonden
en een ieder werd aan het werk gezet.
“Want”. zeiden de mannen, “we gaan
de greppel afschermen zodat we van
bovenaf niet te zien zijn. Dat deden we
met takken, twijgen en bladeren, maar
die waren er niet zoveel, want het was
net mei. Mijn broers en zussen kregen
het even benauwd toen er uit de groep
geroepen werd: “Maak die hond dood,
want die is wit en dat zien ze vanuit
de lucht.” Gelukkig waren er ook wat
kleinere kinderen bij die een jasje over
hadden om Max aan te trekken. Max
liet zich gewillig aankleden en het
probleem was opgelost. Je begrijpt dat
Max onze hond was!
De greppel was afgedekt en we gingen
oefenen om de nacht door te brengen.
We moesten om en om gaan zitten.
Dat liep heel goed tot ik nog, als
enige, niet in de greppel zat. Toen zei
mevrouw Sjaan Ameling-van Kleef:
“Kom maar hier zitten, ik heb nog wel
een plekje over.” Zij wist toen niet en
ik ook niet dat ik 15 jaar later met haar
dochter Diny zou trouwen.
De vliegtuigen bleven overvliegen en
op een gegeven moment gooide een
vliegtuig pamfletten boven het bos uit.
Daarin stond dat Nederland zich had
overgegeven en wij moesten naar onze
woonhuizen terugkeren. Wij waren
bezet door de Duitsers, maar zouden
er niets van merken. Voor we terug-
gingen kwamen Hollandse soldaten
ons vragen om burgerkleding, want zij
wilden niet als Hollandse soldaat in
handen vallen van de vijand. Wat we
konden missen, gaven we,
Kaas van hout
Terug in het Jaffa waren flink wat rui-
ten gesprongen door de druk van het
bombardement en, wat ik gek vond,
mensen gingen lopen plunderen. Bij
Vink Conserven werden grote blikken
zure bommen weggehaald. De mensen
gingen naar de Goudserijweg. Bij de
Weteringstraat brandde het als een
fakkel. Een grote stank verspreidde
zich. Iedereen liep de kaaswinkel bin-
nen en ik er achteraan. In de etalage
zag ik kaas liggen. Ik dacht: die neem
ik mee. Thuis gekomen vroeg mijn
vader: “Wat heb jij daar, geef maar
aan mij.” Hij klopte erop en zei: “Die
is van hout.”
Mijn vader die van de steun trok,
kreeg per week fl.13,25 en de huur
was fl. 5,25. Dus er bleef fl. 8,00 over
om met zijn tienen te eten en ons van
verdere zorg te voorzien. Hij was los
werkman en werkloos. Wel moest hij
tweemaal per dag komen stempelen
om te laten zien dat hij niet werkte.
Die fl. 13,25 moest hij iedere vrijdag
ophalen bij de steun. De kinderen
kregen een Kledingkaart en Klompen-
kaart en wij zagen er uit als op de foto.
Links mijn broer Wim (9), midden
Klaas (8), rechts Marie (7). Goed
herkenbaar voor iedereen. Kinderen
van een steuntrekker!
Overgave
Na de dreiging van de Duitsers andere
grote steden hetzelfde lot te laten
ondergaan als Rotterdam, besloten de
bevelhebbers zich over te geven. Op
15 mei 1940 werd de capitulatie in
Ridderkerk getekend. We waren bezet
door de Duitsers, maar mijn moeder
ging altijd eten halen bij de Hollandse
soldaten die in de hbs lagen. Daar
werd eten uitgedeeld dat over was van
het avondeten van de soldaten. Maar
die waren er niet meer. Mijn vader
kwam in dienst bij de DiWeRo om
puin te ruimen van het bombardement.
Een strook van de Kralingseplas is
gedempt met puin van de gebombar-
deerde huizen, vanaf de Jericholaan tot
aan de Kortekade. Het bombardement
had honderden doden geëist. Meer dan
2000 mensen waren gewond en heel
veel mensen werden dakloos.
Weer naar school
Ook bij Rhenen en de Grebbeberg, de
Afsluitdijk en Maasbrug werd hevig
gevochten. De Duitsers vonden dat
zij ons niet snel genoeg klein kregen,
want zij wilden heel snel Frankrijk
gaan bezetten. Vandaar de dreiging
onze grote steden te bombarderen.
We gingen weer naar school via de
Berkelstraat, Boezemdwarsstraat,
Boezemsingel en Pootstraat naar de
Ketenstraat. Dat was net de straat waar
mijn moeder haar kinderen niet naar-
toe wilden sturen, want dan moesten
we de tramrails oversteken. Wij heb-
ben alle zeilen moeten bijzetten om
met de familie de oorlog te overleven.
Iedereen moest een Persoonsbewijs of
een Stamkaart hebben. Daarop kreeg
je bonnen voor voedsel en schoeisel.
Razzia 1943
Tijdens de razzia in 1943 verdiende
mijn moeder een hoofdprijs voor haar
toneelspel. Mijn broer Kees moest, ge-
zien zijn leeftijd, naar buiten komen.
Een Duitse soldaat kwam naar boven
om hem te halen. Mijn moeder had
Kees een korte broek aangetrokken;
hij was al niet zo groot, dus zag er vrij
lullig uit voor zijn leeftijd. Zij speelde
de rol van haar leven en overtuigde
met veel emotie de Duitser hem niet
mee te nemen. Maar als het er op aan
zou komen, moesten wij niet zeggen
dat hij bij ons was geweest. De hon-
gerwinter zijn we doorgekomen. Zelfs
mijn opa De Jong at bij ons. Hij had
hongeroedeem. Als je een vinger in
zijn kuit drukte, bleef het kuiltje van je
vinger heel lang er in staan.
Bukshag
De Amerikanen, Canadezen en Engel-
sen begonnen bij Cherbourg op 5 juni
1944 Europa te bevrijden, maar pas
5 mei 1945 waren wij aan de beurt.
Soldaten lagen in Park Rozenburg in
tenten en recreëerden op de IJsclub in
de sportzaal. In die periode ontdekten
wij bukshag. Van de peuken die de
soldaten weggooiden, maakten wij
weer shag. Als een soldaat stond te ro-
ken, bleef je dichtbij. Soms gooiden ze
nogal grote peuken weg. Op een keer
liet een soldaat vlakbij zijn schoen
een peuk vallen. Ik twijfelde, maar
probeerde hem toch te pakken. Gelijk
zette de soldaat zijn schoen op mijn
hand en begon een verhandeling over
hoe slecht het was peuken te rapen. En
ik rookte zelf niet eens. Je kon er aller-
lei ziekten van krijgen die een soldaat
eventueel met zich meedroeg.
Klaas Natte
Van vluchteling tot bukshag
Het is weer de maand mei,
die iedere Rotterdammer
in zijn hoofd heeft geprent,
tenminste als zij van mijn
leeftijd zijn. Ik ben geboren in
1931 en was acht jaar toen
we overvallen werden door de
Duitse overmacht. De ogen en
oren zijn van een jongen van
acht jaar. Ik wil toch wat ik
toen heb gezien en gehoord
aan het papier toevertrouwen.
Dit verhaal, dat op waarheid
is gebaseerd, draag ik al 77
De Oud-Rotterdammer - De krant voor de 50-plusser
Dinsdag 2 mei 2017
pagina 9
Wim,Klaas en Marie Natte als kinderen
De straat het Jaffa nu
1,2,3,4,5,6,7,8 10,11,12,13,14,15,16,17,18,19,...24
Powered by FlippingBook