IJsbloemen, warme chocolademelk en ijssie piepen
Men neme een beker en doet daar een schepje cacaopoeder in. Daarna een schepje suiker en roert het geheel naar een lichtbruin mengsel. En maak er dan met een klein scheutje water een mooi bruin glad papje van. Daarna verwarmt u de melk tot het kookpunt. Kijk uit, die kan overkoken, wat bij ons thuis nog wel eens gebeurde. Net even te lang weggebleven. Waarbij de nare geur van verbrande melk zich door het huis verspreide met als duidelijke waarschuwing dat er iets niet in de haak was.
Gewoon even wachten tot je de melk omhoog ziet komen is natuurlijk altijd handiger. Later kregen we een soort witte standaard met een rond gat in het midden die je in de steelpan kon plaatsen en was dat overkoken voorgoed verleden tijd. Daarna klopt u die gekookte melk stevig op tot er een mooie schuimlaag ontstaat. En giet dat geheel in die beker. Nee een hartje in dat schuim, wat ik u trouwens van harte toewens, was in die tijd nog niet aan de orde. Diezelfde melk met schuim ging trouwens ook op dat sterke laagje koffie extract, waarmee mijn moeder haar ouderwetse bakkie leut bereidde.
U weet wel, met dat schepje Buisman om de smaak te verstevigen.
Maar mensen wat was dat lekker, die warme chocolademelk. En zo makkelijk zelf te maken. Een onderdeel natuurlijk van de koek en zopie. De attributen bij een fikse schaatstocht. En hoewel er beslist wel kwakkelwinters tussen moeten hebben gezeten, was het in mijn herinnering toch bijna elk jaar wel raak wat ijs en sneeuw betreft. De paar nog best leuke winterse omstandigheden die deze paar donkere, vaak ijskoude wintermaanden nog enigszins dragelijk maakten. Voor een kind dan toch.
IJskoud zeil
De meeste lezers zullen ze nog wel herkennen, de al veel eerder door anderen en ook door mij beschreven taferelen van dikke ijsbloemen aan de binnenkant van de ramen. Bevroren condens, die logischerwijs altijd wel ontstaat in een kleine slaapkamer met vier opgroeiende knullen in stapelbedden.
En dan vroeg in de ochtend van uit het warme bed met een dik pak dekens met je blote voeten op dat ijskoude zeil. Wat mij nu gelijk weer aan popgroep “Het” doet denken, die daar een grappig liedje over maakte.
Even een gaatje maken tussen de ijsbloemen om naar buiten te kunnen kijken en dan het enthousiasme over de langzaam omlaag dwarrelende sneeuwvlokken.
Altijd weer spannend die eerste sneeuw. Even snel alleen je gezicht, armen en nek wassen met ijskoud water. En je proberen af te drogen met een keihard half bevroren handdoek die onder de wastafel hing. En dan op een holletje de trap af met dat bundeltje kleren onder je arm. Naar de huiskamer waar het vuur in de kolenkachel alweer hoog op laaide, om je in die behaaglijke warmte verder aan te kunnen kleden. Echt de enige warme plek van het huis. En dan na de levertraan en de havermoutpap je jas aan, muts op en je handschoenen niet vergeten. Op naar buiten voor het sneeuwballen gevecht en de eerste sneeuwpop.
Glijbaan
De meeste al wat oudere mensen klaagden alleen maar over die sneeuw en veegden zo snel mogelijk de stoep schoon, strooide zout of leegde de asla van de kolenkachel over de sneeuw om uitglijden te voorkomen. Weer een obstakel die jouw sledetocht voortijdig blokkeerde. Gelukkig kon je nog wel met de slee van een helling af roetsen. En waar de oude bunker op de Westzeedijk in Rotterdam, waar nu de Kunsthal zit, een prima plek voor was. En wat is nou mooier dan met zijn allen een glijbaan te maken. Netjes in de rij op je beurt wachten voor je je kunsten mocht vertonen. Dan een flinke aanloop en daar ging je over dat lange bijna zwart geworden deel van de stoep die glinsterde in het zonlicht. Ach en voor de echte durfals was er natuurlijk het ijsje piepen. Je kan ze natuurlijk ook de onverantwoordelijke eikels noemen, maar spannend dat het was. Het ijs golfde voor je uit, maar je moest wel in de rennende groep blijven. Twee stappen er achter en je was de pineut en kon met een nat pak huiswaarts keren, waar huisarrest je deel werd. Of terug naar school, waar je de nodige hoon te incasseren kreeg. Gelukkig als kind nooit echt helemaal door het ijs gezakt, wel vaak een zeikerd opgelopen, zodat je alsnog soppend in je schoenen huiswaarts keerde. Waar je moeder zuchtend mopperde over dat natte schoeisel en je domme gedrag.
Schaatsen
Nee dan was schaatsen toch wat slimmer en na het nodige gekrabbel met houten Friese doorlopers toch de slag te pakken gekregen. Zodat je menig ijshockey wedstrijd met je vriendjes op de Westersingel kon houden. Natuurlijk nog geen echte hockeystick, maar met een flinke tak kon je ook prima uit de voeten. Wel met de nieuwe hockey schaatsen trouwens, wat gelijk het einde was van loszittende riempjes en een scheve schaats onder je schoenen, en waarmee je stoer over het ijs kon schuiven. Lekker uitsloven dus. Waarbij je ook nog eens makkelijker kon bijblijven tijdens het gezamenlijke rondje over de met gekleurde lampjes verlichte ijsbaan. Ondertussen luisterend naar de laatste hits die gezellig en hard uit luidsprekers schalden. Later met stalen Noren nog mooie tochten gemaakt, zoals een rondje over de Kralingse Plas, een tocht over de Rotte of langs de molens van de Kinderdijk. En toen ik zelf twee jonge meiden kreeg, samen met hun vriendinnen een fikse schaatstocht gemaakt. Zo vanaf de vijver voor ons huis, via de singels van de stad de polder in. Met een slee waar we onze proviand, een warme deken en een thermosfles warme chocolade melk op vervoerden. Hoe mooi was dat. Ach en het is nu alweer een paar jaar geleden dat ik voor het laatst de ijzers onder had. Na een zwakke plek in het ijs, waardoor ik tot mijn middel in het ijskoude water terecht kwam, met als gevolg een wel heel koude en nog best lange rit naar huis en na ook wat valpartijen, ben ik toch maar definitief gestopt met schaatsen. Op mijn leeftijd kan vallen zomaar blijvend letsel opleveren. Maar nog hoor ik in gedachten het geluid van mijn Noren weer over het ijs schrapen en voel de sensatie van dat glijden over die gladde zwarte ijsvloer. Het is heel mooi geweest en ik kijk er nu nog met veel plezier op terug.
Wim van der Klein / klein2@zonnet.nl
Lunchen bij de Mariniers als bedankje
Het Korps Mariniers vierde op 10 december 2025 het 360-jarig bestaan. Tijdens een ceremonie bij het Mariniersmonument aan het Oostplein werden alle gevallenen in de geschiedenis van het Korps Mariniers herdacht. Mijn kennismaking met het Korps Mariniers is al even geleden.
Het is januari 1980 en ik was net als brigadier begonnen aan het politiebureau Boezemsingel te Rotterdam. De jaren als wijkagent in het Oude Westen waren voorbij en ik was aan een nieuwe uitdaging toe. Sommige gebeurtenissen blijven je altijd bij en zo ook mijn eerste optreden als ploegbrigadier met vier agenten waar ik leiding aan mocht geven.
Tijdens de ochtendbriefing ook wel ‘ochtendgebed’ genoemd werden alle relevante zaken aan de ‘dienders’ doorgegeven. Vandaag zou er een commandowisseling op het kazerneplein aan het Toepad plaatsvinden. Er was informatie dat een antimilitaristische actiegroep met de naam Onkruit plannen had om deze ceremonie te verstoren.
Besmeurd
Samen met vier agenten ging ik met een politiebusje naar het Toepad. Onderweg hoorden wij van de politiemeldkamer dat een aantal touringcars die genodigden hadden vervoerd door actievoerders met verf waren besmeurd. De voorbereidingen voor de overdracht op het kazerneplein waren inmiddels in volle gang en veel mariniers stonden in het gelid opgesteld.
Verfbommen
Enkele actievoerders met plastic tassen waren onderweg naar het exercitieterrein van de Marinierskazerne. Ik nam het besluit om in de tassen van de actievoerders te kijken wat met het nodige duw- en trekwerk gepaard ging. De tassen met ‘de verfbommen’ scheurden bij deze controle spontaan open. Onze uniformen en de kleding van de actievoerders werden hierdoor met witte verf besmeurd.
De commandowisseling op het kazerneplein ging gewoon door. Zij hebben niet gemerkt dat de politie net op tijd er voor zorgde dat de ceremonie gewoon kon doorgaan. Twee actievoerders werden aangehouden en na korte tijd weer vrijgelaten.
Later werd ik samen met de vier ‘dienders’ die de ceremonie hadden ‘gered’ uitgenodigd op het hoofdkwartier van de Mariniers aan het Westplein te Rotterdam.
Wij kregen een zeer goed verzorgde lunch aangeboden met een dankwoord voor onze inzet tijdens de commandowisseling van het Korps Mariniers in Rotterdam.
Han Karels / Hankarels1946@outlook.com
Wegdromen bij de kerststal van vroeger
“Kijk uit, joh! Dadelijk staat je mouw in de hens”. We stonden voor de stal en her en der stonden kleine brandende kaarsjes en mijn broertje was druk met het herschikken van de dieren in de weide. “Ik ben dat kleine schaapje” verzon hij, terwijl hij het diertje wat dichter bij de kribbe zette waar het kindje Jezus op lag. “Nou laat mij dan maar die stoere os zijn,” sprak mijn wat oudere broer. “En ik het grijze paard!” riep ik enthousiast.
Dat vonden ze allemaal prima, het was namelijk geen paard maar een ezel. Dat had ik toen nog niet gelijk door natuurlijk. En niemand wilde het kindje in de kribbe zijn. We wisten allemaal hoe dat zou aflopen en hoe Hij aan zijn einde zou komen. Dat hadden we immers al het jaar er voor met Pasen geleerd.
Bij ons was de Kerst nog echt een feest van de geboorte van Jezus, de verlosser van onze zonden. Met de kerstman en zijn cadeautjes hadden we niks van doen. Dat was het feest van ongelovigen en de heidenen, zo werd ons verteld. Vond het ergens wel jammer, cadeautjes waren altijd welkom vond ik. Maar daar kon toch echt geen sprake van zijn. Kerstmis was weliswaar een Rooms Katholiek feest, maar een beetje ingetogenheid was echt wel op zijn plaats. Het waren immers ook barre omstandigheden geweest tijdens de geboorte van het Christuskind in die stal in Bethlehem. Er was een grote volksverhuizing bezig en elke herberg was overvol. Keizer Augustus had een volkstelling bevolen en Jozef en Maria, die hoog zwanger was, waren op weg van Nazareth naar Bethlehem. De stad waar Jozef vandaan kwam en ingeschreven moest worden. Gelukkig was er de ezel waar Maria op kon zitten tijdens die lange tocht. De eerste weeën kondigden zich al aan en gelukkig vond Jozef nog een stal met een grote voederbak met wat stro waar het kindje na de geboorte in kon liggen.
Spinnetjes
Onze stal thuis was nog best groot met dat dak van stro. Er was zelfs plaats voor de os en de ezel. We hadden toen nog hele kleine bruine speelgoedinsecten, zoals spinnetjes van plastic en die moesten ook beslist in dat dak rondkruipen. Nou ja, volgens mij dan toch om het nog echter te laten lijken. Maar mijn zus griezelde daar van. Aan de nok van de stal hing engel Gabriël die met een haakje in zijn nek aan de nok van de stal bevestigd was. Met in zijn handen een soort poster waar Gloria in Excelsis Deo op stond. Wat Ere zij God in den Hoge betekende. Iets waar ik pas veel later achter kwam, toen ik eindelijk misdienaar was geworden. Maar het was niet alleen de stal er was nog veel meer te zien bij ons.
In de hoek van de woonkamer stond een grote uitklapbare naaimachine. En daarop was een grote hardborden plaat gelegd die ik normaal voor mijn Fleischmann modeltrein gebruikte. Die plaat was bedekt door een groot wit laken, met daaronder lagen van verschillende stapels boeken. Mijn vader had een hele serie verzamelwerken van Het Beste van Readers Digest en die werden gebruikt als ondersteuning van de stal en voor de verschillende kleine heuvels in het landschap.
Ruilverkaveling
Behalve de stal werd het hele laken verder bedekt door kunstmos, terwijl rijen met kleine gekleurde steentjes een paar weggetjes vormden. Handig voor de herders met hun schapen natuurlijk, die gewaarschuwd door een engel op weg naar de stal waren. Helemaal aan de andere kant van het landschap stonden al de Driekoningen met een dromedaris en een knecht te wachten, maar die waren nog lang niet aan de beurt.
Om het hele landschap nog meer te verlevendigen had er een soort ruilverkaveling plaats gevonden en werden grote stukken wei met houten gammele hekken afgezet. Ook rondom het hele tafereel stonden deze hekjes, die regelmatig samen met wat mos van de rand af donderden. Met als verlichting de brandende kaarsjes die her en der verspreid langs de weg stonden. Met zilverdraad en een spiegel werd een riviertje en een meer gecreëerd. Er was zelfs sprake van een bruggetje waar nog net een schaap op kon staan. Maar die was er af gekukeld en werd dus door mijn broertje verderop gezet.
Er was genoeg te zien om weg te dromen, wat wel zo prettig was, omdat we op onze blote knietjes voor dat tafereel op die stugge vloerbedekking elke avond een hele rozenkrans moesten bidden. Met voor elke grote kraal Het Onze Vader, gevolgd door tien Weesgegroetje. Met tussendoor een apart gebedje., die elk gezinslid een keertje op moest zeggen. Zoals Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde. En toen ik aan de beurt was: “Jezus heeft heel erg moeten lijden aan het kruis op de berg van hupsakee!” Wat natuurlijk de Calvarieberg moest zijn. Maar dat was ik even vergeten. Tot ernstig onderdrukte hilariteit van de overige gezinsleden. Bidden deed je toch altijd met de nodige eerbied.
Het was best wel een lang gebed, zodat op het laatst de ribbels van de vloerbedekking in onze knieën stonden. En mijn moeder door de twee oudste broers omhoog getrokken moest worden, omdat die door haar reumatiek niet meer overeind kon komen. Maar verder was het toch wel een mooi en gezellig feest. Met leuke ingerichte etalages in de stad en kerstverlichting in de straten.
Nachtmis
Ook thuis was het versierd. Met een adventkrans met vier kaarsen aan het plafond. En dennentakken achter een schilderij gestoken. Natuurlijk de mooie zilverkleurige ballen, een piek en echte brandende kaarsjes in onze echte kerstboom die op een houten kruis was getimmerd. Natuurlijk stond daar wel een grote emmer vol water in de buurt, voor het geval dat het fout leek te gaan. En natuurlijk op kerstavond met z’n allen naar de nachtmis in de kerk, waarbij na afloop iedereen elkaar vrolijk kerstmis wensten. Gevolgd door een uitgebreid kerstontbijt waarvoor de tafel thuis al gedekt stond. Toch wel een heel gezellig periode van het jaar en leuk om op terug te kijken.
Wim van der Klein
klein2@zonnet.nl
Russen waren in paniek in verboden wateren
Dit verhaal begint op een zondagmorgen ergens in de maand augustus van het jaar 1977. De SMIT-LLOYD 43, waarop ik als scheepswerktuigkundige onderdeel uitmaakte van de zevenkoppige bemanning, lag klaar bij het boorschip NEDDRILL 2. De NEDDRILL 2 maakte weer deel uit van een van de twee omgebouwde bulkcarriers die daarvoor door Hollands Bulk Transport (HBT) werden beheerd. De HBT was een onderdeel van de Koninklijke NedLloyd.
Om het verhaal duidelijk te maken moet ik uitleggen hoe een boorschip als het in bedrijf is wordt gepositioneerd. Om het schip op de exacte positie te houden wordt het schip met een zestal ankers verankerd volgens een bepaald ankerpatroon. De plek waarop het anker op de zeebodem ligt wordt gemarkeerd met een boei die met een staaldraad aan het anker verbonden is. Het anker zelf is met een ankerketting of staaldraad verbonden met het boorschip. Om de ankers in de gaten te houden wordt de verankering op het boorschip gemonitord.
Naast de bevoorrading, van brandstof, leeftocht, onderdelen en dergelijke kan een supplier zoals de SMITLLOYD 43 ook ingezet worden als zeesleper en als vaartuig waarmee zogenaamd ankerwerk kan worden verricht.
Anker terugleggen
Op die zondagmorgen lagen we zoals gezegd klaar bij het boorschip in de Middellandse zee in de territoriale wateren van Tunesië en opereerden we vanuit de havensteden Sousse en Sfax. Halverwege de ochtend werden we opgeroepen door de NEDDRILL 2 dat één van de ankers aan het krabben was. Dat betekent dat het van zijn plaats aan het verschuiven was. Als taak hadden we het anker te lichten en weer op een juiste plaats terug te leggen.
Dat gaat normaal gesproken als volgt te werk. De boei die het anker markeert wordt achteruit varend uit het water gevist. Het anker wordt vervolgens met de staaldraad op de sleeplier aan dek gedraaid en opnieuw uitgebracht naar een betere plek waar het anker goed houdt.
Onderzeeër
Zover kwam het echter niet. Ergens op de bodem van de zee werden niet te verklaren bewegingen waargenomen. Na enige tijd zagen we een hoop geborrel in het wateroppervlak waarna we tot onze verbazing de duiktoren van een onderzeeër boven water zagen komen. Het duurde een poosje totdat op gegeven moment het luik van de onderzeeër openging en er een vlaggetje werd uitgestoken door waarschijnlijk één van de opvarende officieren van de bemanning. Hij droeg namelijk een wat vadsige uniformpet. Het betrof een onderzeeër van de Russische onderzeevloot.
De onderzeeër die we aan de haak hadden geslagen was het ankerpatroon binnen gevaren en was met het roer verstrikt geraakt in het ankerdraad. De pogingen om hieruit te raken hadden tot de onterechte conclusie geleid dat het anker zou zijn gaan krabben. Het kan niet anders dan dat deze gebeurtenis tot enige paniek in de onderzeeër moet hebben geleid gezien het in nood opduiken van het schip.
Radiostilte
Uiteindelijk heeft de duikbootbemanning zelf het schip kunnen los krijgen maar hoe men dat heeft gedaan en hoe het verder is verlopen vertelt ons de geschiedenis niet. De communicatie tussen de duikboot en andere instanties heeft voor ons in volledige radiostilte plaatsgevonden. Er moet op diplomatiek niveau overleg plaats hebben gevonden aangezien de onderzeeër sowieso niet in het gebied mocht komen van het ankerpatroon en zeker niet in de territoriale wateren van Tunesië.
Piet Kammeraat
mpkammeraat@hotmail.com
De geur van Rotterdam vergeet je nooit
Hallo, hallo, wie stinkt daar zo? Het is het mannetje van de radio. Geen idee waar deze uitroep vandaan kwam en of het klopte, maar het zal bij de meeste oudere lezers wel bekend zijn. Ik plaag er nog wel eens mijn kleinzoon mee. Als geboren Rotterdammer ben ik opgegroeid met een melange van allerlei specifieke geuren. Wonend in de Breitnerstraat, dus zeg maar min of meer in het centrum van de stad, lag het aan de windrichting wat er te ruiken viel.
Kwam de wind uit het zuiden dan roken we de havens van Rotterdam met de geur van teer vermengd met specerijen uit verre oorden. Kwam ie uit het Westen dan was de Shell raffinaderij de boosdoener. Ach en als de wind recht uit het oosten kwam voerde die de onaangename lucht van het destructiebedrijf de Gekro aan. Zat je echt niet op te wachten. Nee, dan had ik toch liever de Noord/Westen wind die de geur van de koffiebranderij van de Van Nelle fabriek of de broodfabriek Van der Meer en Schoep mee voerde.
Warme bakker
Hoe wonderlijk, maar ruik ik ergens een warme bakker dan komen als vanzelf de beelden van mijn straat weer voor de geest. En waar ik als jong ventje samen met een vriendje op mijn rode autoped met glimmende bel mijn reis om de wereld begon. Nou ja een blokje om ging. En dan zonder dat ik van de stoep af moest, wat mij ook ten strengste verboden was. Vond ik overigens wel jammer omdat juist aan de overkant de zon vaak scheen. Maar de straat uit en de hoek om, kwam ik toch in de zonovergoten Rochussenstraat terecht. Daarna rechtsaf de Mathenesserlaan op om verderop weer rechts afslaand de Breitnerstraat in te rijden.
Lysollucht
En zo kunnen geuren net als sommige kleuren je ineens weer terug in een andere tijdzone brengen. Vaak leuke en soms minder leuke momenten uit het verre verleden. Zoals de keer dat ik een lelijk gat in mijn knie viel, toen ik door een bewaker met een grote hond achterna gezeten werd. Natuurlijk had ik daar ook niks te zoeken op dat bouwterrein, waar ik spelenderwijs op terecht was gekomen.
Die wond net onder de knie moest gehecht worden en nog herinner ik mij de lysollucht, die daar in dat uit de oorlog overgebleven deel van het Coolsingel-ziekenhuis hing.
Hoe wonderlijk eigenlijk, dat ik jaren later met de vrachtwagen en inmiddels werkzaam bij Van Gend & Loos al die bedrijven met de geur uit mijn kindertijd weer tegen kwam. Tijdens onze pendeldienst naar Van Nelle bijvoorbeeld die een grote klant was en waar we veel goederen voor vervoerden. Spullen brengen bij dezelfde broodfabrikant en het destructiebedrijf die ik vroeger in de straat rook. En zwervend over het raffinaderij terrein van de Shell of de Esso tussen sissende en stomende leidingen op zoek naar het magazijn of de onderaannemer die op zijn spullen wachtte. En waarvan de benzine of oliegeur regelmatig, als de wind uit de verkeerde hoek kwam, over de stad dreef.
Nog zo’n mooi onderdeel van ons prachtige beroep. Je kwam op plaatsen waar de gemiddelde burger geen weet van heeft. Waar alleen de werknemers van die bedrijven bekend mee zijn en toegang hadden. Net als de chauffeur die daar zijn goederen kwam lossen. Altijd op zoek naar het magazijn. Beschermd door het uniform zodat je nooit gevraagd werd wat je kwam doen. Of het nou de scheepswerven waren met enorme coasters in aanbouw, met die enorme herrie van staal op staal en waar die specifieke geur hing van bewerkt metaal. Of een slachthuis waar lange rijen kerels met vlijmscherpe messen in de weer waren. Zelfs bouwterreinen hadden geen geheimen voor ons.
Uitgekookte beenderen
Zoveel verschillende soorten bedrijven die wij bezochten. De lijmfabriek waar je echt veel moeite had met de lucht van uitgekookte beenderen. De chocoladefabriek van De Heer in Rotterdam, waar het zo heerlijk naar cacao rook. De margarinefabriek met een geur van boterzuur die je wel wat erg sterk vond ruiken. Die broodfabriek in de Spaanse Polder waar de warmte van de ovens je tegemoet straalde of dat galvaniseerbedrijf in Vlaardingen waar grote metalen delen in een enorm bad gedompeld werden, die een gevaarlijk zuur bevatte en waar je vlak langs moest lopen op weg naar de magazijnmeester.
Alcohol
Net zo link als dat open mangat in de vloer bij een stokerij in Schiedam, enkel afgebakend met een los rood/wit hekje, waar een tankwagen van Jawico zijn lading alcohol loste. En nog herinner ik mij de mooie donkere jongens, die grijs van het stof in de bezemfabriek van Capelle aan den IJssel aan het werk waren. Mensen uit de Antillen, afkomstig van de prachtigste tropische eilanden in het Caribisch gebied en hier in die bedompte donkere en zwaar stoffige ruimte zonder noemenswaardige bescherming hun centjes probeerden te verdienen.
En zo liep je ook regelmatig in het havengebied van Rotterdam met de bekende geur van teer en specerijen op zoek naar de ambtenaar. Of zocht je weg in dat oude pakhuis waar het sterk naar de wijn rook, die er was opgeslagen. En toen ik dat jaar als chauffeur op een geldwagen bij Van Gend & Loos Service BV werkzaam was, liep ik net zo makkelijk de met grote zware deuren beveiligde kluizen binnen. Of hermetisch afgesloten ruimtes waar het personeel stapels bankbiljetten aan het tellen waren. En jawel het klopt, daar viel niks vreemds te ruiken. Geld stinkt immers niet. Wel de lucht bij onze loods aan de Westzeedijk, waar aan de overkant regelmatig de met koeienhuiden beladen vrachtwagens stonden te wachten om bij Kaufmann’s huidenhandel gelost te worden.
Knollen en spruitjes
Ach en hoe moet het thuis niet geroken hebben. De etenslucht van knollen of spruitjes of die van de buren uit het verre Indië. Gelukkig heb ik daar geen actieve herinnering meer aan. Mijn vader rookte sigaren en mijn moeder de nodige filtersigaretten al dan niet met menthol. Bovendien was het toen heel normaal dat je alleen op zaterdag in bad ging terwijl je net zo makkelijk de sokken van de vorige dag aantrok. Of nog een dag daarvoor. En dat met een gezin van zeven personen. Samen met de boenwas van mijn moeder en een kolenkachel die lustig brandde toch een aardig bedompt atmosfeertje lijkt mij zo.
Een wel heel speciaal geur-moment ontstond toen ik na mijn pensionering samen met mijn kleinzoon een goederenwagon binnen stapte in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Het was eigenlijk best een lugubere plek, omdat met zo’n wagon de joden naar de concentratiekampen werden vervoerd in de oorlog. Maar ineens waande ik mij weer terug op mijn werk aan de Westzeedijk in een tijd waar lange rijen goederenwagons stonden opgesteld om geladen te worden. Ook daar hing in de houten bekleding die specifieke lucht van het vervoer van allerlei producten en stoffen uit een ver en lang verleden.
Eigenlijk dezelfde vreemde lucht als in onze oude opleggers. Niet altijd even onaangenaam al was de vislucht die er soms hing nou niet bepaald lekker te noemen. Net zo als het zuur van een om gevallen accu behoorlijk kon irriteren. Om de darmen niet te vergeten, die als palingen uit een omgevallen ton konden glibberden. Bedenk daarbij dat in die tijd onze opleggers nog geen ventilatie openingen hadden en de temperatuur met een zonnetje aardig kon oplopen. Nee dan kon je toch beter een open gescheurde zak met specerijen of koffiebonen tegen komen. Net zo als pas gemaaid gras of heerlijke geur van de warme bakker.
Wim van der Klein
klein2@zonnet.nl
Met ‘toko op wielen’ langs Indische Nederlanders
Al sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we woningnood. Oplossingen werden ook bedacht zoals in de jaren ‘40 werd het verplicht inwoning te nemen als een woning meer kamers had dan gezinsleden. Eind jaren veertig kwamen de mensen uit voormalig Nederlands-Indië die ook gehuisvest moesten worden. Die werden meestal onder gebracht in pensions. Daar kregen de mensen gekookte aardappels, spruitjes, bloemkool, stamppot etcetera. Dat is een hele overgang, als je gewend ben aan Indische eten.
Er waren bedrijven die complete Indische gerechten leverden in rantangs. Dat zijn 4 à 5 kleine pannetjes op elkaar die in een soort frame zitten. In het onderste pannetje zat heet water. Deze rantangs werden dan dagelijks afgeleverd bij de Indische klanten met een abonnement.
Volkswagenbus
Helaas was dat niet overal beschikbaar. Bij de meeste pensions mochten de mensen niet zelf koken, omdat ze bang waren voor brandgevaar. Gelukkig waren er ook pensions waar ze zelf hun eigen maaltijd mochten bereiden. Maar in die tijd waren er heel weinig toko’s of winkels waar je Indische ingrediënten kon kopen, vooral als je niet in de stad woonde.
Onze vader heeft toen een Volkswagenbus aangeschaft en ingericht als een Warung Keliling. Zeg maar een soort toko op wielen. Met deze bus gingen we vanuit Rotterdam op pad langs pensions en afgelegen plaatsen en Ambonezenkampen.
Als kind heeft dat heel veel indruk op me gemaakt, mensonterend hoe bij sommige locaties de mensen waren gehuisvest. Hele kleine kamers of ruimtes, sommige gescheiden met een groot gordijn of kartonnen platen, en dan nog eens vaak zonder ramen. Heel triest en deprimerend.
Respect
Wat ik toen nog niet wist, dat de meeste mensen alles achter hebben moeten laten. Daarbij hadden ze traumatische ervaringen met de Jappenkampen en later de Bersiap-tragedie. Gezinnen met vier kinderen in twee kleine kamers…
Wat ik me herinner is onder andere dat er een man was die in Indië een heel groot accountantskantoor met heel veel medewerkers had. Die moest hier in Nederland opnieuw examen doen! Een ander was hoofdcommissaris bij de politie. Die moest hier de straat op. Dat heeft hij geweigerd. Hij is heel hard gaan studeren en is inkoper geworden bij het Ministerie van Defensie waar hij tot zijn pensioen heeft gewerkt.
Ik zag iemand geknield op de grond zitten en was verwonderd wat hij aan het doen was. Zijn buurman deelde mij mee dat hij aan het bidden was. Dat was mijn aller-
eerste ontmoeting met een moslim.
Tijdens het afleveren van een bestelling in een Ambonezenkamp zag ik in een kamer een toiletbril hangen met een portret van Koningin Juliana er in!
Helaas heb ik verhalen gehoord en situaties gezien die ik liever niet wil vermelden. Ik heb enorm veel respect voor de Indische Nederlanders hoe ze het hebben gered ondanks alle tegenslagen, trauma’s en onbegrip.
Rob van Olphen
robvanolphen@icloud.com
Liefde voor jeugdboeken met de paplepel ingegoten
Van 1 tot 12 oktober is het Kinderboekenweek. Dat is een jaarlijks evenement dat is begonnen in 1955. In 1954 was er het kinderboek van het jaar, namelijk ‘Lawines Razen’ van An Rutgers. Dat boek is ook als hoorspel over de radio uitgezonden. Sinds 1955 was er een Boekenweek voor de kinderen en kwam er elk jaar een Boekenweekgeschenk uit. Het thema is dit jaar ‘Avontuur’.
Mijn vader had een boekwinkel. Mijn animo om te lezen werd natuurlijk gestimuleerd. Op mijn vijfde kon ik al eenvoudige boekjes lezen van Jan Ligthart bv. Toen ik naar de lagere school ging was ik erg blij om alles wat ik zou kunnen gaan leren. Als wij klassikaal gingen lezen was ik altijd ver vooruit, maar ik had mijn hand op de plek waar de klas aan het lezen was, zodat ik als ik aan de beurt was gelijk op de goede plaats verder kon.
Eenvoudige boekjes
Het lezen begon natuurlijk met eenvoudige boekjes. Tup en Joep, Okkie Pepernoot, Pinkeltje, Saskia en Jeroen. Ik mocht toen ook al klanten helpen door boekjes aan te wijzen en aan te bevelen. In novembertijd kwamen de zondagsschoolboekjes van de Uitgeverijen Callenbach en Meinema. Dan kwamen dames boekjes uitzoeken voor de kinderen. Voor de jongere kinderen waren dat veelal boekjes van W.G. v.d. Hulst: Bruun de Beer, Kareltje, Het klompje dat op het water dreef, Het plekje dat niemand wist. Voor de oudere kinderen waren dat meestal de boekjes van uitgever Meinema. Dus was er veel te lezen voor mij.
Sprookjes
Nu was het zo dat veel van die boekjes gingen over kinderen die in dorpen woonden. De kinderen sprongen over slootjes en liepen door het bos naar oma en opa. Dat was voor ons Rotterdammertjes een heel onbekend gegeven. Voor mij waren die boekjes ook meer als sprookjes, leuk om te lezen maar natuurlijk niet echt. Later las ik Kruimeltje, Peerke en zijn kameraden. Dat speelde meer in de stad maar dan in vroegere tijden. Ook de klassieke kinderboeken heb ik allemaal gelezen. Abeltje, Dik Trom, Pietje Bell, Alleen op de wereld. Wat grote indruk op mij had gemaakt was het boek Jeroen en de zilveren sleutel van Daan Zonderland. Het was ook een soort sprookje waarin dieren spraken.
Ik kreeg ook boeken voor mezelf met verjaardag en met Sinterklaas. En met de Kerst van de Zondagsschool. Soms ook voor mijn rapport. Mijn eerste plaats om boeken op te bergen bestond uit twee plankjes met zijkant boven mijn bed, 50 centimeter breed. Langzaam groeide mijn verzameling boeken. Toen ik 12 was kreeg ik een metalen rek met drie planken, rood, geel en zwart met grijze zijkanten. Uit nostalgische overwegingen heb ik die heel lang gehouden. Maar met een verhuizing is hij in de strijd gebleven. Toen ik 18 jaar oud was heb ik zelf een boekenkast gekocht van teakhout, een meter breed met drie planken. Die heb ik nog steeds. Die kast was toen niet gelijk vol, maar ik zette er ook snuisterijen in en op.
Uittreksels
Toen de Kinderboekenweek werd ingesteld, was ik er eigenlijk al te oud voor. Ik las geen kinderboeken meer. Later heb ik de schade ingehaald door boeken van Thea Beckman te lezen en van Tonke Dragt. Dat zijn toch klassieke kinderboeken geworden.
In 1956 ging ik naar de M.M.S. En dat was een goede opleiding om betere boeken te lezen. Voor mijn examen moest ik 25 boeken lezen voor Nederlands, 12 voor elk van de vreemde talen, Engels, Duits en Frans. Daar maakte ik ook uittreksels van. Die waren ook wel te koop, maar je leert er het meeste van om het zelf te doen. Voor Nederlands moesten er boeken uit alle eeuwen op je lijst staan. Omdat het eind jaren 50 was, waren er een heleboel boeken domweg nog niet verschenen. Wij lazen allemaal Het Stenen Bruidsbed van Mulisch, Het Bittere Kruid van Marga Minco, verder boeken van Couperus, Van Eeden, Bordewijk, Elsschot, Anton Coolen. Ina Boudier-Bakker, Aart van der Leeuw, Hildebrand natuurlijk en Multatuli.
Rotterdam boeken
Veel later kochten mijn man en ik veel boeken over Rotterdam: bijvoorbeeld Het prentenboek van Rotterdam, Rotterdam op gekleurde ansichten, Rotterdam breed gezien. En ook specifieke boeken over bepaalde wijken. Zo breidde onze verzameling boeken zich uit. Mijn man maakte zelf in zijn vakantie vier boekenkasten en zo kijk ik nog regelmatig in de anderhalve meter boeken, die een beeld geven van de Rotterdamse geschiedenis.
Tiny van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Theo gebruikte de Laurenskerk als schildersatelier
Jaren geleden stuurde de Rotterdamse schilder Theo Huson ons een verhaal over de Laurenskerk. Het haalde destijds onze krant niet, maar het is te bijzonder om het zomaar te laten liggen. Zeker nu wij in deze krant heel veel aandacht geven aan de trots van Rotterdam, met een fraaie speciale bijlage over de Laurenskerk.
Wie iets bewaart, heeft iets en daarom bij deze alsnog het verhaal van Theo Huson.
Mijn verhaal over de Laurenskerk is begonnen in 1988. Als beeldend kunstenaar werd de kerk mijn schildersatelier. Ik vroeg de toenmalige directeur de heer Brussee: “Mag ik één schilderij in de kerk maken?” Hij begon moeilijk te kijken, maar ik zei snel: “Ik ben een goede schilder!”
Toen zei de directeur dat het goed was. In totaal heb ik vanaf 1986 in de kerk, met een kleine onderbreking van 2003 tot 2007, tot 2016 zestien schilderijen gemaakt in de kerk.
Toen ben ik gestopt. Mijn schilderen, al zeg ik het zelf, zijn uniek vergeleken met de oude schilders van de kerken in Holland. Bijvoorbeeld een schildering van spoorrails die door de kerk lopen, een beeld van de Laurenskerk 2000 jaar later. De bestaande tunnels zijn ondergelopen door de stijging van de zeespiegel en als noodmaatregel hebben ze het spoor verlegd, dwars door de kerk heen.
Geheimzinnigheid
Tijdens een expositie van mijn schilderijen in de Laurenskerk bleef ik gewoon doorschilderen. Op een gegeven moment kwam een jonge vrouw bij mij staan en ze zei: “Meneer, ik word bang van uw schilderij.” Ik vroeg waarom. Ik had ook een brandende kroonluchter geschilderd, dus er was ook plaats voor romantiek. Toen ze wegliep ben ik over het schilderij gaan nadenken. Misschien was deze vrouw joods!?
Er staat op het schilderij bij een rails een jonge vrouw. Die kijkt verwonderd om zich heen. Toch heb ik meer gehoord dat er mensen zijn die aan Auschwitz denken. Het schilderij straalt onder andere geheimzinnigheid uit. Mijn laatste schilderij heb ik dus in 2016 gemaakt. De eerste twee jaar vanaf 1986 zat ik elke dag te schilderen in de kerk. Zelfs op maandag. De kerk was dan gesloten en ik had heel de kerk voor mij alleen. ’s Middags om vijf uur kwam Jannus de Jong de kerk sluiten.
Elvis
Doordeweeks schilderen met publiek is heel interessant. Zoveel mensen ontmoette ik, waaronder de acteur Luc Lutz, een operazangeres uit Dresden verbonden aan de Sample Opera en heel veel kunstenaars.
In de jaren 80 ontmoette ik Joe Esperito, de enige vriend van Elvis Presley. Joe heeft Elvis dood gevonden in de badkamer. Een vriendin belde vanuit het huis van Elvis: “Joe, kom kijken. Er is wat met Elvis gebeurd.”
Een arts verklaarde dat Elvis dood was. In 1986 zat ik te schilderen, toen een paar mensen bleven kijken tot ik mij omdraaide en vroeg: “Waar komen jullie vandaan?” “Uit Memphis”, zeiden ze. Ik zei gelijk: “Elvis Presley!” Toen stapte een ietwat oudere heer op mij af, stak zijn hand uit en zei “Joe Esperito”. De jonge vrouw die erbij was bleek het huis van Elvis te beheren en ze vroegen aan mij of ik langs wilde komen om dat huis te bezoeken. Helaas kon ik niet komen. De volgende dag stond in de krant dat Joe naar Holland was gekomen voor een Elvis-meeting. Jammer genoeg had ik geen fototoestel bij de hand. Dat zijn toch de leuke dingen die ik meemaakte in de kerk.
Boek
In oktober 2018 werd een boek gepresenteerd in de Laurenskerk. De schrijver heeft er zeven jaar aan gewerkt. Hij heeft zestien schilderijen in zijn boek geplaatst. Het heet ‘De geschiedenis van de Laurenskerk vanaf 1400 tot heden en telt 600 bladzijden.
Mijn schildertijd begon al na de oorlog. Mijn moeder schilderde ook. Als kind stond ik altijd naar haar werk te kijken. Als jongen van 12 jaar begon ik koppen van
Rembrandt te kopiëren met olieverf. Elk jaar kwam er visite uit Parijs en Italië. Wij woonden aan de
Admiraliteitstraat 13.
Toneel
In 1953 werd ik aangenomen bij Leo Mineur, waar ik heb gewerkt tot 1958. Wij maakten toneeldecoraties en bioscoopreclames voor de Rotterdamse bioscopen. In 1960, na de tijd bij Leo Mineur, werd ik kunstenaar, maar werd ook aangenomen bij het Rotterdams Toneel. Ik zou een opleiding krijgen voor belichting van toneelvoorstellingen. Maar uiteindelijk werd dat toch een andere, jonge man. Maar ik heb in die tijd wel veel toneelspelers gekend, waaronder Guus Hermus, Willem Nijholt en de gebroeders Lutz.
Theo Huson
Wie iets beleefd vraagt, krijgt vaak z’n zin
In 1986 waren we nog niet met pensioen, maar door het werken in het onderwijs hadden we toch een heerlijk lange zomervakantie, die we doorgaans in Frankrijk doorbrachten. Dat begon in de zestiger jaren, met een zeer oude overgenomen tent, daarna met een vouwwagen en uiteindelijk met een kleine caravan. We stonden er zelf versteld van wat we daar ingepropt kregen, eerst nog met en later zonder de kinderen.
In deze grote zomervakantie van 1986 togen we dus weer op weg. Dit keer wilden we een tijdje doorbrengen in de Dordogne, op een bij toeristen minder bekende plek. We waren daar eerder geweest en dat was goed bevallen. Maar eerst reisden we, zoals gewoonlijk, altijd op een toeristische manier naar ons einddoel.
We kozen deze keer voor de westelijke kant van Frankrijk. Via campings bij Amiëns, in Tilleul in Normandië en in Mûr-Erigné, bij Angers, waar we wat flesjes Loirewijn hebben ingeslagen, trokken we naar het zuiden en meteen ook meer het binnenland in. Na aanvankelijk hier en daar wat regen en fris weer, werd het nu steeds warmer. We kozen voor de autoroute Tours-Poitiers en daarna de weg naar Limoges en Brive, om ons tenslotte aan te melden op de ons door een Engels echtpaar aanbevolen gemeentecamping in Magnac-Bourg. Het bleek een goede keuze. Alles was er dik in orde en dat voor een zeer lage prijs. Van hieruit hebben we enkele mooie tochten gemaakt en plaatsen bezocht, zoals Uzerche,, Le Saillant, Perpezak. We wandelden door de mooiste oude dorpjes en straatjes, waar de tijd leek te hebben stil gestaan. Ook ontmoetten we er een heel lief Frans echtpaar, een gepensioneerde wijnvertegenwoordiger en zijn vrouw. Zij raadden ons aan om op te terugweg via La Rochelle te reizen en daar bij de visafslag te gaan eten.
Mopperende mensen
De reis ging verder naar Cahors en van daaruit bezochten we het zeer oude vestingstadje St. Cyr-la-Popie, beeldschoon, maar natuurlijk ook Cahors zelf. Het werd echter tijd om naar ons einddoel te rijden. Via een prachtige tocht door de wijnroute van Cahors, richting Bergerac, kwamen we aan op de bedoelde camping van Castillon-la-Bataille, gelegen aan de rivier de Dordogne. Ook hier werd het weer een gemeentecamping, zonder poespas. Van glamping had nog niemand gehoord en als het sanitair in orde en schoon is en de plaatsen niet te klein, dan waren wij tevreden. Een vorig jaar werd de camping geleid door een mevrouw, kennelijk een ambtenaar van de gemeente en dat deed zij prima. Nu werden we op de receptie ontvangen door twee jongemannen, waarschijnlijk studenten.
“Oké”, dachten we, “ook goed”, maar dat pakte toch anders uit. Op deze camping rustten we wat uit, bezochten we nog wat in de omgeving en genoten we van het mooie weer. Ook ontmoetten we er een vriendelijk Frans echtpaar, waar we wat meer contact mee kregen. Op onze trouwdag in juli hebben we ze uitgenodigd bij ons te eten en later waren wij welkom bij hun prima barbecue maaltijd. Maar intussen merkten we dat de meeste Franse gasten om ons heen behoorlijk begonnen te mopperen en ook bij ons steeg een zekere ontevredenheid.
De camping begon er verwaarloosd uit te zien, het sanitair werd niet goed schoon gehouden en er waren sluitingen en lampen kapot, zonder dat er iets werd gerepareerd. Er waren zelfs families die voortijdig vertrokken. Als antwoord aan die mopperende mensen zeiden we dat ze dan konden klagen bij de gemeente. O, maar nee, dat deden ze niet. Het kon echter zo niet doorgaan. Deze jongens hadden er geen kaas van gegeten, veel te jong en onervaren om die verantwoording aan te kunnen.
We zeiden dat wij dan wel naar de gemeente zouden gaan. De monden vielen open.
Forse meneer
Op een middag daarna zouden we gaan zwemmen in een zwembad in het stadje. We stapten op onze fietsen en reden meteen naar het Hotel de Ville, het gemeentehuis en daar vroegen we om degene te mogen spreken die verantwoordelijk was voor de camping. Het meisje verschoot van kleur, maar leidde ons naar een kamer. Daar troffen we een forse meneer aan, met een flinke bos zwart haar en zo’n zelfde snor, gezeten achter een gigantisch bureau. We stelden ons netjes voor en begonnen met Frankrijk, de streek en de camping de hemel in te prijzen. We vertelden dat we er meer waren geweest en dat de camping toen zo keurig werd onderhouden door een mevrouw. En toen kwam het verhaal dat de jongens die er nu waren aangesteld, hier toch niet zo geschikt voor bleken te zijn en door hun leeftijd en onervarenheid misschien nog niet in staat waren om die verantwoordelijkheid te dragen. Dus zonder ze echt aan te klagen. Ook zeiden we dat er al mensen waren vertrokken. De man keek ons verschrikt aan en kon niets anders uitbrengen dan: “Dat wist ik niet, daar wist ik niets van……” Wij antwoordden voorzichtig: “Misschien kunt u eens gaan kijken”. Nou, dat zou in orde komen. Daarop hebben we hem beleefd en vriendelijk bedankt en zijn we lekker gaan zwemmen.
Netjes
En nu blijkt dat wat wij onze kinderen al jong hebben geleerd, vaak goed uitpakt: “Je kunt alles zeggen, als je het maar netjes doet”. Toen wij terugkwamen op de camping stonden er groepjes gasten te praten en toen ze ons zagen was het: “Wat hebben jullie gedaan? Er is een ploeg mensen gekomen en alles is gerepareerd en schoon gemaakt”. Tja, die eigenwijze, eigengereide Hollanders. We zijn er toevallig nooit meer terug geweest. Frankrijk is zó groot en bijna overal zó mooi, maar helaas, wij zijn inmiddels zó oud… De terugreis ging inderdaad over La Rochelle, waar we werkelijk bijzonder en lekker hebben gegeten in het restaurant van de visafslag.
Corrie Gelderman
hancogel@kpnplanet.nl
Een beetje thuiskomen in Suriname
Het zou echter tot 2014 duren voordat ik met mijn vrouw naar Suriname op vakantie ging. Een land dat voor 80 procent bedekt is met regenwoud. Het lijkt in de verste verte niet op Nederland en toch klinkt het iedere ochtend: goedemorgen. Een vliegtuig van de KLM met 408 passagiers en 20 bemanningsleden overbrugde 7707 kilometer en met de aankomst op vliegveld Zanderij begon ons avontuur. De eerste dagen brachten we door in Paramaribo met o.a. een bezoek aan fort Zeelandia waar zoveel over te vertellen valt. Er waren veel historische plaatsen met achtergrondverhalen. Op weg naar Atjoni een havenplaatsje bezochten we het Oost-Surinaamse marrondorp
Moiwana waar in 1986 een bloedbad werd aangericht.
De jungle
Bij het plaatsje Atjoni vertrokken we met korjalen de binnenlanden in met een overnachting op een schilpaddeneiland. Wat een prachtige kennismaking met de dorpsoudste en de bewoners. Met lange stokken werden er mango’s uit de bomen geklopt en voor ons klaar gemaakt. De andere dag ging het met korjalen verder op weg naar Danpaati, een lodge aan de boven Surinamerivier. Onderweg passeerden wij traditionele dorpen, vrouwen die de was doen in de rivier. Kinderen die spelen in het water en pannen die in het water worden schoongemaakt. Het was een betoverende reis over het water. Een aantal dagen verbleven wij op het eiland en maakten dagtrips naar het dorpje Dan. We bezochten een school en met mijn mondharmonica verzorgde ik een optreden voor de kinderen die daarna ook voor ons gingen zingen.
Het oerwoud in
De gids, die al een hoge leeftijd had, gaf in het oerwoud uitleg over de natuur. Hij liet in tien minuten zien hoe je met palmbladen een dak voor een hut kon vlechten. Het is een voorwaarde voor een man om een eigen hut te kunnen bouwen voordat hij gaat trouwen. Onze tocht door het oerwoud werd spannend toen onze gids plotseling bleef staan. Op het bospad had hij een slang gezien die omhoog kwam en siste. Met een kapmes hakte Simon een grote tak af en sloeg hierna de slang dood. Later bleek dit een langpuntslang te zijn die door Simon ter plekke werd begraven. Het bleek later een zeer giftige slang te zijn.
Een grote afbeelding in onze woonkamer herinnerd ons iedere dag aan ons avontuur in Suriname.
Han Karels / hankarels1946@outlook.com










