Rotterdamse Waterklerken en de RWV

12 mei 2015, door Fred Wallast

Ik ben in 1946 gaan werken als assistent-waterklerk bij een klein cargadoorskantoor met het topsalaris van, schrik niet, zestig gulden per maand. Voor dat geld moest ik ook nog twee keer per dag lopen van de Mathenesserlaan naar het grote postkantoor op de Coolsingel. De  tram was te duur. De eerste keer dat ik zelfstandig mijn eerste boot moest inklaren, herinner ik mij nog goed.Veel inwerktijd was er toen niet. Het was een tanker van A/S Rederiet Odfjell/Bergen Noorwegen, waarvoor wij Owners Agents waren bij ASF/Pernis. Het was zondagmorgen en Dirk Zwager stuurde mij een telegram, aangezien ik geen telefoon had: Lind 0800 binnen. Eigen vervoer in de vorm van een auto was niet denkbaar. Gelukkig was een vriendin van ons over uit Antwerpen die een fiets had en die ik mocht lenen. Ik op de fiets naar Pernis. Het was slecht weer en na een half uur fietsen regende het pijpenstelen. De douane zat gelukkig op de hoek bij de fabriek tegenover Paktank. De boot ingeklaard, daarna het een en ander besproken met de kapitein, maar ik was nog doornat. Iedereen had medelijden met me en gelukkig ook shipchandler Solleveld’s Handel Mij. Die stelde voor mij af te zetten met fiets en al, zij waren namelijk met een vletje over het water gekomen. Aan het Prinsenhooft, de aanlegsteiger van het veerbootje, werd ik afgezet. Mooi voor de deur, want ik woonde toentertijd aan de Maaskade. Het was tussen 1951 en 1953 en we waren nog steeds rederij-agent van de A/S Odfjell/Bergen. Als rederij-agent had je het niet altijd makkelijk. Zo was er bij deze rederij een kapitein (Oddy genaamd) die nogal wild was. Het gebeurde nogal eens, dat hij, als er aan boord niets georganiseerd was, de wal op ging en dan meestal met enkele van ons erbij. Daardoor waren we in de loop van de tijd bevriend geraakt. Zo ook die bewuste dag. Na inklaring gingen we de wal op en kwamen op een gegeven moment terecht bij Ruteck’s. Daar dronken we gezellig wat en maakten uiteraard een praatje met de serveerster. De volgende dag aan boord kwam het gesprek op Ruteck’s,  waar een leuke blondine ons bediend had. Ik had al begrepen dat Oddy deze blondine wel heel erg aardig vond en zo opperde hij, dat hij de volgende reis wel eens met dit blondje wilde gaan stappen. Ik riep meteen ‘wie houd je tegen Oddy’. Maar hij vond dat ik als ‘goed’ agent de volgende reis daarvoor moest zorgen. Ik wist op dat moment niet goed hoe ik dit zaakje het beste kon aanpakken. Maar ik zou er alles aan doen het geregeld te hebben voor wanneer Oddy weer terug in Rotterdam zou zijn. Aan mijn verloofde heb ik voorgesteld mee te gaan naar Ruteck’s. Daar heb ik een vriendelijk briefje geschreven, waarin ik alles haarfijn uitgelegde, om haar geheugen weer enigzins op te frissen. Het was zaterdagavond en dus zeer druk bij Ruteck’s. Onze bestellingen werden opgenomen door een ober en niet door de serveerster waaraan ik het briefje wilde overhandigen. Toen maar aan de ober gevraagd: “Wil je dit briefje even afgeven aan dat blonde meisje?” Hij keek alsof hij dacht, ‘wat betekent dit, je bent toch met iemand’. Juist om dit te voorkomen had ik mijn verloofde meegenomen, maar dat liep helaas anders. De ober gaf het briefje af, waarna de blonde serveerster het midden in de zaak opende. In no time stonden alle andere serveersters om haar heen, om mee te lezen. Daarna keken ze allemaal gelijktijdig in mijn richting. Ik voelde me opgelaten. Na een half uur wilde ik afrekenen en het antwoord van de serveerster. Deze keer kwam ze zelf naar onze tafel en vroeg: “Is dat voor jou?” Waarna ik antwoordde: “Als het voor mij was, was ik wel alleen gekomen.” Uiteindelijk vond zij het toch wel interessant eens met een kapitein te  gaan stappen, dus er werd een afspraak gemaakt voor diezelfde avond om middernacht buiten bij Ruteck’s. ‘s Middags heb ik de boot ingeklaard en Oddy geïnformeerd over zijn afspraak die nacht. Ook had ik een taxi voor ze besteld. Prettig geregeld dus allemaal. Tot mijn verbazing werd ik echter om 04.00 uur ‘s ochtends door Oddy gebeld. Zij zaten in L’Ambassadeur, toen aan de Rochussenstraat, hoek Tunnelweg. Of ik daar even naartoe wilde komen, want het wilde niet zo vlotten met de  communicatie, doordat het meisje niet buiten de grens sprak. Ik naar de Ambassadeur, wat mee gedronken en met beiden gekletst. Daarna heb ik voorgesteld het meisje naar huis te brengen en Oddy naar boord. Geen geslaagde afspraak dus. Een oudere Ruteck’s-collega van het meisje, die getrouwd was geweest met een Noor en redelijk Noors sprak, wilde nadat ik haar in Ruteck’s geïnteresseerd had kunnen maken, de volgende reis wel graag met Oddy afspreken. Die avond slaagde wel, want zover bekend zijn ze daarna nog diverse keren samen uitgeweest. En ik heb daar niet meer bij hoeven komen. Zo maak je nog eens wat mee.

Alphons de Meersseman


Dé gratis krant voor
de vijftigplusser!

Advertenties
Het Welzijnswarenhuis