Een reisje door het Rotterdam van mijn jeugd
Hoewel ik vanwege mijn leeftijd al een aantal jaren in mijn regio gratis met het openbaar vervoer mag reizen, maak ik daar eigenlijk zelden gebruik van. En als het er dan toch eens een keer van komt, ga ik met de metro, waarvan het beginpunt zich op vijf minuten loopafstand van mijn woning bevindt. En dan rij ik binnen twintig minuten van mijn woonplaats naar het centrum van Rotterdam. Hoe mooi wil je het hebben?
En vandaag was die reis dus weer eens aan de orde. Mijn oudste kleinzoon had een appje gestuurd dat hij weliswaar in het trotse bezit van een echt vinyl was gekomen, maar dat een draaitafel bij hun thuis helaas ontbrak. Begreep nu dat hij een langspeelplaat bedoelde. En of opa daar een oplossing voor wist. Natuurlijk had hij al lang die ongebruikte draaitafel op mijn bureau in de hobbykamer gezien. Een oud lelijk geval, waar ik nog maar zelden gebruik van maak. Nou ja op die ene keer een tijdje terug dan toch, toen ik een oude plaat uit mijn uitgebreide verzameling draaide. Iets van Pink Floyd. Het draaien van de plaat en het geluid viel mij eerlijk gezegd wat tegen. Niet alleen had ik die plaat kennelijk toch aardig grijs gedraaid, maar bovendien moest ik na een kwartiertje luisteren mij weer moeizaam uit mijn luie zetel overeind hijsen om die plaat om te draaien. Wat dat betreft gaat dat met mijn iPad via een streamingdienst toch een stuk simpeler.
Ter Meulen
Maar goed, een kraakje hier en daar, het overspringen van een groef en die bekende tik van die kras in de plaat had ook wel iets. Nou zaten er wel wat simpele speakers bij, wat het geluid ook niet ten goede kwam en daarom had ik een goede reden voor een bezoek aan een grote elektronicawinkel op het Binnenwegplein in Rotterdam. Je kan die knul toch niet met een hele slechte kwaliteit speakers opzadelen. Nou ga ik u daar verder niet mee lastig vallen, maar wel wil ik graag iets kwijt over mijn terugreis naar huis. Ik zat namelijk ineens weer helemaal terug in mijn jeugd. Daar aan de overkant zat toch warenhuis Ter Meulen? Met dat mannetje voor de deur, die druk bezig was met het bakken en verkopen van die overheerlijke stroopwafels. Net als die meneer met zijn Berliner Bollen. Had je geluk dan was er ook een optreden van de Amazing Stroopwafels in de buurt. Nee de Lijnbaan, waar het altijd heerlijk flaneren was, laat ik nu even links eh… rechts liggen. Om de grote drukte bij station Beurs te ontlopen besloot ik een paar metrostations verder weg te nemen.
Ik liep de Oude Binnenweg op, waar ik zeven jaar lang mijn jongens-voetstappen op weg naar school heb achter gelaten. Ben een keertje blijven zitten, vandaar. Nee die hal van de bioscoop met de spannende foto’s van de ranzige films die er draaide, is er niet meer. Net zoals de zeeviswinkel van P. de Vries, waar de dikke palingen in het groene water in de etalage lagen te kronkelen, helemaal verdwenen is. En zo mis ik ook dat kleine tabakswinkeltje waar de moeder van mijn klasgenoot Victor, die zo mooi blokfluit kon spelen, de scepter zwaaide. Niet mijn meest favoriete instrument, overigens.
Ook die ijswinkel Venezia bestaat nog steeds, maar nu wel gesloten. Wellicht overwinteren de nieuwe uitbaters nu ook in Italië, zoals de oude helaas overleden eigenaar uit mijn tijd dat ook altijd deed. Waarbij zijn winkel steevast gedurende die wintertijd in een bontzaak veranderde. Café Timmer zit er ook nog, zag ik, net als Melief Bender. Kwam nooit in die horecagelegenheden hoor, maar rende er als klein jochie langs op weg naar mijn school in de Mauritsstraat.
Het ene trottoir van de Nieuwe Binnenweg lag open vanwege werkzaamheden, dus maar voor de schaduwkant gekozen. Nee er was geen zon, maar dat wist ik nog uit de tijd dat ik er op mijn autoped rond reed. De passage waar je zo lekker kon rolschaatsen door de gladde vloer heet nu de Hobokenstraat. Net als al die noodwinkels allemaal verdwenen. De Nieuwe Binnenweg is nog best breed, maar in die tijd lukte het ons nog gewoon om daar aan de overkant hoog boven het straatgewoel onze zelf gedraaide papieren pijltjes door de open ramen naar binnen te schieten. Toch een prestatie waar je trots op was.
Plotsklaps hoorde ik het bekende geraas in de bocht op het eind van die weg en ja hoor daar kwam de tram aan. En ineens maakte mijn hart een sprongetje. Natuurlijk, die pak ik voor de terugreis in plaats van dat ondergrondse gedoe. Niet lijn zeventien trouwens, waarmee wij altijd naar het Laantje van Nooitgedacht reden om vandaar naar het Kralingse Bos te wandelen, maar lijn zeven naar Woudestein. Ook mooi, kon ik van daar het laatste stukje verder met de metro naar huis.
En het was toch weer genieten die rit. Nee dat plaatsje bij de bestuurder kon ik wel vergeten. Die zit tegenwoordig op een echte stoel en ook nog eens in een afgesloten ruimte. Kon nog maar een heel klein beetje meekijken door dat donkere glas, maar dat houten verticale stuurwiel waarmee de tram op gang kwam kon ik nergens vinden. Net als die zilverkleurige slinger waar altijd verwoed aan gedraaid werd bij elke halte. Zal wel een pienter pookje zijn geworden. Het knopje waar altijd om gevochten werd wie erop mocht drukken, was er nog wel. Voor het seintje aan de bestuurder om bij de volgende halte te stoppen. Dom en overbodig natuurlijk, we moesten er bij het eindpunt toch altijd al uit.
Het was lekker warm in de tram en ook de geur was verbeterd. Niks geen nare lucht meer van natte regenjassen, maar een mengsel van lekkere odeurtjes waar sommige reizigers zich flink in gehuld hadden. Ik had een plaatsje bij het raam en keek geïnteresseerd naar buiten, terwijl de tram door het drukke verkeer kroop. Hoogbouw natuurlijk, maar nog genoeg aanknopingspunten die ik herkende uit mijn jeugd. Daar viel ik dat gat in mijn knie, waarvan het litteken nog altijd zichtbaar is van de hechtingen, waarmee een wat onverschillige arts in het oude Coolsingel ziekenhuis de wond sloot.
Langs het Centraal station waar vroeger die grote klok aan de wand hing en met mijn moeder op de trein naar haar zus in Arnhem stapte. Dezelfde stad waar ik jaren later de grote liefde van mijn leven vond. Over het Hofplein waar ik zoveel rondjes reed tijdens mijn rijles en wat vaak een vast onderdeel van het rijexamen was. Door het oude Crooswijk, de wijk waar ik stage in een bloemenwinkel liep en de Lagere Tuinbouwschool doorlopen heb.
En daar op die plek in de verte waar de veemarkt was, slenterde ik vaak tussen de handelaren en het vee. Ach en dan door het oude Kralingen, mijn eerste levensjaren heb ik daar doorgebracht en later nog als tuinman gewerkt. Maar over dat onderwerp heb ik u inmiddels al genoeg verteld. Alleen die rit met de tram ga ik toch nog een keertje over doen. En als u het deze keer leuk vond, neem ik u een volgende rit graag weer mee.
Wim van der Klein / klein2@zonnet.nl
Met de tong uit de mond K.E.S.-zegels plakken
Soms opent een vergeten laatje met een klein stapeltje een hele wereld die al jaren stof lag te happen. Dat gebeurde bij mij toen ik met enige weemoed een oud boekje terugvond: een K.E.S.-spaarkaart. Keurig bewaard en bijna helemaal vol. De randen wat verkleurd, het papier een tikje zacht geworden van de tijd, maar de rode zegeltjes knalden me nog net zo fris tegemoet als vroeger.
De rode zegeltjes keken me vragend aan alsof ze vroegen: “En? Ga je ons nu eindelijk eens inleveren na zoveel jaren?” De K.E.S.-zegels, waarvan de letters stonden voor Kopen En Sparen, waren in de jaren ’50, ’60 en ’70 een enorm populair spaarsysteem. Niet van één supermarkt, maar van een hele groep lokale Rotterdamse winkeliers. Mijn moeder kocht zoveel mogelijk daar waar K.E.S. -zegels gegeven werden en ik mocht ze opplakken en inleveren en het geld als zakgeld houden.
Die winkels vormden de ruggengraat van de Rotterdamse buurten. Je kreeg er advies, je kreeg er service — en je kreeg er K.E.S.-zegels. Het boodschappen doen was vooral een gezellige ontmoeting met de buurt en tussen de buren. De zegels waren het bewijs dat je niet onverschillig zomaar wat kocht, maar dat je investeerde in de toekomst. Nou ja… in vijf gulden dus.
Ritueel
Zegeltjes sparen hoorde bij het leven. Niet digitaal, niet met punten ergens in een ongrijpbare app, maar gewoon met zegels. Kleine papieren vierkantjes die overal rondslingerden: in keukenlaatjes, in portemonnees, op de keukentafel… en uiteindelijk in zo’n boekje. Bij de aangesloten winkeliers kreeg je voor iedere aankoop van fl.0,50 één zegeltje. “Bert, je kunt weer plakken hoor!” zei mijn moeder dan en dan zat ik als kind aan de tafel, met de tong uit mijn mond, zorgvuldig die rode K.E.S.-zegels recht in de hokjes te schuiven. Een serieuze taak, want als je ze scheef of buiten de hokjes plakte, dan kreeg je te horen “Bert, wel netjes plakken hoor!” Netheid was bij mijn moeder een volgzaam en belangrijk begrip.
Het geluid weet ik nog: het ritselen van het zegelvelletje, het tikje van de nagel waarmee je het zegeltje aandrukte. En dan dat grote moment wanneer weer een rij vol was. Nog eentje! Op weg naar die felbegeerde vijf gulden die ik mocht houden, een klein fortuin in een goed en blij gevulde kinderhand.
Stad vol spaaradressen
Op de achterkant van het boekje staan advertenties en namen van Rotterdamse winkeliers waar je de zegels kreeg: dierenspeciaalzaken, hengelsportzaken, tassenwinkels… winkels die allang zijn verdwenen.
Maar als je de namen leest, komen deze toen drukke en gezellige winkelstraten meteen weer tot leven. De Pijnackerstraat, de Vlietlaan, de Noordmolenstraat: het winkelende en spaarzame Rotterdam van toen schuift als een oude film voorbij met deze spaarkaart in handen. De K.E.S.-zegels hadden iets gemoedelijks. Je voelde je geen klant, maar een spaarder, iemand die een missie had.
Een volle kaart was niet alleen geld waard, maar ook een klein bewijs van doorzettingsvermogen. En ja, mijn kaart is bijna vol. Maar ik kan hem niet meer inleveren. Hij is me nu ook meer waard dan die vijf gulden ooit waren. Het is een tastbaar stukje stukje van de Rotterdamse geschiedenis én van mijn eigen jeugd.
Bert Luijendijk / bert.luijendijk@hetnet.nl
Van de hel in de hemel in de schoolbanken
Wat een aardig verhaal van Martin Stikkelorum over zijn oude schooltijd las ik in de Oud Rotterdammer van een paar nummers geleden. Aansluitend daaraan kan ik ook nog wat belevenissen ophalen en vertellen over mijn schooltijd.
Ik ben geboren in 1938 in de Roodenburgstraat in Overschie. Vier of vijf jaar later, het was inmiddels oorlog, zou ik naar de kleuterschool hebben gemoeten gaan, maar de scholen in Overschie waren bezet door de Duitse soldaten.
Wat later heb ik nog een poosje kleuterschool gehad in het Verenigingsgebouw van Overschie. Veel materiaal was er niet, maar ik heb geleerd om muizentrapjes et vouwen van papieren stroken en matjes te vlechten. Er was vast meer en we hebben ongetwijfeld kinderliedjes gezongen, maar dat herinner ik me niet meer. Toen het warmer weer werd hebben we nog wel in een grote zandbak gespeeld in de achtertuin van het gebouw.
Het hoofd van het schooltje was Juffrouw Pluim, een wat stijve vrouw van onbepaalde leeftijd. Ik heb vanaf mijn achtste jaar heb ik van haar nog pianoles gehad, saai en oubollig. Met dertien jaar wilde ik stoppen en nooit heb ik meer een toets aangeraakt.
Volle laag
Na de oorlog moest ik naar de Latere School en dat werd de Christelijke Groen van Prinsterer school, ook in de Roodenburgstraat. Hand in hand liep ik met mijn vriendin Gerda (nog steeds mijn vriendin) dapper dat grote gebouw in. We kwamen in de klas bij Juffrouw Booster, die onze klas drie jaar zou leiden (en laten lijden). Zij was een gefrustreerde ongehuwde vrouw en soms zelfs vals. Ik kon goed mee en had er misschien daarom niet zoveel last van, maar de wat zwakkere, soms onzekere, wat nerveuze kinderen kregen de volle laag. Als iets haar niet zonde tikte ze met haar ring of met een potlood op hun hoofdjes of op hun rug. Ik was een vrolijk en wat praatgraag kind en eens had ze mij ook ter pakken. Ze kneep met haar hand mijn kaken bij elkaar en schudde me zo door elkaar dat ik knikkend moest toegeven dat ik iets verkeerds had gedaan. Ik was het daar niet mee eens en eigenwijs probeerde ik weerstand te bieden, maar tegen die harde handen kon ik niet op. Je vergeet dat nooit meer.
Verzonnen verhaal
Ik denk dat het van klas twee naar klas drie was dat wij voor in de Grote Vakantie de opdracht kregen om elke dag de tafels tot tien uit te schrijven. Daar had ik dus helemaal geen zin in. Tijdens die vakantie speelden we buiten of deden we spelletjes binnen, Ook gingen we naar het zwembad, waar we onszelf zwemmen leerden.
Terug op school zag ik dat veel kinderen een stapeltje papieren bij zich hadden en ik had niets. Ik had alleen een slim, ter plekke verzonnen verhaal: “Ik wist niet dat ik het moest inleveren”. “Heb je het wel gemaakt?” “Natuurlijk”, jokte ik en ik kwam ermee weg, maar of ze me geloofde?
In klas vier kwamen we van de hel in de hemel, bij Meester Esmeijer, een nieuwe jonge en aardige man, die ook boeiend kon vertellen. We hebben met de klas nog zijn trouwen meegemaakt. De rapporten van de wat zwakkere leerlingen werden zowaar meteen ook beter.
Maar toen naar klas vijf, naar Meester de Jong, Dat was een al wat oudere en chagrijnige en heel strenge man. We zaten dus op de School met de Bijbel en op een dag, tijdens het bijbel lezen zag hij dat ik iets zei tegen het meisje naast me in de bank. O jé, dat was goed mis, Bijbelschennis, schandalig, hoe durfde ik dat, hup, achter in de klas staan en met je gezicht naar de muur. Ik stond daar een poosje en waarschijnlijk door alleen dag grote witte vlak voor me, werd ik misselijk en gaf ineens over. Daar schrok hij van. Ik mocht gelijk door een ander kind naar huis worden gebracht.
Vanaf die klas kregen we ook gymles van een wat zonderlinge man. Hij liet ons vooral elegante pasjes doen, een soort ritmische gymnastiek. Op de een of andere manier wist hij dat ik pianoles had, dus ik moest de boel maar gaan begeleiden op de daar staande piano. Balen, want ik deed veel liever mee. Ik ben er dan ook na een aantal weken mee gestopt.
Zwemles
In de zomertijd gingen we met de klas naar het zwembad en daar kregen de kinderen zwemles, Gerda en ik konden al zwemmen en hadden dat uurtje grootste pret. Ook hadden de meisjes handwerken en de jongens handenarbeid. Gerda en ik vonden het heerlijk. Wij deden dat thuis ook al veel. Daarom kregen we extra opdrachten. Het leverde het hoogste cijfer op mijn rapport op.Tenslotte werd het de zesde klas, bij het hoofd der school, de heer van Gorkum. Onze klas was gesplitst en ik moest in het deel voor “doorleren”. Dat was al een zeer moderne methode , maar of het juist was, vraag ik me af.
Verkiezingstijd
Meester van Gorkum was een zeer serieuze, strenge, maar toch aardige meester. Ik heb bij hem wel een flinke schuiver gemaakt. Het was bij een les over politiek en misschien wel in een verkiezingstijd. Ik wist nog niets van politiek, maar ik ving wel eens wat op. Hij vertelde toen iets over een Christelijke partij en vroeg aan de klas wie er nog een partij kende. Enthousiast stak ik mijn vinger op en zei: “de Partij van de Arbeid”. Helemaal fout… Ik dacht dat hij ontplofte. Komt dit je bekend voor? Tja, het is lang geleden en de mensheid is nog steeds niet wijzer geworden.
Corrie Gelderman
hancogel@kpnplanet.nl
‘De burgemeester? Mij neem je niet in de maling vandaag’
Als je met pensioen bent, ga je af en toe andere dingen doen, zoals zitting nemen in een stembureau als lid. We schrijven november 2006.
Het stembureau is gevestigd in tehuis De Steenplaat, met vele oud-schippers als bewoners en in een buurt met veel allochtonen. Ik geniet ervan te zien wat er allemaal komt binnenwandelen. En soms geniet in niet, zoals in het geval van een bewoners van het tehuis met rollator, pantoffels, bretels en vlekken op z’n broek. Hij laat duidelijk blijken dat het hem te lang duurt als een keurige heer van, vermoedelijk, Surinaams-Pakistaanse afkomst wat meer tijd nodig heeft, doordat hem een paar dingen moeten worden uitgelegd.
“Wat bedoelt u met ‘tsjonge, jonge’?” vraagt hij aan de morsige man.
“Nou, nee niks…” is het laffe antwoord.
Malloot
Dan komt er een ‘malloot’. Hij begint tegen mij op luide toen te vertellen dat hij niet wil stemmen, want hij heeft een conflict met de gemeente. Maar hij wil zeker zijn dat zijn stemkaart niet bij ons ligt, want dan gaat hij in beroep. “En dan zal de gemeente toch wel een heel zware pijp roken!”
Enfin, met wat tact, ja dat heb ik ook af en toe, en het argument dat de rij achter hem wèl wil stemmen, krijg ik hem zover het lokaal te verlaten.
Opstelten
Ik ben in gezelschap van drie vrouwelijke stembureauleden. De voorzitter is een dame van 1.60 meter hoog en bijna net zo breed. Een schat van een mens. Kust allochtone buurvrouwen die binnenkomen, geeft zwemles aan allochtone- en achterstandskinderen, doet werk in een buurthuis enzovoorts. En dit alles vrijwillig.
De tweede is van Surinaamse afkomst, heeft korte dreadlocks en een zeer aanstekelijke lach.
De derde is blond, 18 jaar, komt van Pernis en hapt op elke opmerking van mij. Ook als het geen grap is.
Ik werd de dag voor de verkiezingen gebeld door het gemeentehuis met de mededeling dat de volgende dag rond 15.00 uur de burgemeester langs zou komen. Dus ik vertelde dat ’s morgens aan de dames. Ze knikten. Later hoorde ik dat ze tegen elkaar gezegd hadden: “Ja hoor, Cor heeft weer wat, daar trappen we mooi niet in, heeft-ie er ook geen lol van.”
Dan stapt om 15.15 uur burgemeester Ivo Opstelten binnen. Ik stond op en gaf hem een hand. Hij zei met zware stem: “Blijft u maar zitten”, maar ik zei dat ik zo was opgevoed en dat de dame naast me de voorzitter was. Hij was belangstellend en vriendelijk. Een flink aantal stemmers ging met hem op de foto. Dat heb je tegenwoordig met die dingen waarmee je kunt bellen en verder zo ongeveer allesbehalve stofzuigen.
Na zo’n twintig minuten vertrok hij weer, maar de blonde dame had hem door haar pauze gemist. Dus toen de andere dames haar vertelden van het bezoek zag je haar denken: “Mij neem je niet in de maling vandaag.” Ze heeft tot 17.00 uur volgehouden dat het niet waar kon zijn.
Toen kwam er een stemmer die zei: “Leuk he, dat de burgemeester is langs geweest. Ik hoorde het van mijn vriendin, die werkt hier.”
Toen ze weer in haar stoel zat, ze was er uitgevallen, baalde ze enorm, omdat ze er niet bij was geweest.
Nood breekt wet
Dan zijn er nog de vele oudjes, maar ook allochtone mannen, die vragen of je ze even wilt helpen. Nu mag je volgens de Kieswet niet met z’n tweetjes in een stemhokje, of zoals toen achter een stemmachine, staan. Maar nood breekt wet. En dan zei ik: “Zeg het maar zachtjes in mijn oor, dan wijs ik de partij aan die u wilt hebben.” Dat leverde meestal een lieve glimlach op.
Er kwam ook een dame uit het tehuis, die bezoek had gehad van de heer Alzheimer. Ze liep achter een rolstoel met daarin een (haar?) man. Hij moet gedacht hebben plots in een kermisattractie te zijn beland, want ze bleef maar rondjes draaien met hem en vroeg of ze al aan tafel mocht zitten, omdat ze wilde eten. Ik zei dat er hier alleen gestemd kon worden. Ze vroeg lief of zij dat ook moest doen. “Ja”, zei ik, “maar u heeft een stempas nodig.”
Maar die had ze niet en ook nooit gezien. Gelukkig kwam er een van de zorghulpen haar ophalen.
Na de dag in het stembureau zouden er nog meer volgen. Ik genoot ervan.
Cor van Brug / cvanbrug@hetnet.nl
Hoe de Lentiade aanzette tot fotograferen
Een nieuwe lente en een nieuw geluid. Beroemde regels van een Nederlandse dichter, Gorter. Als u dit leest zijn de sneeuwklokjes al weer uitgebloeid. Maar de narcissen, krokussen en blauwe druifjes staan nu in bloei. De tulpen en de hyacinten zijn altijd iets later.
Het doet mij denken aan de Lentiade, jaren geleden, in de eerste Ahoyhal op de plek waar Heliport eens was, nabij het Hofplein. Ik was een jaar of 18 toen mijn zus en zwager daar naar toe gingen en zij vroegen mij ook mee. Het was een mooie happening. Na een grijze winter vrolijk je weer helemaal op als je tussen de kleurrijke bloemen door loopt.
Dia’s kijken
Mijn zwager maakte regelmatig dia’s met zijn camera. Hij zakte dan door zijn knieën en maakte foto’s van de bloemen dichtbij. Ik was ook pas overgestapt van mijn Agfa Clack naar een kleinbeeldcamera. Ik wilde dat ook wel eens proberen en volgde zijn voorbeeld. Dat ging heel precies met lichtmeting. Maar het resultaat was er dan ook naar.
Ik had een projector gekocht, een Zeiss Ikon, een scherm en een tafel. En dat werd dus een avondje dia’s kijken. Dat waren zo mijn eerste stappen met de kleinbeeldfotografie. En op elke vakantie daarna bekeken wij de resultaten.
Fotoclub
Intussen was ik lid geworden van de fotoclub van Heineken aan de Crooswijksesingel waar ik werkte. Die had een eigen Doka en ik leerde ook zwart-wit foto’s ontwikkelen. En af en toe was er een avond waarop wij elkaar foto’s beoordeelden en werd ons gewezen hoe de plaatjes nog beter gemaakt konden worden. Zo leverde ik onder andere een foto in uit Oostenrijk van bomen met daartussen een uitzicht op het dal. Het commentaar dat ik kreeg was: Als je één stap naar voren had gezet was de foto beter geweest, dan was het uitzicht mooier in beeld gekomen. Ja, was mijn antwoord, maar dan was ik wel het ravijn in gekukeld. Hilariteit alom.
Later maakte ik eigenlijk alleen nog foto’s van mijn dochter. Die plakte ik dan in fotoalbums. De dia’s, enkele sleden vol, heb ik op een USB-stick laten zetten.
Dat scheelt weer enorm in ruimte. En dan kon je de plaatjes gewoon op het televisiescherm bekijken. Nog weer later kocht ik een computergestuurde camera. Zo heeft ook de fotografie grote ontwikkelingen meegemaakt.
Tiny E. van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Op autoloze zondagen rook Rotterdam anders
Tussen de papieren van mijn vader vond ik het terug: een ongeschonden kleurig velletje met sierlijke lijnen, groene randjes en dat ene woord in hoofdletters: BENZINE. “Personenauto’s, middelgewicht”, staat ernaast gedrukt, alsof het over een keurig geklasseerde paardenrace gaat. Maar het zijn geen gewone papiertjes. Het zijn benzinebonnen uit de jaren zeventig, uit de tijd, nu meer dan vijftig jaar geleden, dat Nederland ineens bang was zonder brandstof te komen zitten.
Mijn vader bewaarde ze en dacht misschien dat ze ooit weer nodig zouden zijn, maar zal het velletje met 25 bonnen ook gewoon een bijzonder stukje waardevolle geschiedenis hebben gevonden. Een aandenken dat het behouden waard was.
Oliecrisis
Het was 1973, midden in de oliecrisis. De Arabische olieproducerende landen (OPEC) draaiden de kraan dicht en Nederland, dat zich achter Israël na de Jom Kippoeroorlog had geschaard, kreeg helemaal niets meer. Plotseling was autorijden niet meer vanzelfsprekend. De regering van Joop den Uyl kondigde maatregelen af en ineens waren er autoloze zondagen. Ik was nog jong, maar ik weet het nog: die zondagen waren stil. Geen gebrom van motoren, geen drukte op de weg. Mensen wandelden, fietsten en kinderen speelden midden op de snelwegen alsof het de normaalste zaak van de wereld was. De lucht rook anders, schoner misschien, of gewoon minder naar uitlaatgassen. De auto van mijn vader, een witte Ford Taunus 17M met zwart dak, stond voor de deur, netjes gepoetst en had zondagsrust.
De overheid had intussen de benzinebonnen laten drukken. Ze lagen klaar, keurig geordend, voor het geval het echt mis zou gaan. Elk vel had waarde: een klein stukje rijvrijheid in een tijd van onzekerheid. Maar uiteindelijk zijn ze nooit gebruikt. De olie begon weer te stromen, de zondagen werden weer gevuld met verkeer, en de benzinebonnen verdwenen in lades en mappen, als stille getuigen van een crisis die net geen echte rantsoenering werd.
De situatie op de oliemarkt stabiliseerde sneller dan verwacht. De bonnen stonden jarenlang symbool voor die onrustige tijd. Nederland besefte voor het eerst echt hoe afhankelijk het was van olie uit het Midden-Oosten. Vandaag de dag zijn ze kleine tijdcapsules, tastbare herinneringen aan een crisis die de samenleving veranderde. Ze vertellen het verhaal van zuiniger rijden, energie besparen en een nieuw milieubewustzijn dat langzaam wortel begon te schieten. En ze laten zien hoe dichtbij rantsoenering in vredestijd eigenlijk kwam.
De benzinebonnen zijn van dun papier, maar stevig genoeg om vijftig jaar te overleven. Misschien vermoedde mijn vader wel dat ik ze ooit zou terugvinden en dat ze me zouden doen glimlachen ter herinnering aan die bijzondere crisistijd en stille zondagsrust van toen.
Bert Luijendijk / bert.luijendijk@hetnet.nl
IJsbloemen, warme chocolademelk en ijssie piepen
Men neme een beker en doet daar een schepje cacaopoeder in. Daarna een schepje suiker en roert het geheel naar een lichtbruin mengsel. En maak er dan met een klein scheutje water een mooi bruin glad papje van. Daarna verwarmt u de melk tot het kookpunt. Kijk uit, die kan overkoken, wat bij ons thuis nog wel eens gebeurde. Net even te lang weggebleven. Waarbij de nare geur van verbrande melk zich door het huis verspreide met als duidelijke waarschuwing dat er iets niet in de haak was.
Gewoon even wachten tot je de melk omhoog ziet komen is natuurlijk altijd handiger. Later kregen we een soort witte standaard met een rond gat in het midden die je in de steelpan kon plaatsen en was dat overkoken voorgoed verleden tijd. Daarna klopt u die gekookte melk stevig op tot er een mooie schuimlaag ontstaat. En giet dat geheel in die beker. Nee een hartje in dat schuim, wat ik u trouwens van harte toewens, was in die tijd nog niet aan de orde. Diezelfde melk met schuim ging trouwens ook op dat sterke laagje koffie extract, waarmee mijn moeder haar ouderwetse bakkie leut bereidde.
U weet wel, met dat schepje Buisman om de smaak te verstevigen.
Maar mensen wat was dat lekker, die warme chocolademelk. En zo makkelijk zelf te maken. Een onderdeel natuurlijk van de koek en zopie. De attributen bij een fikse schaatstocht. En hoewel er beslist wel kwakkelwinters tussen moeten hebben gezeten, was het in mijn herinnering toch bijna elk jaar wel raak wat ijs en sneeuw betreft. De paar nog best leuke winterse omstandigheden die deze paar donkere, vaak ijskoude wintermaanden nog enigszins dragelijk maakten. Voor een kind dan toch.
IJskoud zeil
De meeste lezers zullen ze nog wel herkennen, de al veel eerder door anderen en ook door mij beschreven taferelen van dikke ijsbloemen aan de binnenkant van de ramen. Bevroren condens, die logischerwijs altijd wel ontstaat in een kleine slaapkamer met vier opgroeiende knullen in stapelbedden.
En dan vroeg in de ochtend van uit het warme bed met een dik pak dekens met je blote voeten op dat ijskoude zeil. Wat mij nu gelijk weer aan popgroep “Het” doet denken, die daar een grappig liedje over maakte.
Even een gaatje maken tussen de ijsbloemen om naar buiten te kunnen kijken en dan het enthousiasme over de langzaam omlaag dwarrelende sneeuwvlokken.
Altijd weer spannend die eerste sneeuw. Even snel alleen je gezicht, armen en nek wassen met ijskoud water. En je proberen af te drogen met een keihard half bevroren handdoek die onder de wastafel hing. En dan op een holletje de trap af met dat bundeltje kleren onder je arm. Naar de huiskamer waar het vuur in de kolenkachel alweer hoog op laaide, om je in die behaaglijke warmte verder aan te kunnen kleden. Echt de enige warme plek van het huis. En dan na de levertraan en de havermoutpap je jas aan, muts op en je handschoenen niet vergeten. Op naar buiten voor het sneeuwballen gevecht en de eerste sneeuwpop.
Glijbaan
De meeste al wat oudere mensen klaagden alleen maar over die sneeuw en veegden zo snel mogelijk de stoep schoon, strooide zout of leegde de asla van de kolenkachel over de sneeuw om uitglijden te voorkomen. Weer een obstakel die jouw sledetocht voortijdig blokkeerde. Gelukkig kon je nog wel met de slee van een helling af roetsen. En waar de oude bunker op de Westzeedijk in Rotterdam, waar nu de Kunsthal zit, een prima plek voor was. En wat is nou mooier dan met zijn allen een glijbaan te maken. Netjes in de rij op je beurt wachten voor je je kunsten mocht vertonen. Dan een flinke aanloop en daar ging je over dat lange bijna zwart geworden deel van de stoep die glinsterde in het zonlicht. Ach en voor de echte durfals was er natuurlijk het ijsje piepen. Je kan ze natuurlijk ook de onverantwoordelijke eikels noemen, maar spannend dat het was. Het ijs golfde voor je uit, maar je moest wel in de rennende groep blijven. Twee stappen er achter en je was de pineut en kon met een nat pak huiswaarts keren, waar huisarrest je deel werd. Of terug naar school, waar je de nodige hoon te incasseren kreeg. Gelukkig als kind nooit echt helemaal door het ijs gezakt, wel vaak een zeikerd opgelopen, zodat je alsnog soppend in je schoenen huiswaarts keerde. Waar je moeder zuchtend mopperde over dat natte schoeisel en je domme gedrag.
Schaatsen
Nee dan was schaatsen toch wat slimmer en na het nodige gekrabbel met houten Friese doorlopers toch de slag te pakken gekregen. Zodat je menig ijshockey wedstrijd met je vriendjes op de Westersingel kon houden. Natuurlijk nog geen echte hockeystick, maar met een flinke tak kon je ook prima uit de voeten. Wel met de nieuwe hockey schaatsen trouwens, wat gelijk het einde was van loszittende riempjes en een scheve schaats onder je schoenen, en waarmee je stoer over het ijs kon schuiven. Lekker uitsloven dus. Waarbij je ook nog eens makkelijker kon bijblijven tijdens het gezamenlijke rondje over de met gekleurde lampjes verlichte ijsbaan. Ondertussen luisterend naar de laatste hits die gezellig en hard uit luidsprekers schalden. Later met stalen Noren nog mooie tochten gemaakt, zoals een rondje over de Kralingse Plas, een tocht over de Rotte of langs de molens van de Kinderdijk. En toen ik zelf twee jonge meiden kreeg, samen met hun vriendinnen een fikse schaatstocht gemaakt. Zo vanaf de vijver voor ons huis, via de singels van de stad de polder in. Met een slee waar we onze proviand, een warme deken en een thermosfles warme chocolade melk op vervoerden. Hoe mooi was dat. Ach en het is nu alweer een paar jaar geleden dat ik voor het laatst de ijzers onder had. Na een zwakke plek in het ijs, waardoor ik tot mijn middel in het ijskoude water terecht kwam, met als gevolg een wel heel koude en nog best lange rit naar huis en na ook wat valpartijen, ben ik toch maar definitief gestopt met schaatsen. Op mijn leeftijd kan vallen zomaar blijvend letsel opleveren. Maar nog hoor ik in gedachten het geluid van mijn Noren weer over het ijs schrapen en voel de sensatie van dat glijden over die gladde zwarte ijsvloer. Het is heel mooi geweest en ik kijk er nu nog met veel plezier op terug.
Wim van der Klein / klein2@zonnet.nl
Lunchen bij de Mariniers als bedankje
Het Korps Mariniers vierde op 10 december 2025 het 360-jarig bestaan. Tijdens een ceremonie bij het Mariniersmonument aan het Oostplein werden alle gevallenen in de geschiedenis van het Korps Mariniers herdacht. Mijn kennismaking met het Korps Mariniers is al even geleden.
Het is januari 1980 en ik was net als brigadier begonnen aan het politiebureau Boezemsingel te Rotterdam. De jaren als wijkagent in het Oude Westen waren voorbij en ik was aan een nieuwe uitdaging toe. Sommige gebeurtenissen blijven je altijd bij en zo ook mijn eerste optreden als ploegbrigadier met vier agenten waar ik leiding aan mocht geven.
Tijdens de ochtendbriefing ook wel ‘ochtendgebed’ genoemd werden alle relevante zaken aan de ‘dienders’ doorgegeven. Vandaag zou er een commandowisseling op het kazerneplein aan het Toepad plaatsvinden. Er was informatie dat een antimilitaristische actiegroep met de naam Onkruit plannen had om deze ceremonie te verstoren.
Besmeurd
Samen met vier agenten ging ik met een politiebusje naar het Toepad. Onderweg hoorden wij van de politiemeldkamer dat een aantal touringcars die genodigden hadden vervoerd door actievoerders met verf waren besmeurd. De voorbereidingen voor de overdracht op het kazerneplein waren inmiddels in volle gang en veel mariniers stonden in het gelid opgesteld.
Verfbommen
Enkele actievoerders met plastic tassen waren onderweg naar het exercitieterrein van de Marinierskazerne. Ik nam het besluit om in de tassen van de actievoerders te kijken wat met het nodige duw- en trekwerk gepaard ging. De tassen met ‘de verfbommen’ scheurden bij deze controle spontaan open. Onze uniformen en de kleding van de actievoerders werden hierdoor met witte verf besmeurd.
De commandowisseling op het kazerneplein ging gewoon door. Zij hebben niet gemerkt dat de politie net op tijd er voor zorgde dat de ceremonie gewoon kon doorgaan. Twee actievoerders werden aangehouden en na korte tijd weer vrijgelaten.
Later werd ik samen met de vier ‘dienders’ die de ceremonie hadden ‘gered’ uitgenodigd op het hoofdkwartier van de Mariniers aan het Westplein te Rotterdam.
Wij kregen een zeer goed verzorgde lunch aangeboden met een dankwoord voor onze inzet tijdens de commandowisseling van het Korps Mariniers in Rotterdam.
Han Karels / Hankarels1946@outlook.com
Wegdromen bij de kerststal van vroeger
“Kijk uit, joh! Dadelijk staat je mouw in de hens”. We stonden voor de stal en her en der stonden kleine brandende kaarsjes en mijn broertje was druk met het herschikken van de dieren in de weide. “Ik ben dat kleine schaapje” verzon hij, terwijl hij het diertje wat dichter bij de kribbe zette waar het kindje Jezus op lag. “Nou laat mij dan maar die stoere os zijn,” sprak mijn wat oudere broer. “En ik het grijze paard!” riep ik enthousiast.
Dat vonden ze allemaal prima, het was namelijk geen paard maar een ezel. Dat had ik toen nog niet gelijk door natuurlijk. En niemand wilde het kindje in de kribbe zijn. We wisten allemaal hoe dat zou aflopen en hoe Hij aan zijn einde zou komen. Dat hadden we immers al het jaar er voor met Pasen geleerd.
Bij ons was de Kerst nog echt een feest van de geboorte van Jezus, de verlosser van onze zonden. Met de kerstman en zijn cadeautjes hadden we niks van doen. Dat was het feest van ongelovigen en de heidenen, zo werd ons verteld. Vond het ergens wel jammer, cadeautjes waren altijd welkom vond ik. Maar daar kon toch echt geen sprake van zijn. Kerstmis was weliswaar een Rooms Katholiek feest, maar een beetje ingetogenheid was echt wel op zijn plaats. Het waren immers ook barre omstandigheden geweest tijdens de geboorte van het Christuskind in die stal in Bethlehem. Er was een grote volksverhuizing bezig en elke herberg was overvol. Keizer Augustus had een volkstelling bevolen en Jozef en Maria, die hoog zwanger was, waren op weg van Nazareth naar Bethlehem. De stad waar Jozef vandaan kwam en ingeschreven moest worden. Gelukkig was er de ezel waar Maria op kon zitten tijdens die lange tocht. De eerste weeën kondigden zich al aan en gelukkig vond Jozef nog een stal met een grote voederbak met wat stro waar het kindje na de geboorte in kon liggen.
Spinnetjes
Onze stal thuis was nog best groot met dat dak van stro. Er was zelfs plaats voor de os en de ezel. We hadden toen nog hele kleine bruine speelgoedinsecten, zoals spinnetjes van plastic en die moesten ook beslist in dat dak rondkruipen. Nou ja, volgens mij dan toch om het nog echter te laten lijken. Maar mijn zus griezelde daar van. Aan de nok van de stal hing engel Gabriël die met een haakje in zijn nek aan de nok van de stal bevestigd was. Met in zijn handen een soort poster waar Gloria in Excelsis Deo op stond. Wat Ere zij God in den Hoge betekende. Iets waar ik pas veel later achter kwam, toen ik eindelijk misdienaar was geworden. Maar het was niet alleen de stal er was nog veel meer te zien bij ons.
In de hoek van de woonkamer stond een grote uitklapbare naaimachine. En daarop was een grote hardborden plaat gelegd die ik normaal voor mijn Fleischmann modeltrein gebruikte. Die plaat was bedekt door een groot wit laken, met daaronder lagen van verschillende stapels boeken. Mijn vader had een hele serie verzamelwerken van Het Beste van Readers Digest en die werden gebruikt als ondersteuning van de stal en voor de verschillende kleine heuvels in het landschap.
Ruilverkaveling
Behalve de stal werd het hele laken verder bedekt door kunstmos, terwijl rijen met kleine gekleurde steentjes een paar weggetjes vormden. Handig voor de herders met hun schapen natuurlijk, die gewaarschuwd door een engel op weg naar de stal waren. Helemaal aan de andere kant van het landschap stonden al de Driekoningen met een dromedaris en een knecht te wachten, maar die waren nog lang niet aan de beurt.
Om het hele landschap nog meer te verlevendigen had er een soort ruilverkaveling plaats gevonden en werden grote stukken wei met houten gammele hekken afgezet. Ook rondom het hele tafereel stonden deze hekjes, die regelmatig samen met wat mos van de rand af donderden. Met als verlichting de brandende kaarsjes die her en der verspreid langs de weg stonden. Met zilverdraad en een spiegel werd een riviertje en een meer gecreëerd. Er was zelfs sprake van een bruggetje waar nog net een schaap op kon staan. Maar die was er af gekukeld en werd dus door mijn broertje verderop gezet.
Er was genoeg te zien om weg te dromen, wat wel zo prettig was, omdat we op onze blote knietjes voor dat tafereel op die stugge vloerbedekking elke avond een hele rozenkrans moesten bidden. Met voor elke grote kraal Het Onze Vader, gevolgd door tien Weesgegroetje. Met tussendoor een apart gebedje., die elk gezinslid een keertje op moest zeggen. Zoals Ik geloof in God, de almachtige Vader, schepper van hemel en aarde. En toen ik aan de beurt was: “Jezus heeft heel erg moeten lijden aan het kruis op de berg van hupsakee!” Wat natuurlijk de Calvarieberg moest zijn. Maar dat was ik even vergeten. Tot ernstig onderdrukte hilariteit van de overige gezinsleden. Bidden deed je toch altijd met de nodige eerbied.
Het was best wel een lang gebed, zodat op het laatst de ribbels van de vloerbedekking in onze knieën stonden. En mijn moeder door de twee oudste broers omhoog getrokken moest worden, omdat die door haar reumatiek niet meer overeind kon komen. Maar verder was het toch wel een mooi en gezellig feest. Met leuke ingerichte etalages in de stad en kerstverlichting in de straten.
Nachtmis
Ook thuis was het versierd. Met een adventkrans met vier kaarsen aan het plafond. En dennentakken achter een schilderij gestoken. Natuurlijk de mooie zilverkleurige ballen, een piek en echte brandende kaarsjes in onze echte kerstboom die op een houten kruis was getimmerd. Natuurlijk stond daar wel een grote emmer vol water in de buurt, voor het geval dat het fout leek te gaan. En natuurlijk op kerstavond met z’n allen naar de nachtmis in de kerk, waarbij na afloop iedereen elkaar vrolijk kerstmis wensten. Gevolgd door een uitgebreid kerstontbijt waarvoor de tafel thuis al gedekt stond. Toch wel een heel gezellig periode van het jaar en leuk om op terug te kijken.
Wim van der Klein
klein2@zonnet.nl
Russen waren in paniek in verboden wateren
Dit verhaal begint op een zondagmorgen ergens in de maand augustus van het jaar 1977. De SMIT-LLOYD 43, waarop ik als scheepswerktuigkundige onderdeel uitmaakte van de zevenkoppige bemanning, lag klaar bij het boorschip NEDDRILL 2. De NEDDRILL 2 maakte weer deel uit van een van de twee omgebouwde bulkcarriers die daarvoor door Hollands Bulk Transport (HBT) werden beheerd. De HBT was een onderdeel van de Koninklijke NedLloyd.
Om het verhaal duidelijk te maken moet ik uitleggen hoe een boorschip als het in bedrijf is wordt gepositioneerd. Om het schip op de exacte positie te houden wordt het schip met een zestal ankers verankerd volgens een bepaald ankerpatroon. De plek waarop het anker op de zeebodem ligt wordt gemarkeerd met een boei die met een staaldraad aan het anker verbonden is. Het anker zelf is met een ankerketting of staaldraad verbonden met het boorschip. Om de ankers in de gaten te houden wordt de verankering op het boorschip gemonitord.
Naast de bevoorrading, van brandstof, leeftocht, onderdelen en dergelijke kan een supplier zoals de SMITLLOYD 43 ook ingezet worden als zeesleper en als vaartuig waarmee zogenaamd ankerwerk kan worden verricht.
Anker terugleggen
Op die zondagmorgen lagen we zoals gezegd klaar bij het boorschip in de Middellandse zee in de territoriale wateren van Tunesië en opereerden we vanuit de havensteden Sousse en Sfax. Halverwege de ochtend werden we opgeroepen door de NEDDRILL 2 dat één van de ankers aan het krabben was. Dat betekent dat het van zijn plaats aan het verschuiven was. Als taak hadden we het anker te lichten en weer op een juiste plaats terug te leggen.
Dat gaat normaal gesproken als volgt te werk. De boei die het anker markeert wordt achteruit varend uit het water gevist. Het anker wordt vervolgens met de staaldraad op de sleeplier aan dek gedraaid en opnieuw uitgebracht naar een betere plek waar het anker goed houdt.
Onderzeeër
Zover kwam het echter niet. Ergens op de bodem van de zee werden niet te verklaren bewegingen waargenomen. Na enige tijd zagen we een hoop geborrel in het wateroppervlak waarna we tot onze verbazing de duiktoren van een onderzeeër boven water zagen komen. Het duurde een poosje totdat op gegeven moment het luik van de onderzeeër openging en er een vlaggetje werd uitgestoken door waarschijnlijk één van de opvarende officieren van de bemanning. Hij droeg namelijk een wat vadsige uniformpet. Het betrof een onderzeeër van de Russische onderzeevloot.
De onderzeeër die we aan de haak hadden geslagen was het ankerpatroon binnen gevaren en was met het roer verstrikt geraakt in het ankerdraad. De pogingen om hieruit te raken hadden tot de onterechte conclusie geleid dat het anker zou zijn gaan krabben. Het kan niet anders dan dat deze gebeurtenis tot enige paniek in de onderzeeër moet hebben geleid gezien het in nood opduiken van het schip.
Radiostilte
Uiteindelijk heeft de duikbootbemanning zelf het schip kunnen los krijgen maar hoe men dat heeft gedaan en hoe het verder is verlopen vertelt ons de geschiedenis niet. De communicatie tussen de duikboot en andere instanties heeft voor ons in volledige radiostilte plaatsgevonden. Er moet op diplomatiek niveau overleg plaats hebben gevonden aangezien de onderzeeër sowieso niet in het gebied mocht komen van het ankerpatroon en zeker niet in de territoriale wateren van Tunesië.
Piet Kammeraat
mpkammeraat@hotmail.com










