De Utrechter Week 36 - page 9

Dat jaar liepen we het Spanje-
virus op. Tien jaar later richtte ik een
Bedfordbusje in als camper: Spanje
bleef trekken en weer tien jaar later,
huiswaarts op weg van Merida,
het zuidelijkste punt dat we met de
Bedford ooit bereikten, stonden we
zoals vaak weer aan een verkoeling
brengend stuwmeer onder de bomen.
Na het zwemmen zaten we rustig om
ons heen te kijken en zagen in de verte
aan de overkant van een grote inham
een heuvel met daarop iets dat op een
kasteel leek.
Dorpje aan overkant
‘s Avonds twinkelde zelfs straat’ver-
lichting’ vanuit die richting en we be-
sloten de volgende morgen maar eens
te gaan kijken wat daar nou eigenlijk
te zien was. We hadden al meer stadjes
en dorpen gezien met een middel-
eeuws aanzien, maar dit sloeg alles.
Oude woningen, ingezakte huizen,
maar ook nog prachtige authentieke
oude huizen waar niets aan verprutst
was. Want ook in Spanje werd veel
vernieuwd, zeg maar vernield. Hier
niet, hier ging alleen de tijd voorbij en
dat was het dorp aan te zien.
Ergens voor een huis zaten drie oude
vrouwtjes (wij zijn nu al ouder) te
kwebbelen en mijn vrouw, die inmid-
dels al lerares Spaans geworden was,
vroeg wat er gaande was in dit dorp.
“Este pueblo se finalisarse” was het
antwoord (dit dorp loopt naar zijn
einde). Wij konden het niet geloven;
zo’n mooi dorp dat nauwelijks nog
bewoond leek. Of we in de Middel-
eeuwen terecht waren gekomen. Door
je oogharen zag je de Romeinen bijna
nog lopen op de weg van het kasteel
het dorp in.
Leegstaand
We zagen ook prachtige leegstaande
woningen. Van een van die wonin-
gen, met het jaartal 1763 uitgehakt
boven een klein raampje, waren we
helemaal weg. We gluurden door de
spleten van de ramen en deuren naar
binnen: helemaal leeg! Maar goed
we moesten die dag nog verder, want
een Bedfordje neemt zijn tijd. Een
uur later zaten we even op een terras
in Salamanca met een ijsje. Moest ik
eigenlijk geen schetsboek gaan kopen
en teruggaan? Wat kon je van dat dorp
wel niet maken? We hadden al vaker
leegstaande dorpen gezien, maar dit
mocht toch ook niet zo eindigen? ‘s
Avonds aan weer een ander stuwmeer
bleef het maar door mijn hoofd spoken
en ik begon van alles op te schrijven.
We spraken dan maar met onszelf af
volgend jaar direct naar dat dorp terug
te gaan en daar vakantie te houden en
maar zien wat ervan kon komen. Zo’n
leegstaand huis moest toch van ie-
mand zijn? En die wilde het misschien
wel verkopen?
Het jaar daarna
Zo reden we een jaar later diezelfde
route terug. Vijf dagen zouden we er
over doen in ons vakantietempo. Om
in stijl te blijven, gingen we weer aan
het meer staan vanwaar we vorig jaar
het dorp ‘ontdekt’ hadden om de vol-
gende ochtend er naartoe te gaan.
Zo stonden we opnieuw op dezelfde
plek waar de dames van vorig jaar
weer op de stoep zaten. Beleefdheids-
halve vroegen we of het toegestaan
was in het dorp te gaan staan met
ons busje: het was iedereen vrij in
het dorp te gaan en te staan was het
antwoord. Zo kozen we voor een plek
in de schaduw van het kasteel om de
brandende zon te slim af te zijn, dat
hadden we wel geleerd in die Spaanse
jaren. Om drie uur was het zaak te
verkassen naar de boom die er stond,
want de zon kwam dan om de hoek.
Van een afstand konden we ‘het’ huis
zien staan.
Stuwmeer
We hadden inmiddels al begrepen
waarom dat dorp zo leeg was: het was
onteigend vanwege de aanleg van het
stuwmeer. Dat begrepen we nog niet
helemaal, want het water stond nooit
hoger dan 15 meter onder het dorp...
Het bleek echter dat de economische
grondslag onder het dorp was wegge-
vallen. Het was een landbouwdorp en
hun bouwland lag nu onder het stuw-
meer en aan de overkant en dat was nu
vijftien kilometer (om)rijden. Boven-
dien had de regering (Franco) besloten
dat er beneden de stuw nieuwe dorpen
bevolkt moesten worden om daar meer
intensief landbouw te gaan bedrijven.
Authentiek
Een aantal veertigers bleef evenwel
gewoon in het dorp wonen in hun ont-
eigende huizen, en omdat ze niet van
plan waren veel geld uit te geven aan
het onderhoud van de huizen die toch
niet van hun waren, bleef het dorp zijn
oude uiterlijk grotendeels behouden.
Zodoende bleef die authentieke sfeer
dus in het dorp hangen, in andere
dorpen in de omgeving werden de
witkwast en de aluminium ramen en
deuren niet geschuwd.
De dorpsbewoners
In grote lijnen zagen we twee leef-
tijdscategorieën: ouderen en jongeren
(kleinkinderen) en die laatste groep
kwamen al gauw nieuwsgierig naar
dat rode busje kijken en babbelen.
Vriendelijk als we waren, hadden we
ook wel iets te snoepen bij ons en
werd het al gauw gezellig druk om
ons heen. Ze kletsten honderduit met
mijn vrouw en zo hoorden we van al-
les over het dorp en hun grootouders.
Het was eenvoudig, in Spanje werken
man en vrouw beiden en aangezien de
zomervakanties zeer lang zijn, gaan
de kinderen dan naar opa en oma.
Als ze lang wegbleven kwam wel
eens een ongeruste ouder om de hoek
kijken wat ze allemaal bij ons deden
en zo ontstonden de contacten met de
(groot)ouders.
De burgemeester
Een al wat oudere man met een oude
auto kwam ook eens langs: hij was de
burgemeester. Of het niet erg warm
was in dat busje: nou, dat ging wel.
Maar we konden wat hem betreft
anders wel in dat huis gaan slapen.
Hij bevestigde nogmaals het verhaal
van de onteigende woningen, hij bleek
zelf eigenaar te zijn van de voormalige
pastorie, er was nog wel een kerk waar
zondags de H.Mis werd opgedragen,
maar de pastoor woonde hier niet
meer, die kwam met de auto langs.
Daar waren we inmiddels zelf ook
achter gekomen, want op de eerste
zondag dat we er waren hadden we
wel een klok horen luiden, maar waar
dat vandaan kwam, geen idee. Totdat
de kindertjes in hun zondagse kleding
bij ons kwamen vragen waarom we
niet naar de kerk waren gekomen. De
week daarna gingen we dus met onze
netste kleren aan naar de kerk (Dat
was al lang geleden!).
Door het bezoek aan de kerk hadden
de dorpsbewoners ons nu allemaal
gezien. Ze vroegen zich wel af
waarom wij dit nu zo’n bijzonder dorp
vonden, het was maar gewoon een
oud dorp. Het kasteel was al een ruïne
toen hun overgrootvader nog leefde,
verder ging het verleden niet. Totdat
iemand met een krantenartikel op de
proppen kwam van een historiscus uit
de buurt (beroepshalve tandarts) die
een heel artikel geschreven had over
de geschiedenis van het dorp. Zo werd
bevestigd wat een bijzonder dorp het
was; sterker nog, het was geen dorp,
maar een stad, een “Villa”: Salvati-
erra de Tormes. De hoofdstad van de
regio dus. Vandaar dat aantal grote
voorname huizen, een stadhuis, een
kazerne, de woning van de corregidor
(landrechter) rondom de Plaza waar
‘ons’ huis met de gesloten noordgevel
naar toe lag.
‘Ons’ huis?
Na nogmaals door de burgemeester
te zijn uitgenodigd maar in dat lege
huis te gaan slapen, kregen we zelfs de
sleutel van de door de braamstruiken
onbereikbare voordeur, die we nu
vanaf de binnenkant konden bereiken.
Na de uitnodiging “spijker het maar
dicht, dan kunnen jullie nog eens
terug komen” gingen we op zoek in
het stadje vlakbij naar wat timmer-
gereedschap en hout. Zo bleken de
timmerlessen van de HTS nog eens
echt van pas te komen. Achtereenvol-
gens kwam er een nieuwe poort, een
nieuwe achterdeur, de voordeur werd
gerepareerd en een ontbrekend deel
van een achtergevel werd dichtgezet
met planken, zodat het meeste regen-
water min of meer buiten bleef.
Iedere middag na de siësta gingen de
wandelingen in de richting van die
Hollandse ‘timmerman’, zo gebeurde
er opeens van alles in het dorp. De
varkentjes liepen ‘s middags ook ge-
woon door het dorp en als je de poort
niet dicht hield, stonden ze zo binnen!
Weer naar huis
Onderweg hebben we in een telefoon-
boek nog het adres opgezocht van
de voor het dorp verantwoordelijke
overheidsinstantie. We wilden ze
vragen of wij het huis niet konden
kopen met de voorwaarde het in de
oude staat te behouden. Nou, dat viel
niet mee: er kwam nooit antwoord op
die brief. Maar ze wisten nu wel dat
wij er ingetrokken waren. Het woord
‘kraken’ bestond niet in ons dorp, we
waren er immers op verzoek van de
burgemeester ingetrokken!
Een kwart eeuw verder
De huidige burgemeester, schoonzoon
van onze inmiddels overleden buurtjes
en eigenlijk een vriend geworden na
al die jaren, belde ons op in 2015 dat
alle huizen in het dorp verkocht gaan
worden aan de gebruikers van die
huizen. We moesten dan wel aantonen
al die jaren voor het huis gezorgd te
hebben, alles betaald te hebben met de
bewijzen daarvan. Dat werd dus een
lijvig boekwerkje dat we ingeleverd
hebben. Deze zomer gaan we onze
handtekening zetten en is het formeel
‘ons’ huis geworden. Wie had dat ooit
kunnen denken. De drie vrouwtjes
zijn inmiddels al erg oud, maar ze zijn
er nog en ze weten het nog net: “Este
pueblo se finalisarse” het is alleen
niet doorgegaan, we zijn allemaal
gebleven.
Theo de Ruiter
Bijzonder huis in bijzonder Spaans dorp
Ik was met mijn muziekvrienden in 1963 al eens in Spanje ge-
weest en in 1968 gingen we diezelfde reis in een nieuwe Austin
Seven ‘over doen’. Nu met zijn vieren, want er waren inmiddels al
twee kleine mannetjes bij gekomen.
De Oud-Utrechter - Dé gratis krant voor de echte Utrechter
Dinsdag 5 september 2017
pagina 9
Bar Catalina
Uitzicht vanaf Aldeavieja
1,2,3,4,5,6,7,8 10,11,12,13,14,15,16
Powered by FlippingBook