Het Witte Dorp

14 juli 2015, door Fred Wallast
Het Witte Dorp met links de Schiedamseweg Beneden en rechts de Franselaan.

Het Witte Dorp met links de Schiedamseweg Beneden en rechts de Franselaan.

Ik ben in 1946 in het Witte Dorp geboren. Mijn broer ging mij voor in 1943. Mijn ouders waren er in 1942 komen wonen, in de Karveelstraat. Mijn grootouders woonden aan de Aakstraat en ooms en tantes woonden ook in het dorp, zoals dat bij meer families het geval was.

Je kon toen nog veilig buiten spelen, zonder gehinderd te worden door het verkeer. Ik heb er leren fietsen op huurfietsjes, die je in het dorp kon huren voor 35 cent per uur; voor een eigen fiets was in die tijd geen geld. Knikkeren, tollen, bussietrap en verstoppertje waren onze bezigheden. Ook kon je op het landje aan de andere kant van de Franselaan fikkie stoken en je eigen aardappels poffen, ruimte was er volop. Schaatsen kon je op de plassen, in wat nu de Spaanse Polder is. Daarvoor moest je de spoorlijn over. Er waren alleen klaphekjes en dan moest je over de rails heen, natuurlijk eerst even kijken of er geen trein aankwam. Aan de Laanslootseweg was de speeltuin en via de ‘hol’ kwam je in Spangen terecht; in de Bilderdijkstraat, waar mijn school was. Bovenop reed de stoomtrein, die de wagons naar de Vierhavenstraat bracht waar een groot overslag terrein was; dat gebied waar nu die koopmuur staat.

In het dorp zaten op het pleintje kruidenier Van Maanen, melkboer Huut en groenteboer Littel. Bij Van Maanen kon je de boodschappen zo meenemen; de kosten werden opgeschreven en mijn moeder betaalde regelmatig de openstaande rekening. Met de kerst kon je daar ook bestelde ijstaarten afhalen, omdat nog niemand een vriezer had.

Om wat bij te verdienen gingen we vaak mensen helpen hun handwagen of kerrie de hol op te duwen; van de Franselaan naar de Rotterdamsedijk. Dan kreeg je een stuiver of een dubbeltje. In die tijd waren er veel ambulante verkopers, die hun handel direct van hun kar verkochten en luid roepend door de straten gingen. Voor 5 cent konden we een ijsje kopen bij Bernard de ijsboer, die geregeld door de straten kwam. Ook was er de schillenboer met paard en wagen, waarvan het paard altijd bij ons voor de deur stond te pissen, mijn moeder heeft daar heel wat woorden over gehad met de schillenboer, die overigens nog is omgekomen doordat hij onder zijn eigen wagen kwam.

Nog even iets over het huisje. Het was niet groot, vochtig en tochtig. In het begin gingen we in de teil in de keuken, het water werd gekookt, omdat er nog geen geiser was. Het water liep dan van de muren. Later heeft mijn vader in het halletje naar de ‘tuin’ een douche gemaakt met een gordijn. Boven sliep ik samen met mijn broer op een kamer en mijn ouders sliepen aan de andere kant van de planken afscheiding. Op de overloop, bovenaan de trap, was het kolenhok, waar voor het stookseizoen de kolenboer de kolen kwam storten. Mijn moeder had dan veel werk om alles weer stofvrij te maken. In de kamer stond een kolenkachel met een schoorsteenmantel, een kleed en daarop koperen dieren, zoals dat hoorde. Ik heb er met mijn ouders gewoond tot 1959, toen zijn we naar Overschie verhuisd.

Nard Dijksma


Dé gratis krant voor
de vijftigplusser!

Advertenties
Het Welzijnswarenhuis