De Utrechter Week 46 - page 9

Er was geen lift in het gebouw; je
moest dus trappen lopen. Dat was
heel vervelend, vooral als je beneden
was en je had iets vergeten. We had-
den nu helaas geen tuin meer, maar
wel twee balkons; eentje aan de
voorkant en één aan de achterkant.
Het nieuwe appartement had enkele
grote voordelen ten opzichte van
onze vorige woning. Zo beschikte de
huiskamer over aardgasverwarming
(geen kolen meer nodig) en er was
een badkamer met zitbad en douche
aanwezig. Het uitzicht aan de voor-
kant was enorm fraai. We keken uit
op de Vecht en de daarachter gelegen
weilanden met bosschages. Tussen
onze flat en de Vecht was een gras-
veld aangelegd en een wandelpad
evenwijdig aan de rivier. Gedurende
de strenge winter van 1962-1963
bevroor het Vechtse water en kon
je er heel fijn op schaatsen. Het
uitzicht aan de achterzijde was ook
niet onaardig: een groot grasveld en
wat lagere huizen daarachter; je kon
best ver weg kijken. Beneden in het
flatgebouw beschikten we over een
schuur. Mijn vader repareerde daar
onze fietsen en solexen. Hij leerde
me hoe een band geplakt moest wor-
den, maar meestal stond ik erbij en
keek hoe hij dat vlot voor me deed.
Buren
Het fietsenhok grensde aan het
portiek met daarin de brievenbussen
van de zes families, die er woonden.
Naast ons, op de hoogste verdieping,
woonde de familie Woudenberg.
Onze voordeuren lagen tegenover
elkaar. De heer (Gerrit) en mevrouw
(Annuska) Woudenberg waren een
jaar of veertig en hadden geen kin-
deren. Hij was een vrolijke, joviale
kerel en zij een zeer zachtaardige,
lieve Hongaarse vrouw. Ze hadden
een hondje van het ras vuilnisbak,
Pukkie genaamd, waarmee ik het
heel goed kon vinden. Hij kwispelde
altijd zo vrolijk met zijn staartje
wanneer hij me zag. Omdat ze geen
kinderen had, was Pukkie alles voor
mevrouw Woudenberg en omdat ik
haar hondje zo lief vond, stond ik bij
haar op de tweede plaats. Ze vond
het fijn wanneer ik bij haar aanbelde
om met Pukkie te spelen. Ze knuf-
felde mij en verwende me dan met
allerlei lekkere dingen. Wanneer haar
man thuis was, liet ze hem kroketten
halen bij een snackbar in de buurt,
waarna we die samen genoeglijk
opaten.
Aquarium
Tijdens een vakantie zorgde
buurvrouw Woudenberg voor mijn
goudvis, die ik al acht jaar in een
glazen kom liet rondzwemmen en
waaraan ik zeer gehecht was geraakt.
Ze had medelijden gekregen met
de goudvis, die zo eenzaam in zijn
kommetje rondjes draaide en had
het beestje daarom verplaatst naar
haar eigen aquarium, dat een stuk
of vijf goudvissen bevatte. Dit
bezorgde mijn arme goudvis de
schrik van zijn (of haar) leven. Hij
werd geconfronteerd met vijandige
soortgenoten, die hem het visvoer
niet gunden. De volgende dag trof de
buurvrouw mijn goudvis dood aan in
haar aquarium. Wat zal ze geschrok-
ken zijn: ze had de goudvis van haar
geliefde buurjongen vermoord! Bij
mijn thuiskomst overhandigde ze me
mijn goudvissenkom. Er zwom een
oranje vis in. Het was één van haar
goudvissen. Ik zag onmiddellijk dat
het niet mijn goudvis was en keek
haar vragend aan. “Sorry, Robbie”,
zei ze met haar heldere Hongaarse
stem. “Je goudvis kon helaas niet
tegen een beetje gezelschap. Daarom
mag je nu één van mijn goudvissen
hebben, als je dat wilt.”
“Dank u wel; mijn goudvis was al
acht jaar oud en zou waarschijnlijk
toch niet veel langer meer hebben
geleefd”, loog ik, want ze kunnen
meer dan 20 jaar oud worden.
Ze glimlachte naar me en sprak:
“Fijn dat je er zo over denkt, jongen.
Het lucht me enorm op. Ik was bang
dat je boos op me zou worden.”
Ik gaf de kom aan mijn moeder,
stapte vervolgens op mijn buurvrouw
af en omhelsde haar. “Natuurlijk
niet, buurvrouw; op u zal ik nooit
boos kunnen worden.” Er liep een
traan uit haar rechter ooghoek.
Buurtjongens
Op het grasveld voor onze flat
voetbalde in 1960 vrijwel elke dag
een stel jongens van mijn leeftijd. Ik
had natuurlijk aan ze kunnen vragen
of ik mocht meedoen, maar dat deed
ik niet. Het leek me leuker ze uit te
nodigen te voetballen tegen mij en
mijn vriendjes uit mijn oude wijk
Mariëndaal. Dat wilden ze wel. We
spraken af op een woensdagmid-
dag tegen elkaar aan te treden op
neutraal terrein, dus niet op ‘hun’ of
‘ons’ grasveld, maar op een plein aan
de Queekhovenlaan. Ik trommelde
mijn oude voetbalkameraden op.
Die wilden me wat graag helpen bij
het leren kennen van mijn nieuwe
wijkgenoten. Ik heb ze zeker leren
kennen, maar helaas in ongun-
stige zin. De wedstrijd werd een
schoppartij. Geen van beide teams
wilde verliezen en er werd constant
ruzie gemaakt over zogenaamde
handsballen, te nemen ‘free kicks’ en
gemaakte doelpunten. De wedstrijd
eindigde met een enorme vechtpartij,
waarbij mijn nieuwe wijkgenoten
door gebrek aan stootkracht moesten
afdruipen. Door dit voorval heb ik
nooit vrienden gehad in de omgeving
van het Vechtplantsoen. Eigenlijk
vond ik het niet zo erg, want ik had
daar weinig tijd voor door mijn
huiswerk van de middelbare school
en de tijd, die ik aan volleybal en
alles wat daarbij hoorde besteedde
(zie De Oud-Utrechter van 15
november 2016). Verrassend was dat
de buurtjongens nooit op wraak zijn
uitgeweest. Dat waardeer ik zeer. Ze
groetten me echter nooit. Zouden ze
bang zijn geweest dat ik dan mijn
vrienden weer zou mobiliseren?
Tot halverwege 1968 woonden we
aan het Vechtplantsoen. Daarna
verhuisden we naar de Japuradreef
180 in de steeds groter wordende
Utrechtse wijk Overvecht. Ik zou er
drie jaar wonen.
Een dode goudvis aan de Vecht
In De Oud-Utrechter van 19 september 2017 beschreef ik mijn
belevenissen in de jaren vijftig in de Adriaan Mulderstraat. In
de zomer van 1960 verhuisden we naar het iets noordelijker
in Utrecht gelegen Vechtplantsoen (nummer 222). We kwa-
men terecht in een vier verdiepingen hoog flatgebouw en wel
in een appartement op de hoogste verdieping.
De Oud-Utrechter - Dé gratis krant voor de echte Utrechter
Dinsdag 14 november 2017
pagina 9
Uitzicht vanuit ons appartement aan het Vechtplantsoen in 1961
Schaatsen op de Vecht in 1963
Nora was met haar 78 jaar de
oudste van ons reisgezelschap
op een Grieks eiland. Ze wan-
delde vaak, genoot van de zon
en maakte makkelijk contact.
Elke dag zwom ze poedelnaakt
in de nog koude zee. “Ik heb
niks te verbergen!”, riep ze
vrolijk bij het uitkleden, onder
toeziend oog van een paar
Griekse vissers.
Nora had bepaald geen saai leven achter
de rug. Haar moeder stierf jong, haar
vader trouwde vier keer. Haar man nam
de benen en liet haar achter met hun
vier jaar oude dochter. Nooit zou ze
meer trouwen, “Maar”, lachte ze, “lo-
vers genoeg hoor!” Ze werkte jaren als
verkoopster bij de parfumafdeling van
een warenhuis. Ook prees ze nieuwe
producten aan in de supermarkt: “Ik
was een van de eersten in ons land die
een kiwi at!”
Nora is zo’n type dat niet gauw met
spijt of wrok terug kijkt op haar ener-
verende leven. Ze geniet zolang ze kan,
beseffend dat zij qua gezondheid en
energie momenteel beter af is dan leef-
tijdgenoten. “En ik heb toch behoorlijk
gefeest, gerookt en gezopen!”, zei ze
droogjes.
De manier waarop deze dame in het le-
ven stond, hield me ook na de vakantie
nog bezig. Ondanks het vorderen der
jaren, zijn de meeste senioren net als
Nora behoorlijk vitaal en positief. Die
mensen hoeven zich in Utrecht niet te
vervelen. Maar ook voor degenen met
wie het minder gaat, is veel mogelijk.
Daar moet je dan wel op af kunnen
stappen of naar durven vragen. “Niets
gaat vanzelf!”, zeggen veel senioren die
ik spreek.
Uit de Utrechtse Volksgezondheids-
monitor blijkt dat 60 procent van de
senioren genoeg energie zegt te hebben
voor het leven van alledag, ook al erva-
ren de meeste 65-plussers beperkingen
door ziekte of aandoeningen. Vooral
met mannen, de 65- tot 79-jarigen en
de hoger opgeleiden gaat het best goed.
Anderen hebben het blijkbaar moeilij-
ker. Toch is het volgens deskundigen
belangrijk zo lang mogelijk actief en
betrokken te blijven. Hoe?
Wie een computer heeft of daar hulp
bij vraagt, kan eens kijken op www.
jekuntmeer.nl of zoeken via
nl. Of bekijk de papieren Plusgids, die
op allerlei openbare locaties in de stad
ligt. En in de meeste wijken zijn er
SAMEN-netwerken (
-
destad.nl), die bewoners met elkaar in
contact brengen en het mogelijk maken
iets te doen met of voor elkaar.
Tenslotte een paar tips om gezonder
oud te worden: bewegen, vitamine D,
sociale contacten en vooral: lachen. Net
als Nora.
Flatgebouwen aan het Vechtplantsoen bij de Vecht,1959 (foto: Het Utrechts Archief)
Energiek oud
Gezicht op flats aan de Vecht,1964
1,2,3,4,5,6,7,8 10,11,12,13,14,15,16
Powered by FlippingBook