Oorlog op de ’s Gravenweg

6 april 2016, door Fred Wallast

Mijn oorlogsherinneringen gaan tot aan het bombardement op 16 mei 1940. Ik moet toen 4,5 jaar geweest zijn. Ons woonadres was op de tuinderij van mijn grootvader aan de ’s-Gravenweg, ongeveer 3 kilometer, ten oosten  van de stad. In het volgende, lange, verhaal mijn herinneringen.

Ik weet nog van rook en vuur en een vluchtende mensenstroom (richting Capelle – Nieuwerkerk /IJssel). Onze woonkamer zat vol jammerende mensen (zo kwam het tenminste bij mij, als jong kind, over). Kennelijk bestaande uit familie en kennissen uit de stad, want ik kon me later ongeveer herinneren wie er waren! Ook kan ik me herinneren dat pa en andere familie bezig waren een soort kelder te graven voorop de tuin en …dat er een granaat (bomscherf) vlak langs zijn hoofd vloog.
Dan houden mijn herinneringen even op, kennelijk totdat het ‘normale’ leven weer de overhand nam. De groenteteelt ging gewoon door, van voorjaar tot winter, want er was alleen maar koude grond en wat plat glas en een klein kastje. Alles zonder verwarming. We hadden toen nog strenge winters. Ik weet nog dat de Hollandse IJssel tussen Capelle en Krimpen aan den IJssel in 1942 dicht lag. De mannen van het pontveer (nabij waar nu de Algerabrug ligt) hadden planken over het ijs gelegd om toch nog een paar centen te kunnen beuren.

In het begin van de bezetting, weet ik nog, dat er twee mannen in Kralingseveer werden gearresteerd en vastgezet; ds Kars. Hij was Hervormd predikant van een kerkje onder aan de dijk en mijnheer Wegeling; hij was directeur van de uitgeverij (tevens drukker) van een streekblaadje. De kerk en de drukkerij lagen naast elkaar. De plaatselijke politie werd het dus gemakkelijk gemaakt ze op te pakken! Ds. Kars bekritiseerde, mede vanaf de kansel, fel het Nazisme en daarmee de führer Hitler en zijn geestverwant, Wegeling, publiceerde anti-nazipropaganda. Ds. Kars is al spoedig gefusilleerd en mijnheer Wegeling is naar kamp Vught gebracht, om nooit meer terug te komen! Bij een bezoek enkele jaren geleden aan de overblijfselen van dit kamp heb ik op een lijst zijn naam zien staan in de rij van omgekomenen.

Economisch gezien was er zelfs een opleving. Er was weer volop werk. De puin van het bombardement werd afgevoerd, onder meer naar de oever van de Kralingseplas en op een stortplaats bij het Kralingse Bos; waar later bungalows op werden gebouwd. De groente werd verkocht op de veiling aan de Rotte en voor een groot gedeelte met de trein naar Duitsland getransporteerd. Oom Willem had een paard en wagen en was een van de vervoerders naar het station (Delftsche Poort). Mijn oudste broer en ik gingen vaak met hem mee. Omdat wij als kind in deze tijd opgroeiden, leek voor ons alles heel gewoon. Je zag Duitsers (moffen, zoals wij zeiden) op paarden en marcherend; en soms zingend: “Und wir fahren gegen Engeland”. De dreun  van de laarzen kan ik me nog herinneren. Voor kinderen, waren ze vriendelijk. We kregen vaak kaak en zo. Als ze ons niet verstonden, zeiden ze “Was!” Dan zeiden we heel zacht, terwijl we ons heel heldhaftig vonden: “Dat mot je an je reet smere, dan kan je naar Engeland glije”.

Ik kan me nog een oudere man herinneren en een Pool, die heel vriendelijk waren. In de stad zag je natuurlijk meer vlagvertoon en fanatisme. Zoals ik al zei ging het economisch best goed. Het bruggetje voor de tuin is begin 1944 nog vernieuwd. Er was toen geld voor!

Je wist wel dat er iets met Joden aan de hand was; maar daar werd niet over gesproken. Als kind wist ik ook dat er goederentreinen op DP klaar stonden om Joden te vervoeren. Toen ik daar eens naar vroeg aan oom Willem kreeg ik te horen dat ik m’n mond moest houden. Ook kwamen wij elke morgen, op weg naar school, een zeer bedroefd kijkende Jood met davidsster tegen. Hij was tijdelijk werkzaam aan de touwfabriek. Tijdelijk, want op een gegeven dag was hij er niet meer!

Vanaf eind ‘43 merkte je dat er een andere sfeer ontstond. Er werden tankvallen gegraven op de ’s Gravenweg en Kralingseweg en gebouwen gesloopt, waarschijnlijk om meer schootsveld te creeren. Eens kwam ik argeloos uit school gewandeld toen ik door een Duitse soldaat naar de kant  van de weg werd getrokken. Even later kwam de schoorsteen van een grote tuinderij naar beneden. Ook werden we een keer op terugweg van school naar huis omgeleid omdat er vijf mannen gestrekt lagen. Ze waren gefusilleerd. Naar later bleek als tegenmaatregel tegen een ondergrondse actie. Je hoorde ook van overvallen op post- en distributiekantoren, waar levensmiddelenbonnen (bonkaarten) werden verstrekt. Die bonnen waren bedoeld om het moeilijker te maken voor onderduikers (mensen die weigerden naar Duitsland te gaan of gezochte ondergrondsen). In de Hongerwinter werd het voedsel zo schaars, dat de bonkaarten weinig of geen nut meer hadden. Er ontstond toen een levendige zwarte handel. Mijn oudste broer heeft, op de paard- en wagen van oom Willem zittend, een aantal mannen op de Coolsingel zien doodschieten.

Onze school aan de rand  van de stad (waar ook Gerda  van de Oever op zat) lag dichtbij de Hoflaankerk. Op een dag stonden er in de Hoflaan enkele Duitse voertuigen geparkeerd met kogelgaten en beschadigingen. Op een van de cabines zat een oude Duitse militair verschrikkelijk te jammeren. Er werd verteld dat er zwaar gevochten was bij Arnhem en dat daarbij zijn zoon was gesneuveld. Ja, was dat nou erg of verheugend omdat er weer een mof minder was? Je moet niet vergeten dat er door de ondergrondsen behoorlijk tegengas werd gegeven en de Wehrmacht belachelijk werd gemaakt. Wij, als kind werden ook brutaler en zongen liedjes als “O , NSB jij hebt mijn land verraden en…. Van de fabriek van Krupp staat alleen nog maar de stoep… Het geluid van de V 1 ‘s en geallieerde bommenwerpers op weg naar Duitsland zit me nog min of meer in de oren. Maar, ook hieraan ging je wennen!

Onze school is ook nog een tijd gevorderd geweest. Wij werden overgeplaatst naar een leegstaande grote villa aan de Essenlaan, waar een Joodse familie had gewoond. Mijnheer C. Jamin woonde aan de overkant en ook in de buurt woonden burgemeester Oud en de latere minister Lieftinck.

Natuurlijk waren er ook overlopers (landverraders) die vrijwillig bij de SS gingen. De Nederlandse SS was zeer gevreesd!! En natuurlijk de OW-ers niet te vergeten. Mannen en bedrijven die woekerwinsten uit de situatie sloegen! Onze overbuurman was een varkenscontroleur. Een luizenbaantje!

Mijn opa hield varkens. Dat mocht, maar tegen elk varken voor jezelf stond dat er ook een aan de Wehrmacht moest worden geleverd (die werden overigens wel betaald!). De varkens moesten op het slachthuis in Rotterdam worden geslacht. Dit gebeurde, maar er waren ook wat clandestiene varkens op de tuin verstopt. Onze buurman-controleur was alleen het zwijgen op te leggen met het overleggen van de nodige karbonaden en speklappen. Hij wist donders goed waar onze ‘knorren’ zaten! Bovendien ging het clandestien slachten niet zonder herrie gepaard. Als de beesten door hadden dat ze eraan gingen konden ze behoorlijk te keer gaan!

Onze pa en oom Willem en enkele broers van moeder zijn ook nog opgebracht geweest. Er kwam een razzia en daarbij werden alle mannen van tussen de 19 en 40 jaar afgevoerd naar de kampen. Dit was een maatregel  van de bezetter om te voorkomen dat de ondergrondse, de mannen strijdbaar ging maken om ze in te zetten als partizanen. Ik zie de lange rij mannen nog aangetreden staan op de ’s Gravenweg. Zij moesten te voet naar de marinierskazerne aan het Toepad nabij de Maas. De kazerne is er nog steeds!

Als opoe niet in paniek was geraakt, was mijn vader niet gegaan. Hij had zich verschanst onder het platte glas in de tuin. Maar opoe begon te jammeren dat de moffen de jongens (dat waren wij) zouden vermoorden. Zodoende was hij wel genoodzaakt tevoorschijn te komen. Ik herinner me nog dat een mof met geweer het huis kwam doorzoeken en dat hij naar boven klimmend een luik op z’n helm kreeg. Hij schrok zo dat hij niet verder de trap op ging. Moeder was verschrikkelijk kwaad en zei: “Je moet die spuit neerleggen, ik kan er toch niet mee schieten!” Ik schrok van haar felheid, maar hij bromde wat en ging er toen vandoor.

Vanuit de kazerne werden de mannen afgevoerd. Mijn vader en ooms kwamen terecht in kamp Amersfoort. Er was wel correspondentie mogelijk. Er kwam bericht dat mijn vader zwaar hoestend was overgebracht naar een nonnenklooster. Moeder en mijn oudste broer zijn hem op de fiets gaan opzoeken. De nonnetjes zeiden dat ze zouden zorgen dat hij niet meer terug hoefde naar het kamp. In Rotterdam heerste difterie, waaraan ook kinderen van onze school zijn overleden. De nonnen gaven pa op als bacillendrager, waar onze dappere Oosterburen als de dood voor waren! Vroeg op een goede morgen stond hij weer bij ons voor de deur, na een nacht bij onze hoofdonderwijzer te hebben geschuild, omdat het te gevaarlijk was na acht uur ’s avonds over straat te gaan. Het moment van zijn thuiskomst vergeet ik nooit meer! Enkele weken later kwam mijn oom Willem terug. Het was toen al zo’n chaos in het kamp dat hij gemakkelijk kon vluchten.

Over de hoofdonderwijzer (meester De Boer, voor ons) wil ik nog wat vertellen. Hij was een van de echten. Hij liet soms (in de bezettingstijd) het Wilhelmus zingen, maar was ook de man die alle klassen tegelijk toesprak toen er na de bevrijding kinderen van nsb‘ers op onze school kwamen, die werden gemeden en/of uitgescholden. Meester De Boer bemerkte dit al gauw. Hij sprak ons toe en zei dat dit heel erg laf was en dat dit moest zijn afgelopen. Een echte christen? Ongetwijfeld, maar het moet gezegd dat deze mensen met karakter ook onder andersdenkenden voorkwamen. Hierover later meer!

Pa en broer Kees gingen op de fiets de boer op en kwamen terug met een half mud aardappels, geruild bij een boer in Herwijnen (Betuwe) voor wat tabaksstof! De tabaksfabriek van Dobbelman stortte al jaren lang afval op onze tuin. Opa droogde de tabaksstof en zeefde dat. Het was heel goed te roken in een pijp met een fijn gaasje! Was allicht beter te “pruimen” dan kersenbladeren; die ook werden gerookt! In de zwarte handel was een broodje te koop voor 80 gulden, maar een sigaret leverde meer op! Ik denk dat de actie van opa ons in leven heeft gehouden. Op de tuin groeide niks meer bij 20 graden onder nul. Opa’s tabaksstof werd zo beroemd dat hij jaren later nog Douwe Oorschot werd genoemd!

Ook Dolle Dinsdag kan ik me nog herinneren. Het was een heel vreemde gewaarwording. Er waren steeds minder militairen. Waarschijnlijk moesten ze de heimat gaan verdedigen, als het Oostfront ze al niet had opgeslokt! Nsb’ers sloegen op de vlucht. Er gingen geruchten dat de geallieerden zo zouden komen. Helaas was dat niet zo. De hele smerige Hongerwinter moest nog komen. Achteraf gezien is die hele Hongerwinter niet nodig geweest. Het was een strafmaatregel tegen opstandigheid tegenover de nazi’s; stakingen en zo!

Het is moeilijk voor me alles precies in volgorde op een rijtje te zetten; maar ik moet toch nog enkele bijzonderheden belichten!

In de herfst en winter van 1944 gingen wij al niet meer naar school. Het was chaotisch. We sloopten schoeiingen aan de weg-waterkant en bomen voor kachelhout. Zelfs houten blokken vanonder de tramrails werden weggehaald en van de spoordijken werd de koolas gezeefd om de cokes eruit te halen. Carbidlampen en knijpkatten zorgden voor verlichting. Eerlijk gezegd vonden we dat allemaal wel erg spannend en een leuk tijdverdrijf. We moesten dan ook getemperd worden! Ook gedropte illegale blaadjes ophalen met de schuit uit de sloten was wel spannend. Het Vrije Volk bijvoorbeeld en Trouw en Vrij Nederland.

Toen wij nog naar school gingen lagen er soms al mensen (vooral ouderen) langs de straatkant. Ze konden niet meer verder! Het ergste hebben we waarschijnlijk later wel gemist, omdat we niet meer in de stad kwamen. Wel heb ik de gaarkeukentijd nog meegemaakt. De fabriek van Jamin was omgetoverd tot gaarkeuken. Daar werd van bloembollen, bieten en aardappelschillen soep gemaakt. De paard- en wagenbezitters, zoals oom Willem moesten dit drab, in gamellen, rondbrengen naar distributieplaatsen in de stad. Broer Kees en ik gingen graag mee met hem. De wagen werd soms beklommen door straatjongetjes, die met een lepel de soep oppikten die uit de gamellen klotste. Soms , op een stille plek, zei oom Willem tegen ons: “Jongens gooi de gamellen open.” Dan werd de soep naar hartenlust opgelepeld. Hij kon het geschrap van de wagen zeker niet langer aanzien. De vrachtrijders (en wij ook) kregen toch wel betere soep te eten in de kantine van de fabriek. We zaten dan met z’n allen om een met hout en cokes gevulde ton en dat gaf hevige, felbegeerde, warmte. Ik moest dan altijd aan de vurige oven van Daniel denken, omdat je er niet te dichtbij kon komen.

Om en nabij de capitulatie kwam er al Zweeds wittebrood binnen en blikken kaak (scheepsbeschuit). En op een onvergetelijke morgen kwamen er geallieerde bommenwerpers laag over de ’s Gravenweg aanvliegen om achter het Kralingse bos voedsel uit te werpen. Hercules-toestellen met doorzichtige voorkant. Wij lagen achterover om te zwaaien naar de bemanning; die met vlaggen of rode lappen terug zwaaiden (operatie manna).

Oom Willem werd weer ingeschakeld om de gedropte spullen naar de fabriek van Jamin te brengen, van waaruit dit weer gedistribueerd werd. Tot mijn grote spijt mocht ik niet mee, maar broer Kees wel. Hij heeft daar gezien dat mensen opengebarsten blikken bestormden om de honger te stillen. Er zijn ook toen verschrikkelijke dingen gebeurd. Kees en ome Willem brachten chocolade mee. Naar ik weet had ik dat nog nooit geproefd! Het was feest! Voor de vrachtrijders was het verboden de zakken of tassen vol te stoppen. Maar dat werd wel gedaan natuurlijk. Op het plein voor de fabriek van Jamin stond een schandpaal. Elke dag werd daaraan de grootste dief vast gebonden onder grote hilariteit natuurlijk. Wij vonden het geweldig als dat een bekende was.

Op mijn laatste verjaardag heb ik van Basje (mijn kleinzoon uit Leiderdorp )een gekleurde tekening van een Hercules-toestel gekregen. Ik vond dit geweldig en heb de tekening nog altijd. Thuis hangt ie boven een tekening van m’n vader van de voedseldropping. Onder de tekening hangt een foto van kleinzoon Tim samen met een veteraan in Normandie, 60 jaar na dato, waar ik met zoon Gert, Tim en Jan  van de Meij ben geweest. “Dat zijn leuke dingen voor de mensen”, zou Paul van Vliet zeggen!

Ja, en nu de bevrijding! Een verhaal apart! Er hing een vreemde sfeer in de lucht. Ik denk dat die veroorzaakt werd door een zwak schijnsel van licht boven de stad (de verduistering was afgeschaft). Met onze pa gingen we naar het begin  van de stad, na de nodige waarschuwingen van moeders. We gingen niet echt de stad in. Later zijn we bij herhaling als broertjes wel in de stad geweest. Broers Kees en Arie hebben zelfs vanaf het dak van een noodwinkel op de Coolsingel Churchill gezien. Ik was daar niet bij. Ik weet wel van de feesten op de Kortekade (vlak bij onze school) en het ophalen van de moffenhoeren die werden kaalgeschoren en voorzien van hakenkruis, soms met rooie menie en op een wagen rondgereden. We zagen dat de moeder van een klasgenootje van Kees erbij was. Dat vonden wij toch wel verschrikkelijk voor Rietje (zoals haar dochtertje heette). Het waren trouwens niet de heldhaftigsten die zich aan dit vergrijp schuldig maakten. Broer Kees ging ook eens de fout in toen hij achter zo’n vrouw een liedje zong: “Trees heeft een Canadees, vroeger is’t een moffenmeid geweest”. Ze stopte en greep hem vast om hem boven de sloot te hangen. “En nou nog eens zingen”, zei ze. Dat gebeurde dus niet! Later bleek dat het een zus was van een schoolvriend van ons. Toen we daar onverwacht mee geconfronteerd werden, schrokken we ons een hoedje, maar ze heeft er hartelijk om gelachen en alles was vergeven en vergeten!

Op een dag kwamen de Canadezen binnen vanaf Utrecht, over de Langekade en de Kortekade. GMC‘s, Bedfords, tanks, amfibiewagens en jeeps, al of niet met affuiten (mitrailleurs). Het was een heel vertoon. De wagens en tanks zaten vol jongelui (vooral meiden). Wij waren streng gewaarschuwd ons hier niet bij te voegen! Soms reed er een Duitse auto tussen. Wij begrepen daar niks van; maar de Canadezen vonden dat wel leuk! Het gejuich ging dan over in gejoel!

Rotterdam heb ik eigenlijk nooit anders gekend dan min of meer opengebroken. De binnenstad van voor het bombardement ken ik alleen van foto’s, schilderijen en platen. Van de wederopbouw heb ik veel gezien. Ik heb bijvoorbeeld de heipalen van de oude Bijenkorf uit de grond zien trekken; die werden elders in de stad weer gebruikt! Ik heb het groothandelsgebouw en stadsbouwhuis zien verrijzen; de Doelen en de bankgebouwen aan de Westblaak met het beeld van Zadkine, nieuwe wijken en nog veel meer.

De eerste beelden (foto’s) van de verschrikkingen vanuit de kampen met massagraven mochten wij niet zien. Ze waren te confronterend voor kinderen! Er werd ook niets mee gedaan. Ieder was met zichzelf bezig en de aandacht was al gauw gericht op de mobilisatie voor Nederlands Indië.

De slimste zakenmensen voerden al spoedig weer de boventoon; waarbij het twijfelachtige oorlogsverleden, van sommigen van hen, al snel in de doofpot werd gedaan. De Joden, die nog terugkwamen, werden zeker niet met open armen ontvangen! Konden vaak hun, door de nazi’s eens gevorderde woningen niet meer bewonen, doordat daar gewoon anderen inzaten, die er niet meer uit te krijgen waren. Niet alleen in Nederland waren ze niet meer welkom; maar ook niet in Frankrijk of Engeland en zelfs niet in de VS. Onze kerken hebben zeker ook geen heldenrol gespeeld. Ik heb een foto bij me waarop Paus Pius de 12e in vol ornaat handjes schudt met der Führer, doch niet alleen de RK kerk, maar ook de andere kerken hebben gezwegen als het graf, in Duitsland, Italie en Oostenrijk, maar ook in Nederland! Hitler heeft dankbaar gebruik gemaakt van verschrikkelijke anti-semitische uitspraken van Luther. Een bekende Rotterdamse gereformeerde dominee beriep zich op Jeremia in de trant van: “Je moest alles maar aanvaarden, want het was een straf van God, wat ons overkwam.”

Zelfs in 1944 nog was een geschil over een artikel uit de Nederlandse Geloofsbelijdenis genoeg om een scheuring te veroorzaken. De afgescheidenen voelden zich ‘vrijgemaakt’ terwijl enkelen duizenden landgenoten gevangen genomen en/of mishandeld en gedood werden. Waar was de echte kerkelijke gerechtigheid. Gelukkig zijn er ook gelovige, kerkelijke helden geweest, maar wel individueel. Zoals de nonnetjes, die pa opvingen en naar huis stuurden, ds.Kars (waarvan ik vertelde), ds. Overduin, die ternauwernood het kamp overleefde en nog vele anderen; ook in Duitsland.

Ook van andersdenkenden kan dit worden gezegd. Zoals, de meeste mannen  van de Februaristaking in 1942, gericht tegen de Jodenvervolging, waren communisten! Op een muur in Amsterdam moet hebben gestaan:

“Blijf met je rotklauwen van onze rotjoden af.” Geen fraaie tekst natuurlijk; maar in ieder geval een gedurfd verzet!

Het getuigt meer van heldendom dan de houding van Amsterdamse ambtenaren, die veel meer deden om de Joden in de wijken te registreren voor de nazi’s dan van hen werd gevraagd! Het percentage afgevoerde Joden ligt in Nederland het hoogst, mede door de gewillige medewerking van ambtenaar en politie. Ook hier de individuele goeden niet te na gesproken natuurlijk!

 


Dé gratis krant voor
de vijftigplusser!

Advertenties
Het Welzijnswarenhuis

Elke dag weer verrast worden met een ech Rotturdams weetje!

Bestel dan nog snel de Rotterdam Scheurkalender 2019 voor uzelf of geef hem cadeau!

Bestel nu