De Utrechter Week 40 - page 3

(Vervolg van voorpagina)
Tegenwoordig koop je de breiwol
gebruiksklaar op een bol. Maar toen ik
jong was, werd de wol aangeboden in
een ‘knot’, dat was een streng wol, die
op vernuftige wijze in elkaar gedraaid
was. Er zat een papieren wikkel
omheen, waarop je iets kon lezen over
de kleur, de dikte en de samenstelling.
Om van die ‘knot’ een bol te maken,
had mijn moeder mijn hulp nodig. Het
papier werd eraf gescheurd en met
een geroutineerde beweging van haar
pols schudde ze de knot uit elkaar. Nu
was ik nodig! Ik stak mijn onwillige
handen uit en mijn moeder legde de
dradenmassa om mijn polsen. Al snel
had ze het begin van de draad gevon-
den en begon te winden. Ik moest
mijn hoofd er goed bijhouden, want
als je de wol te strak tussen je armen
spande liep de draad vast, maar als je
de boel te slap liet hangen, liep je het
risico, dat de streng, of een gedeelte
ervan, van je handen gleed. Dan raakte
de boel in de war en moest je moeder
gaan ‘doorsteken’. Dat kostte extra
veel tijd en daarom deinde je
zo’n beetje heen en weer en met
een snelle beweging van je hand
liet je de draad glippen, om met-
een je handen weer te spreiden
teneinde niet alles te laten gaan.
Als er niemand beschikbaar
was om ‘op te houden’, behielp
mijn moeder zich met de stoel-
leuning, maar dat voldeed toch
niet echt.
Vies goedje
Soms kwam er visite langs
(meestal familie), maar voor
de rest zat het gezin de hele
avond gezellig bij elkaar. In
de loop van de avond ging
de kolenkachel langzaam ‘op
klein’. Als je dan in je slaap-
kamer kwam, voelde het ijzig
koud aan en op het enkele glas van de
ramen stonden vaak ijsbloemen. Maar
vlak voor het naar bed gaan, moest er
natuurlijk (als de R in de maand was)
eerst een lepel levertraan naar binnen
gewerkt worden. Levertraan is een
dikke, stroperige en vette vloeistof,
die gewonnen wordt uit de lever van
kabeljauw en haai (niet uit de walvis,
zoals toen vaak beweerd werd) en
vreselijk vies smaakte. Het had een
gelige kleur en was rijk aan vitamine
A en D. Moeders zwoeren bij dit
goedje. Nadat je de levertraan met
veel moeite had doorgeslikt, kreeg je
soms een schepje suiker om de vieze
smaak weg te spoelen. En daarna maar
proberen, ondanks het ijskoude bed, in
slaap te vallen.
Roken
De kolenhaard was de koning in de
woonkamer. Het was rond die haard
gezelligheid troef. De breipennen van
moeder tikten tegen elkaar en vader
stak een pijp op, want op het koperen
plaatje van het pijpenrekje aan de
muur stond: ‘Tevreden zijn en lang te
leven, is wat ‘pijpke u kan geven’, of
‘Een tevreden roker is geen onrust-
stoker’.
Tot in de jaren ‘70 was roken heel
gewoon en algemeen. Bij verjaardagen
stonden de sigaren en sigaretten in
glaasjes voor de gasten op tafel. Ieder
kon zoveel pakken als hij of zij wilde.
Op het smyrna tafelkleed kon je - om
met Toon Hermans te spreken- precies
zien waar de asbak moest staan. Naast
de ‘luie stoel’ van vader stond een
rookstandaard. Zo’n standaard had
een zware ronde bol aan de onderkant,
waardoor hij niet kon omvallen. Als
kind kon je je heel goed vermaken
door keer op keer de draaiknop in te
drukken, zodat het gedeelte, waar je de
sigaret op uitdrukte, rond draaide. Dat
gaf een leuk geluidje en de sigaren- en
sigarettenstank kwam je dan tegemoet.
In sommige kamers stond zelfs een
speciaal rooktafeltje met bekertjes
voor sigaren en sigaretten, een tabaks-
pot voor de pijproker, een soort schaal
om de warme pijp op te leggen en een
luciferdooshouder. Ook had vader in
zijn binnenzak vaak een sigarettenko-
ker (een favoriet cadeau voor Vader-
dag), waarin sigaretten gestoken zaten.
Die sigaretten waren uit een pakje
gehaald en konden dan tijdens een
gesprek of bijeenkomst aan anderen
gepresenteerd worden. Bekende siga-
rettenmerken uit die tijd waren: Chief
Whip (‘Een Chief Whip op ieders
lip’), Miss Blanche, Golden Fiction,
Lexington (‘Oost-west-Lexi- best’),
Pall Mall, Bond Street en Old Mac
(‘Altijd trek in Old Mac’). Pruimtabak
werd in de tweede helft van de vorige
eeuw steeds minder verkocht. Dat
gold aan het eind van die eeuw ook
voor pijptabak. Sigaren zaten meestal
in een kartonnen doos of een houten
kistje. Bekende sigarenmerken uit die
tijd waren: Karel I (‘er is maar één
Karel I’), Ritmeester, Hofnar (‘Nooit
fijner gerookt’), Elisabeth Bas, Schim-
melpenninck, Justus van Maurik en
natuurlijk Willem II. De dikke sigaren
werden bolknakkers genoemd. Na het
uit de doos halen werd met de zilveren
guillotine in zakformaat het puntje
eraf geknipt en uiteindelijk werd met
een langwerpige metalen ‘benzine-
aansteker’ de sigaar aangestoken. Na
enkele trekjes draaide mijn vader dan
tevreden de punt van de sigaar naar
zich toe om even te controleren of de
sigaar mooi gelijkmatig brandde.
Wout van Kouwen
Gezellig bij elkaar rond de kolenhaard
De Oud-Utrechter - Dé gratis krant voor de echte Utrechter
Dinsdag 3 oktober 2017
pagina 3
De ongewone stervelingen, die paleizen
bewonen en binnen wèl de ruimte voor
volwassen eiken hebben, laten jaarlijks
de kans voorbij gaan een nieuwe trend
te zetten op het gebied van binnen-
bomen met kerstmis. Dit is geen rancu-
neuze kritiek op paleisbewoners, maar
een onweerlegbare constatering.
Na de laatste punt die ik typte, bracht
mijn kleinzoon me een pannenkoek
met Maple Syrup. Dat is stroop die
afgetapt wordt van een boom die
in goed Nederlands esdoorn heet,
waardoor die stroop bij ons logischer-
wijs Esdoorn Stroop heet. Of minder
logisch Ahorn stroop. Of op zijn Engels
Maple Syrup. Omdat die stroopboom
niet gul is met het loslaten van zijn
stroop, is het behalve erg lekker ook
erg duur; zo’n 25 euro per liter. Zoals
bij ons de tulp de bloem des vaderlands
is, zo is in Canada dat boomblad het
nationale symbool. Het blad staat zelfs
afgebeeld op de Canadese vlag. Er
bestaan - heb ik even voor u nagezocht
- zeker 120 soorten esdoorns en je kunt
erover twisten welke de mooiste is. De
mooiste bossen ervan staan onbetwist
in Noord-Amerika en Canada. Stel je
even voor dat in die twee landen alle
esdoorns door een geniepige ziekte bin-
nen tien jaar de pijp uitgingen? Dat zou
rampzalig zijn voor de schoonheid van
die gebieden. In Utrecht gaan binnen
tien jaar 99 procent van alle iepen dood
en daar staat heel Utrecht barstensvol
mee. De iep is net zo beeldbepalend
voor Utrecht als de esdoorn dat voor
Canada is. In onze stad staan er 20.000
en ze worden ook wel olmen genoemd.
Ze zijn muzikaal onsterfelijk gewor-
den door een lied waarin vastgesteld
wordt dat uilen graag in olmen zitten
bij het vallen van de nacht. Ik geloof
het graag. Wat ik volstrekt zeker weet,
is dat over tien jaar een kwart van
alle Utrechtse bomen dood zal zijn.
Er zal een kaalslag plaatsvinden in
onze parken, lanen en straten en wat
zullen de gevolgen voor de stadse
luchtkwaliteit zijn? Het spreekt vanzelf
dat onze gemeenteraad direct een
onafhankelijke onderzoekscommissie
esdoornproblematiek in het leven riep.
Na veel declarabele overleguren zal die
denktank vaststellen dat het probleem
groot is en dat er een plan van aanpak
moet komen. Over die aanpak kun je
net zo goed per direct een boom opzet-
ten met alle geïnteresseerde stadsbe-
woners. Ik zou graag de kokospalmen,
die graag op Utrechtse grond willen
groeien, geplant zien worden. Op plek-
ken waaronder auto’s niet parkeren. En
appelbomen, walnootbomen en andere
fraaie loofbomen waar Utrechters de
vruchten van kunnen plukken.
Wanneer komen de houthakkers?
Mijn lievelingsboom is de kerstboom. Het is - op een verdwaald
bonsai boompje na - de enige boom die een paar weken per jaar
een ereplaats in miljoenen huiskamers krijgt. Ook bij mij. Diep in
mijn hart vind ik eikenbomen fraaier, maar dat ik met kerst geen
eik in de woonkamer plaats, heeft te maken met traditie; we
zingen nou eenmaal dat de kaarsen van de dennenboom wonder-
schoon schijn en niet over die van de eik, hoewel die prachtboom
zelfs van nature kaarsen heeft. Daarbij komt dat een eik pas echt
mooi wordt bij een formaat dat niet in de woonkamers van ge-
wone stervelingen past.
HWtje
HWtje
Een populaire kolenkachel
Even handen warmen bij de kolenkachel
1,2 4,5,6,7,8,9,10,11,12,13,...16
Powered by FlippingBook