De Utrechter Week 18 - page 9

Het was een ruim opgezette school.
In het midden was de grote hal, waar
je op de brede ronde trap, wel tien
kinderen per trede kwijt kon. Mijn
moeder en ik zaten beneden in het
kamertje van de hoofdonderwijzer
Merkenstein. Waar ik te horen kreeg,
dat ik de volgende morgen maar direct
op school moest komen. “Je bent door
de oorlog al bijna twee jaar achter
Stephan.” Gatverdamme, dacht ik.
Weg vrijheid!
Filmprojector
Juffrouw Ket was de kleinste en de
kittigste van het onderwijsgevend
personeel. Dan juffrouw Blankenstein,
met uit de oorlog overgehouden hon-
geroedeem en een talent voor voor-
lezen en meneer Smid, in de zomer
altijd met korte broek en de eeuwige
sigaret. Het was een fideel stel, dat
onder aanvoering van hoofdmees-
ter Merkenstein papier inzamelde.
Waarom? Wij gingen ons een 16 mm
filmprojector aanschaffen. We huurden
de films uit Den Haag. En genoten van
de beelden van herrijzend Nederland.
Verliefd
Maar er was meer! Het cabaret ‘De
bonte half uur boot’ onder leiding
van Stephan. Een grote maat trommel
zetten we staand op het toneel, plank
erover en daar vier lege cornedbeef
blikjes op gemonteerd. Een originele
grote bekken en twee plankjes met een
beddenveer ertussen, fungeerde als
drumpedaal. Vrijdagsmiddags traden
wij op met bekende songs, zoals ‘rum
en co-ca-cola.’ ‘de hokie- pokie’ en
andere liedjes. Daar maakten wij onze
teksten op en voor de conference ver-
zamelden we grappen en moppen. Dit
alles begeleid door twee sigarenkistjes
als gitaren, met snarengeluid. Met de
onderwijzers en hun klassen werd het
een bont feest. En werd ik verliefd op
Willie van Dijk. In Wijk C keek ik,
nek verrekkend, naar het bovenhuis,
om een glimp van haar op te vangen.
Telefoon. De meester nam aan.
“Ogenblik”, mompelde hij, keek de
klas in en zei met stemverheffing:
“Ik verwacht, dat jullie je rustig zult
gedragen. Zo niet!” En weg was hij.
“Jongens, wie durft er iets door de
telefoon te roepen?”
Ik stond op en liep traag naar de
tafel, afwachtende stilte in de klas. Ik
pakte de hoorn en riep “HELLO TED.
How Do You Do.” Het luide gelach
verstomde al snel, de meester kwam
eraan. Pakte de hoorn op en prevelde,
“Ja, ja, oh?” en ging verder met de
les. Tijdens de middagpauze kwam
hij naast me lopen. “Stephan, toen ik
daarnet een boodschap ging overbren-
gen heeft er iemand door de telefoon
geroepen: Hello Ted. Weet jij soms
wie dat geweest is.”
Hij weet het! Hij weet het, ik voelde
het. Bekennen! Anders blijft het voor
ons allen eeuwig nablijven. “Ja, dat
ben ik geweest meester.” “Zo, zo, dat
dacht ik al. Juffrouw Ket meende jouw
stem al te herkennen. Maar je hoort
er nog wel van.” Tien staartsommen
kreeg ik. Vreselijk, bij mij kwamen die
rotdingen nooit op nul uit. “Iedereen
een som meenemen, riep ik buiten
naar mijn klasgenoten en morgen
vroeg hier, bij mij inleveren. Kom op
jongens, doe nou niet zo flauw, jullie
hebben er allemaal om gelachen.”
Het lukte. Als een razende schreef ik
ze de volgende morgen vroeg op de
stoep over en leverde ze, toch wel wat
zenuwachtig in. Nagekeken zijn ze
gelukkig nooit. De volgende morgen
zag ik ze in de prullenbak liggen.
Bootje varen
Onze favoriete bezigheid was bootje
varen. Voor aanvang van de school
vertrok er wel één van de lege aardap-
pelschuiten die in de singel lagen.
En voor hij wegvoer, sprongen wij,
zonder opgemerkt te worden door
de schipper, in de achterhangende
roeiboot en voeren een stukje mee
naar de Molenbrug. Daar sprongen we
op de dukdalven en klommen de brug
op. En dan keihard terug rennen voor
de school gesloten was. Tot er één van
ons van de meerpaal bij de molenbrug
afgleed en in het water terechtkwam.
En wij moesten meevaren tot we
voorbij het Academisch Ziekenhuis
eraf konden springen. Veel te laat
voor de school. “Kees Roomenburg
is in de singel gevallen meester. Wij
hebben hem net thuis gebracht”, loog
ik. “Schiet jij maar gauw op met je
verhaaltjes Godijn”, zei meester Mer-
kenstein, staand in de deuropening.
Loop maar gauw door”. Hoi, hoi,
hij gelooft het, geen staartsommen.
H.A.R.K.
Omdat we nog in de naweeën van de
Tweede Wereldoorlog verkeerden, gin-
gen de meesten van ons, in het begin,
nog op klompen naar school. Voor
kleding moesten wij ons vervoegen bij
de H.A.R.K. Van oudsher ‘Bank van
lening’ voor de uit Amerika opgestuur-
de goederen. Zodat ik,
stel je eens voor in die tijd, in 1945-
46 een met lange pijpen, spierwitte,
corduroy broek kreeg. Die kon je echt
niet dragen, zeker niet als elfjarige.
Toen droeg je een korte broek of plus-
four. Die witte broek heeft mijn moe-
der later nog donkerblauw geverfd.
Mijn negenjarige zuster werd verrast
met een jasje met te lange mouwen
en een vreemde lengte. Met de hand
maakte zij er toch een leuk jasje van.
En niet alleen de textiel, maar ook gas,
licht en olie waren schaars. En vaak
nog op de bon.
Petroleum
“Stephan.” “Ja?” Opa heeft het vorige
week aan kapper Agterberg gevraagd,
maar die heeft nog voldoende petro-
leum. Hier heb je de petroliekan. Je
loopt de 1e Daalsedijk af, steekt de
straatweg over en dan loop je zo tegen
zijn winkel aan. Toen ik er aankwam
vond ik de zaak nogal donker en, tot
mijn grote ergernis, bleek de winkel
gesloten. Bellen, nog eens bellen.
Plots zwaaide de deur open. “Ik
kwam petroleum halen”, mijn oliekan
omhoog stekend. “Kom maar binnen,
kun je even hier wachten?”, mom-
pelde het meisje en verdween door
de rijk gedecoreerde glas en looddeur
naar achter. Vreemd, de kapsalon was,
door een gordijn, in tweeën gedeeld?
Ik stond daar in een lege ruimte waar
in de hoek een grote angora kater zat.
Ik griezelde. Maar wat ik mij afvroeg:
wat zit er achter dat gordijn? Ik schoof
het voorzichtig iets opzij, en keek te-
gen een houten wand aan. Schuifelend
naar voren ging ik op mijn tenen staan
en keek in een met stof gedrapeerde
kist naar het spierwitte dode gezicht
van kapper Agterberg. “Hij ligt er
mooi bij he”, fluisterde het meisje, dat
ongemerkt weer naast me was komen
staan. “Ja, heel mooi, zei ik zacht.” En
pakte geschrokken de volle petroleum-
kan van haar over.
Verslag
We kregen een nieuwe knappe
onderwijzeres op school. Maar al
gauw kregen wij in de gaten dat de
hoofdonderwijzer erg veel werk van
haar maakte. Dat zij tijdens de pauzes
zich veelvuldig terugtrokken in het
lerarenkamertje en hun boodschapjes
onderling zich razendsnel vermenig-
vuldigden. Wij wilde het weten en
zien! Daarvoor duwden wij Jan Rense
tijdens de pauze op de hoge venster-
bank van het lerarenkamertje. En hij
gaf verslag: “Ze pakken nu elkaar.
Jaaa! Nu liggen ze op de grond! Hij
ligt op haar!”, en zo ging hij maar
door. Ademloos luisterden we. “Je
kan toch niet door die gordijnen heen
kijken”, riep Wim van Zalm. “Ja, maar
ik moet jullie toch een tevredenstel-
lend verslag geven!” Lachend, maar
ook teleurgesteld lieten we hem op de
hoge vensterbank zitten.
Schoolreisje
Er kwam voor de eerste keer na de
oorlog een schoolreisje. Ik geloof
dat we er gedeeltelijk voor gespaard
hadden. Met de vijfde en zesde klas
gingen we, met meester Merken-
stein en de nieuwe juffrouw Corrie,
met de trein naar IJmuiden. Toen
we aankwamen kregen wij, tot onze
verbazing, van meester Merkenstein
een verpakte grote blauwe pruim. Een
beetje onwennig en verbaasd keken
wij elkaar aan. Verlegen pakte ieder er
één van de fruitkar. Zoiets waren we
niet gewend.
Er werd een sleepbootje met kajuit
gehuurd en daar voeren we met grote
snelheid de zee mee op. Waardoor
golven water over de punt van de boot
rolden over het voordek. We zaten dan
ook al snel met een man of vijf onder
een groot blauw zeil en keken naar de
golven beneden ons en riepen: “Daar
komt er weer een!” En doken dan weg
onder het zeil, zodat de golf over ons
heen sloeg. Doordat sommigen van
ons terug naar de kajuit gingen, vloog
het zeil omhoog. Ik sprong er bovenop
voordat het de zee in waaide. Op
hetzelfde moment sloeg er een tweede
golf over de punt heen zodat we ons
vlug vastklampten om niet over het
dek te spoelen. Drijfnat vluchtten we
terug naar de kajuit. “Zo Stephan,
moest je toch weer zwemmen?” “Ja
meester”, kuchte ik, “ik kon het niet
laten.”
Stephan Godijn
030-8785912
Hoe na de oorlog de school weer begon
Na veel rondzwervingen in de laatste oorlogsjaren was ik, met
mijn moeder en zuster, bij mijn opa en oma terecht gekomen.
Het was 1945 en ik was 11 jaar oud. Zo’n twee jaar was ik niet
naar school geweest. Op aanraden van mijn tante Mien bezoch-
ten wij, aan de Weerdsingel W.Z. de Casimierschool.
De Oud-Utrechter - Dé gratis krant voor de echte Utrechter
Dinsdag 2 mei 2017
pagina 9
Meester Smit,vijfde klas,1946,voor het derde raam van links staat Stephan Godijn (de schrijver)
Doortje (september 1946).De lange jas van
de HARK,zelf afgeknipt en omgezoomd en
van de rest manchetten gemaakt.
Het schoolgebouw
1,2,3,4,5,6,7,8 10,11,12,13,14,15,16
Powered by FlippingBook