De Rotterdamse haven blijft trekken
Wie Rotterdam zegt, denkt gelijk aan de haven. Na de oorlog was dat nog veel
duidelijker. De schepen lagen in de
Rotterdamse havens. De ladingen werden daar ook verscheept. In die tijd ontstond ook het Rotterdamlied: ‘k Heb U lief Rotterdam, met uw drukt’ en gewoel, waar het leven zo krachtig in bruist… En wie kent niet het gedicht van Jan Prins uit 1937: Te Rotterdam ben ik geboren onder de adem van de Maas… Dat leerden wij al op de Lagere School.
Mijn man heeft na de Lagere School op de Havenvakschool gezeten. Daar leerde men alles wat met de haven te maken had. Knopen, stouwen, vlaggen, metaal- en houtbewerking. Op een keer was er een prijsvraag voor scholen.
Wie maakt de mooiste maquette van de haven? En ja hoor, die was van de havenvakschool. Maar zij kregen de hoofdprijs niet, want, zei de jury: jullie zijn eigenlijk professionals. Dat was een hard gelach.
Om dat goed te maken mochten ze met z’n allen een weekje kamperen in Noord-Holland. Wie ze daar een plezier mee deden? Niet mijn man. Het was mede de oorzaak dat hij nooit meer wilde kamperen.
Balen sjouwen
Na twee jaar kon men nog een VD-
diploma halen. Daarna ging mijn man als 14-jarige in de haven werken als havenarbeider. Balen sjouwen! Er waren nog geen containers. Op zijn leeftijd mochten de balen niet zwaarder zijn dan 40 kilo. Maar ja, als de balen in 60 kilo werden aangevaren, kon je niet zeggen dat doe ik niet. Maar hij was nog in de groei, at 20 boterhammen bij de lunch.
Het gevolg van dat sjouwwerk was, dat hij op zijn 15e een flinke hernia kreeg. Hij is toen door een arts in Dordrecht behandeld. Vervolgens werd hij matroos-motordrijver op een sleepboot van Piet Smit. In de strenge winter van 1962-63 moest hij bijvoorbeeld ijsschotsen bij de Moerdijkbruggen wegduwen. Maar hij is altijd bij blijven leren.
Uiteindelijk is hij op de grote vaart terechtgekomen en heeft als 3e scheepswerktuigkundige de wereld rondgevaren, ook de Grote Oceaan over.
Containers
Intussen waren de havens verplaatst naar de Maasvlakte. De lading was niet meer in balen of zakken, maar in containers. En was er niets leuks meer aan te zien. Op de Maas bij Rotterdam kwamen nog wel rijnaken voorbij en de Spido natuurlijk, die rondvaarten verzorgt en nog wat van de oude havens laat zien. Zo blijft de haven altijd trekken.
Mijn man ging in de Botlek werken in vol-continudienst. Af en toe ging mijn man na zijn werk naar de Maas om daar over het verleden te mijmeren. Met onze kleinzoon zijn wij ook een keer naar het museum Futureland op de Maasvlakte geweest en naar het zeegat bij Hoek van Holland, om te laten zien waar opa allemaal had gewerkt.
Tiny E. Van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Voor schoolreisjes werd lang gespaard
De maanden juni en juli staan in het teken van de schoolreisjes. Vroeger werd daar het hele schooljaar voor gespaard. Op vrijdagmiddag werd er per persoon geld ingezameld. Meestal was dat een dubbeltje. En alles werd genoteerd in een schrift.
Waar gingen wij naar toe? In de eerste en tweede klas gingen wij met de tram naar Diergaarde Blijdorp of het Plaswijckpark. In de derde klas kwam er een echte bus voorrijden. Nu was het zo dat voor schoolreisjes de oudste bussen werden gebruikt van de ondernemer. Er was altijd wel een leerling die niet tegen autorijden kon en moest kotsen. En elk kind had van zijn of haar ouders een zak snoep meegekregen om uit te delen, wat ook niet bevorderlijk was voor de maagstreek.
Liedjes
Zodra wij in de bus zaten en wegreden, uitgezwaaid door de ouders, begon het zingen: Wij zijn er bijna… maar nog niet helemaal. Of: Eerste couplet: er wordt een potje met vet… op de tafel gezet. Ook liedjes zoals: Hoog op de gele wagen, en: ‘k Heb mijn wagen vol geladen vol met oude wijven. En andere liedjes uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’.
De reis had ook een educatief karakter. Onderweg werd gewezen op de fabrieken bv Hooimeyer beschuit, Philips of Fokker. Zo leerden wij ook trots te zijn op Nederlandse producten. In het kader van geschiedenisles bezochten wij ook bijvoorbeeld het Prinsenhof in Delft, om naar het kogelgat te kijken van de kogel waarmee Willem van Oranje werd vermoord. Ook de Nieuwe Kerk werd aangedaan.
Daarna ging het naar Den Haag, naar de Gevangenpoort. Dan was Panorama Mesdag aan de beurt. En in de middag gingen we dan naar de speeltuin in Wassenaar.
Wij hadden een keer een heel lange schoolreis naar Limburg. Daar bezochten wij de militaire begraafplaats in Margraten. Ook gingen wij in Vaals het Drielandenpunt bezoeken. Dan riep de chauffeur: “nu zijn we in België”. Heel de bus riep dan hoera. “En nu zijn we in Duitsland”. Weer hoera. Want niemand van ons was ooit in het buitenland geweest, dus dat was voor ons iets bijzonders. Wij hebben ook een keer op een meer gevaren, maar daar weet ik niet meer het fijne van. ’s Middags gingen we altijd naar een speeltuin.
De ouders stonden om een uur of 5 te wachten. Er was altijd wel iemand in de bus die zei: laten wij doen of er niemand in de bus zit. En alle kinderen doken weg om bij stilstand van de bus omhoog te springen. En dat ging elk jaar zo.
Goden en Farao’s
Op de middelbare school gingen wij bijvoorbeeld naar een bijzondere tentoonstelling over de Oudheid en Egypte in Leiden. Of naar het Rijksmuseum, kijken naar de Nachtwacht. Maar ook door de weeks gingen wij regelmatig naar museum Boijmans, waar wij uitleg kregen over verschillende stijlen in de schilderkunst.
In die tijd was er ook een uitgebreide tentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van zijn 350ste geboortedag. En later een wereldtentoonstelling over Egypte, genaamd Goden en Farao’s. Die trok ook heel veel buitenlanders. Zo werd er gewerkt aan onze algemene ontwikkeling.
Tiny E. Van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Mijn drie favoriete Rotterdamse kroegen
De Steenbok zat op de Vierambachtsstraat, vlak bij Radio Leo. Ik kwam daar omstreeks de jaren zestig, niet zozeer om” in te nemen” maar omdat het er zo beregezellig was, ik vond het een soort buurt- huiskamer. Er werd ook aan sinterklaas gedaan. De naam van de barman ( en – vrouw) weet ik niet meer, maar wel dat zij ook een zaak hadden, Inzell genaamd, in een zijstraat van de West Kruiskade.
Alle lagen
Na mijn Bok jaren kwam ik bij Melief Bender over de vloer, gezellig café voor jong (studenten) en oud, uit alle lagen van de bevolking. Achter de tap herinner ik mij Appie, Joop en Koos Bosmans. Er stond een biljart in de zaak. Bijzonderheid van Melief was dat er geen vrouwen aan de tap mochten staan.
Praatkroeg
Cafe Timmer, op de Binnenweg behoeft nauwelijks toelichting. De zaak werd gedreven door Klaas en Sjaan Duister. Het was (is) een echte praatkroeg. Mijn bezoeken dateren uit de jaren zeventig. Pas als de zaak blauw stond van de rook werd de ventilator boven de ingang aangezet. Bijzondere herinnering heb ik aan de wielerronde Timmer-Delft-Timmer, zestig kilometer rond het vliegveld Zestienhoven. Ik won de laatste prijs op plek veertig. Een beloning was een zakmesje, een Timmer teeshirt en een zoen van de tourmiss, Joke Bruis. Dat plekkie op mijn koon heb ik nooit meer gewassen.
Wat mij verbaasde waren de prijzen voor de eerste vijf binnenkomers. Gerard Cox deed ook mee maar volgens mij kwam hij na sluitingstijd binnen. Wat mij ook is bijgebleven is het volgende. Komt er een man binnen en vraagt Klaas om veertig (of zo) gulden. Klaas grabbelt in zijn zak en geeft hem het geld. Tsjonge, gaat dat hier zo makkelijk? Dus ik naar Klaas en stelde dezelfde vraag. Nou, dat zit zo antwoordde Klaas. Ik beheer zijn uitkering want als hij het volle bedrag in zijn bezit heeft, vliegt het er binnen de kortste keren uit.
Ongestoord
Nog iets dat mij is bijgebleven. Staat er een mevrouw aan de tapkast die hinderlijk wordt aangesproken door een man. Zij vertelt dat aan Klaas die de man gelijk op straat zet met als commentaar dat een dame alleen ongestoord een drankje moet kunnen happen. Verder opvallend was dat Timmer zaterdags om 17.00 uur, als andere zaken nog bomvol zaten, sloot. Klaas moest de laatste boot halen naar Zeeuws-Vlaanderen waar hij zijn weekendhuis had. Personen die ik mij herinner zijn leraar Kees Veelders en ene Goof, werktuigkundige op een goedkope vlag schip. Als hij drie maanden had gevaren kon hij thuis weer een jaar vooruit.
Taboe
Nu, in mijn nadagen, kom ik, soms met vrouw en kleinkinderen nog wel eens bij Melief: het café waar je je opa tegenkomt.
Ik kom uit een milieu waar cafébezoek taboe was: daar kwamen zuipers en vloekers. Ik moet zeggen dat ik deze mensen nooit ben tegengekomen in de genoemde zaken, Het was vooral de gezelligheid die mij, en soms ook mijn vrouw, in deze taplokalen bracht.
Hans Blok / jjeblok@kpnplanet.nl
Avonturen met jeugdvriend Jos Brink
In de jaren 50 van de vorige eeuw woonde ons gezin in de wijk Tuindorp Vreewijk. Aan De Voorde, een straat achter de Groene Hilledijk, waar kinderrijke gezinnen woonden, zoals de familie ter Horst, de Jager, ter Elst, de families Straatman en Brink om er maar een paar te noemen. Uit die tijd dateert mijn vriendschap met Jos Brink.
Hij woonde een aantal deuren bij ons vandaan en wij speelden vaak met elkaar. Hij kwam uit een gezin met vijf jongens en ik uit een gezin met twee jongens en vier meisjes. Wij waren katholiek en zij gereformeerd, geloof ik.
Bibliotheek
Ik was een jaar of tien toen we echt vriendjes werden. We hielden beiden niet van voetballen en in die periode bleek ook dat we van lezen hielden. Hij was lid van een openbare bibliotheek bij ons in de buurt en ik van een katholieke bibliotheek, gevestigd in een klein gebouwtje naast de Kruisvinding Kerk.
Vrij boeken kiezen was er voor mij niet bij. Er was een catalogus, daar moest je thuis uit kiezen, de titel op een briefje schrijven en dat briefje in de bieb aan een van de dames af geven. Zij ging dan kijken of het boek er was en zo niet dan had je pech. In de openbare bieb was het heel anders.
Op sommige regenachtige woensdagmiddagen liepen we er naartoe. Je kon gewoon zelf langs alle kasten lopen, een boek er uit pakken en ergens gaan zitten lezen. Er ging een wereld voor mij open.
Hele discussies gehad, onder andere of zijn God dezelfde was als die van mij. We kwamen er niet achter. Het gaan naar die bieb heb ik thuis nooit verteld, bang dat het verboden zou worden.
Hoeren kijken
Er waren zaterdagmiddagen dat we naar de markt aan de Maashaven liepen. Een druk bezochte markt waar we voor het eerst een zwarte man zagen en snel omliepen om hem nog eens te zien, onbekende geuren roken, stonden te kijken bij een man, met veel brillantine in zijn haar, die luidkeels ‘gouden’ horloges stond te verkopen. Soms liepen we door naar Katendrecht om naar de hoeren te kijken. We wisten amper wat ze deden maar het klonk stoer “naar de hoeren kijken”. Wanneer ik dan weer eens te laat voor het eten thuis kwam en mijn moeder kribbig vroeg waar ik geweest was, verzon ik maar wat en dat werd dan mopperend geaccepteerd.
Een paar straten verderop bij ons woonde een meisje waar we allebei verliefd op waren. We hadden haar voor het eerst in de bibliotheek zien zitten lezen en vonden haar er mysterieus uit zien. Een blond meisje met lang haar, een meisje met een geheim, daar waren we van overtuigd.
We fantaseerden, vooral Jos was daar een meester in, hoe het leven met haar er uit zou zien. Veel verder dan de kleur van de trouwjurk kwamen we uiteindelijk niet. Zogenaamd onverschillig langs haar huis lopen en een beetje loeren of we haar zagen, dat was wat we ondernamen, meer niet.
Toen ik een jaar of 13 was verhuisde Jos naar Purmerend. We hebben nog een keer bij elkaar gelogeerd, daarna droogde het op en zijn we elkaar nooit meer tegengekomen.
Harry Straatman
g.wissink207@upcmail.nl
30 jaar Opzoomer Mee, een reis door de jaren

“Het nieuwe Westen kampte in de jaren ’80 met overlast en mensen voelden zich niet fijn in de buurt. Er was in de wijk een oude bewonersvereniging en daar werd vergaderd. Meneer Hooijmaijers zei bij een vergadering: ’We zijn het zat, we gaan het zelf doen’. Toen is er een dag georganiseerd en zijn ze met de buren de Opzoomerstraat op gaan knappen. Overal hingen witte bollampjes en plantjes. De straat zag er weer netjes uit. De omringende straten zagen dit en deden hetzelfde. De gemeente begon ook met het leveren van bezems.”
Rond deze tijd begon de gemeente met een groot traject van de stadsvernieuwing. Hier opvolgend werd een programma van Sociale Vernieuwing gelanceerd en dit kwam mooi samen met het Opzoomeren initiatief. Gerard de Klein was projectleider sociale vernieuwing. Samen is er toegewerkt naar de Opzoomerdag op 28 mei 1994.
“De hele stad was geel gekleurd. ‘Oppie’, dit was ons oude logo, kwam van de Hef. Het Hofplein was geel, gele bezems waren metershoog geplakt op het gebouw van Nationale Nederlanden. Heel veel mensen herinneren zich dit nog. Welzijnswerk had in alle wijken en gebieden en wijken mensen opgetrommeld. Het was een uniek project. Na deze Opzoomerdag werd het project overgedragen aan de stad. Mijn voorganger, Johan Janssens, heeft de stichting opgezet: Opzoomer Mee, waarmee Rotterdammers worden ondersteund bij het opzoomeren.”
“Net als bij de oprichting dertig jaar geleden, zijn je straat opruimen, je straat vergroenen en iets gezelligs doen met de buren nog steeds de belangrijkste activiteiten. De invulling van die activiteiten is echter wel veranderd door de jaren heen. Vroeger veegden bewoners gebruikte naalden op van junks, nu hebben ze te maken met complete lachgastanks die apart afgevoerd moeten worden, omdat ze in een gewone container voor ontploffingsgevaar zorgen.
Ook bij het vergroenen van de straten is de aandacht verschoven van gezellige plantjes naar het actuele vraagstuk van klimaatadaptatie. Het is niet meer alleen gezellig om meer groen in de straat te hebben, het is ook nog eens handig. Een groene straat is koeler in de zomer en kan meer regenwater opnemen waardoor de straat niet blank staat na een flinke regenbui. Dat is typisch opzoomeren: je kunt gewoon laagdrempelig in je eigen straat aan de slag met een groot probleem als klimaatverandering.”
“Sinds tien jaar hebben we ook Lief & Leedstraten. Dit initiatief komt voort uit een voorval in Rotterdam waarbij een vrouw bijna een jaar lang dood in haar woning had gelegen voor haar lichaam werd ontdekt. Toenmalig burgemeester Aboutaleb vond dit verschrikkelijk. Hij zei: als iedereen omkijkt naar zijn naast buur, kun je dit voorkomen. In samenwerking met Opzoomer Mee ontstond hieruit de Lief & Leedstraat en het Lief & Leedpotje. Dit potje bestond uit een financiële bijdrage waarmee bewoners in hun straat initiatieven kunnen nemen om het omzien naar buren in goede en in slechte tijden te verbeteren. Het hoeft niet veel te zijn, je kunt even iets langsbrengen bij iemand die ziek is of een mijlpaal in iemands leven vieren. Inmiddels hebben 52 andere gemeenten dit overgenomen. Hiervoor onderhouden wij ook een landelijk netwerk. Vroeger was sociale cohesie meer vanzelfsprekend, tegenwoordig heeft het een zetje nodig. En het werkt goed.”
“Zoals alles bij Opzoomer Mee, is de straat de schaal waarop we opereren. Maar soms komt van het een het ander en willen mensen een activiteit organiseren die groter is dan de straat. Daarom voeren we ook de subsidieregeling Bewonersinitiatieven van de Gemeente Rotterdam uit. Onder de noemer Buurtidee kunnen Rotterdammers via ons ook aanvragen indienen voor grotere projecten.”
“Voor het dertig jarig jubileum hebben we trouwe Opzoomeraars in het zonnetje gezet. Dit was een groot feest. De mensen kregen een sjaal, of zoals wij het noemen een lintje, dit is de Opzoomertrofee. Deze sjaal is te herkennen aan het oude logo en het huidige logo. We hebben er een feestelijke bijeenkomst van gemaakt en het was prachtig om verhalen op te halen met ze allen. Net zoals we nu doen.”
“Ik denk dat je het Opzoomeren heel erg moet zoeken in de kleine momentjes. Dus die kleine ontmoetingen. Die buurvrouw die dan even bij jou aan de deur staat omdat ze heeft gehoord dat het net even niet zo lekker ging. Of die mensen die net nieuw in de straat kwamen wonen en toen welkom werden geheten of bij de straatborrel aansloten en het meteen gezellig hadden. En die mensen die elkaar nu groeten of die zeggen hoe gaat het met jou? Waardoor het ook fijner wonen is in je straat.”
“Mensen zijn heel trots op Opzoomer-acties Er komt veel dankbaarheid uit voort. Sommige mensen doen het al dertig jaar, die staan ergens ook wel te wachten op de nieuwe generatie. Gelukkig zien we ook weer en jongere generatie aansluiten.”
“Wat voor mij heel belangrijk is, ik denk voor het hele team bij Opzoomer Mee, het heeft mijn mensbeeld echt ten positieve veranderd sinds ik hier werk. Want ik kon wel eens denken: nou, lekker dan, iedereen zijn eigen bubbel. Maar je hebt hier zulke mooie verhalen. Zoveel mensen die wel willen, die positief zijn, die omzien naar elkaar. Dat is gewoon heel mooi om te zien. Die barra’s staan te bakken en uit te delen. Die gewoon schouders eronder zetten. Of van die energieke tachtigers die twee keer per week schoonmaken met een groepje. Mensen die zeggen: ‘Ja, iemand moet het doen, hè’.”
“Opzoomeren is na 30 jaar nog altijd relevant. We hebben een aantal uitdagingen waar we voor staan als samenleving. Individualisering is daar een van. Buren kennen elkaar niet meer altijd, terwijl het juist prettig wonen is in een straat waar je weet wie je buren zijn. Daarnaast blijven ouderen steeds langer thuis wonen, waardoor het extra fijn is als een buur een oogje in het zeil houdt. Even kijken of de gordijnen bij de buurman open zijn, kan al het verschil maken. En tot slot blijft de aandacht voor groen relevant. Net als in 1994 geldt: we moeten met elkaar de schouders eronder zetten en verantwoordelijkheid dragen voor je eigen stad.”
“Bij Opzoomer Mee kun je gemakkelijk een bijdrage aanvragen als je iets wilt doen met je buren. Je verzamelt vier buren die meedoen en vult het aanvraagformulier in op opzoomermee.nl. En je mag ons ook altijd bellen als je vragen hebt. We zijn heel laagdrempelig.”
Kort samengevat, wat is Opzoomeren?
“Je buren kennen.”
Wijze Dirk duidde wereldpolitiek in de drukkerij
Alle medewerkers die daarna binnenkwamen liepen naar een radio toe en hadden verder nergens meer aandacht voor. Deze oorlog was immers wereldnieuws. Uiteindelijk werd ik toch wel opgemerkt; een meneer van halverwege de veertig gaf mij een hand en stelde zich voor als mijn leermeester. Hij bracht mij naar de zetterij alwaar hij mij een plek wees. Het daaropvolgende halfuur besteedde hij aan tekst en uitleg over waar alles was te vinden, wat er op de orderzakken en kopij stond en hoe de procedures hier verder waren. Tevens gaf hij mij een zethaak en een grijze stofjas die mij paste en zo begon mijn werkzame leven.
Sarcasme
Gedurende de eerste dagen van mijn carrière waren de collega’s in de ban van de zesdaagse oorlog, maar langzaamaan ebde de belangstelling wat weg en was men niet meer continu aan de radio gekluisterd; er moest tenslotte ook nog gewerkt worden. Maar bij de koffie gingen de gesprekken al gauw weer over Israël en de Arabieren.
‘Eigenlijk hebben die Joden in dat land niks te maken.’
Die woorden kwamen van Dirk de Jonge, een ‘oude’ man van achterin de vijftig.
De koffiepauzes en andere samenscholingsmomenten vonden altijd bij zijn werkplek plaats. Hij werd op de zetterij- en opmaakafdeling beschouwd als een wijze, wiens woord gewoonlijk veel gezag had. Meestal gingen die gesprekken over sport, maar ook wel eens over politiek. Dirk had een wat bittere humor, en nam graag iemand een beetje in de zeik. Aanvankelijk vreesde ik zijn sarcasme, maar ik merkte al gauw dat hij de nog kwetsbare leerjongens altijd met wat meer clementie behandelde, zelfs als je de stomste fouten maakte. Weliswaar stortte hij dan vele aan het dierenrijk en de genitaliën ontleende scheldwoorden over je heen, maar het had steeds een goedmoedige ondertoon. Zijn kunstgebit paste niet zo goed, want als hij lachte bleef z’n bovengebit soms op z’n ondergebit liggen. Dat was dan een raar gezicht.
‘Hoezo niks te maken!?, die mensen verdedigen hun land.’
Dirk keek de opponent door een afgezakte bril gemelijk aan.
‘De Joden zijn vanuit Europa naar Palestina gekomen en kregen doodgemoedereerd van de VN en de Britten dat land cadeau, terwijl de Arabieren, die er altijd gewoond hebben maar een eindje moesten opschuiven. Dat is toch idioot, niet dan?’
‘De Joden hebben dat toch niet zomaar gekregen, na al die oorlogsellende?!’
Dirk zette zijn koffiebeker neer en schoof z’n bril recht.
‘Ik gun de Joden in alle opzichten een eigen land, maar nou moet jij je eens voorstellen: de Turkse gastarbeiders hierzo hebben zomaar besloten dat ze hier hun eigen land moeten hebben. Ze roepen de staat Neder-Turkije uit en schieten je voor je raap als je d’r anders over denkt. Hoe zou jij dat vinden?’
Er werd nog wat gemompeld over het feit dat je dat niet met elkaar kunt vergelijken, maar Dirk schudde zijn hoofd en zei alleen maar dat de collega’s daar maar eens over na moesten denken. Die hadden daar nooit over nagedacht, en ik ook niet, maar het bleef mij wel bij. De Israeli’s waren nu eenmaal een dapper volk, dat een overmacht van vijanden op hun donder wist te geven, maar de rechten van de Palestijnen, daar werd destijds vrijwel niet over gesproken.
Vakantiebestemming
De vakantietijd brak aan, en de gesprekken gingen over vakantiebestemmingen. In die jaren begon Spanje een favoriet vakantieland te worden. De tijd dat gewone mensen nog niet verder gingen dan de Veluwe of Bergen-aan-zee was aan het aflopen en men ging naar exotische oorden zoals de Spaanse oostkust. Spanje was een goedkoop land en twee dagen in de bus zitten was weliswaar geen lolletje, maar dat had men er wel voor over.
‘Mijn vrouw en ik gaan naar Split.’
Dirk zei het om ook een duit in het zakje te doen.
‘Split? Waar leg dat?’
‘Split leg in Joegoslavië. Mooi land, mooie stranden en lekker rustig. Veel beter dan dat fascistische Spanje van jullie waar op elke vierkante meter strand een Nederlander z’n kroketje leg te vreten en bier leg te zuipen.’
De collega’s merkten op dat Joegoslavië een communistisch land was, net zo erg als het Spanje van Franco, maar daar was Dirk het niet mee eens.
‘Tito is geen communist, maar meer een socialist, zoals bij ons Den Uyl en Vondeling. En vadertje Stalin, vadertje Chroestjow, en weet ik wat voor vadertjes uit Moskou hebben d’r nooit geen moer te vertellen gehad. Joegoslavië is namelijk geen oostblokland.’
Profetische woorden
Dirk beval Joegoslavië aan als vakantiebestemming, en had daar een merkwaardige reden voor.
‘Kijk, je ken d’r nou goed met vakantie, maar als die Tito nog is een keer de pijp uit gaat dan slaan ze mekaar daar allemaal de hersens in, en dan is het afgelopen, want dan is het daar altijd oorlog.’
Deze profetische woorden heb ik onthouden. Een typograaf met amper meer dan lagere school voorspelde in 1967 het uiteenvallen van Joegoslavië, een kwart eeuw later. Toch was zoiets destijds niet heel bijzonder; er waren nog wel eens oudere mensen die weliswaar laag opgeleid waren, maar wel goed geïnformeerd en soms zeer belezen. Het waren mensen die niet doorgeleerd hadden, gewoon omdat het voor de Tweede Wereldoorlog ongebruikelijk was dat arbeiderskinderen doorleerden.
Hij keek mij aan en wist dat ik wat meer met geschiedenis bekend was dan de collega’s.
‘Je betaalt er met de dinar. Dat is nog overgebleven van de Romeinen, toen heette die munt Denarius, wist je dat, wijsneus?’
Hij wendde zich weer tot de anderen: ‘die kosten op het wisselkantoor nog geen dubbeltje per stuk, maar je ken ‘m daarzo uitgeven alsof het een tientje is. Kom daar maar eens om met je Spaanse peseta’s. En d’r is ook nog een prachtig eiland waar je met vakantie naartoe kan, dat heet Krk. Zonder klinker. Gewoon Krk, meer niet. Idioot hè?’
Zo kwam je ook nog eens aan je geografische kennis.
Piet Almekinders
piet.almekinders@gmail.com
Een klas vol boefjes uit het Oude Noorden
Net als pa, en ook zijn broer, de LTS aan de Gordelweg. Dat werd wel even een verandering dan de lagere school. Nu moest ik met een tas met de juiste boeken en een overall naar school. Geen vaste leraar meer voor de hele week, maar verschillende leraren en lokalen.
Op maandagmorgen was het voor heel de school verzamelen in het grote houtbewerkingslokaal voor de weekopening. Gebed, zang en een stuk uit de bijbel. Een klas vol boefjes uit het Oude Noorden en aanliggende wijken. Een van de leraren was letterlijk de pispaal want er was nooit orde in de klas. Zijn bijnaam was Beertje omdat hij daar ook wel een beetje op leek. Punaise op zijn stoel, propjes die tegen het bord aanvlogen. Als je betrapt werd mocht je je gaan melden bij de directeur die dan een passende straf gaf. We hadden al gauw in de gaten dat je beter een wandelingetje door de school kon maken en dan terug in de klas komen met de mededeling dat je strafwerk had gekregen. Wel oppassen dat je niet in de buurt van de conciërge kwam want dan was je dubbel de pineut. In de middagpauze was er buiten de school ook wel iets te beleven. Meestal een vechtpartijtje. Ook over het voetgangersbruggetje naar de Noorderkanaalweg zijn een keer alle lampen van de lantarenpalen kapot gegooid. Bijkomend resultaat: de politie op school. Een wandelingetje langs het spoor werd niet gewaardeerd en in de school werd er de klassen ingekeken of er gezichten te herkennen waren. Gelukkig niet.
Doodstraf
Mijn eerste werkstuk in het praktijklokaal was een stuk u-profiel waar je een laag van de flenzen af moest vijlen en dat dan op de juiste hoogte brengen en netjes evenwijdig. Na dat werkstuk heb ik voor altijd een gruwelijke hekel aan een vijl gekregen. Leuker was smederij, lekker fikkie stoken en dan rammen op een peuk ijzer. Het laslokaal was ook een favoriet. In dat lokaal hing een douche met een ketting, als je daaraan trok kon je douchen met koud water. Onnodig aan die ketting trekken stond zo’n beetje gelijk aan de doodstraf want die hing daar voor noodgevallen als je overall in de brand vloog bij autogeen lassen. Het gas voor dat autogeen lassen wekte met zelf op in een gebouwtje op de binnenplaats. Daar werd met korrels carbid en water dat gas verkregen. Bij het schoonmaken van het hok wat carbid meenemen de school in en het dan in een wc storten. Succes verzekerd! Een keer ben ik de fout ingegaan, ik kreeg geen gelegenheid het carbid te dumpen en het bleef in mijn overall zitten. De volgende dag in het praktijklokaal hing er rond Jan een gaslucht die niet door de leraar werd gewaardeerd.
Tekenkamer
Op de lagere school had ik aanleg voor tekenen ook hier was niet anders zij het dan technisch tekenen betrof. Ik lag regelmatig een aantal tekeningen (opdrachten) voor op de klas en had met de leraar de afspraak dat ik mijn huiswerk kon gaan maken terwijl de klasgenoten met potlood en vlakgum in de weer waren. Ik hoefde dus thuis niet aan de keukentafel te gaan blokken. Na het afronden van de LTS en een diploma op zak kon ik door medewerking van de tekenleraar aan de slag als leerling tekenaar bij Braat N.V. op de Doklaan Rotterdam-Zuid. Die betaalde een cursus Adspirant Staalbouwkundig Tekenaar. Ik ben tot mijn pensionering op de tekenkamer werkzaam geweest in diverse functies van leerling tekenaar tot chef tekenkamer. Ik heb daar wel de nodige jaren ‘s avonds voor op school gezeten en cursussen gevolgd.
Nu geniet ik samen met mijn vrouw als AOW-er.
Jan Feberwee / janfeberwee@hotmail.com
Aan de wandel in en om Rotterdam
Echt wandelen werd in mijn herinnering gedaan op Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag. Vooral de laatste was daarbij favoriet omdat het dan al beter weer was. Ik herinner mij een wandeling om de
Kralingse Plas. Omdat wandelen zo weinig kon worden gedaan genoten wij er extra van.
Etalages kijken
Later heb ik met mijn man heel veel gewandeld. Wij gingen dan door de Noorderboulevard, over de Noorderbrug, Jonker Franstraat, Meent, Coolsingel , links naar de Maas toe. Daar keken wij uit over het water en de vrachtschepen die er nog waren. Wij dronken koffie in de Ballentent en dan liepen wij een andere weg weer terug. Door de Hoogstraat en zo verder. Mijn man zei altijd: als je een andere weg terugneemt zie je twee maal zo veel. Op zomeravond gingen wij vaak wandelen naar de Noorderboulevard. Gewoon op en neer, etalages kijken. Genieten van de avondzon.
Kralingse Bos
Toen onze dochter klein was gingen wij wel eens met de auto naar het Kralingse Bos. Daar stapten wij uit bij de kinderboerderij die wij bezochten. Daarna wandelden we door het bos naar het pannekoekenhuis voor wat eten en drinken. En weer terug. Dan hadden wij een leuke middag gehad.
Een keer fietste ik met mijn dochter achterop door het Kralingse Bos. Gewoon langzaam om te genieten. Werden wij aangehouden door de politie. Voor mij was de politie je beste kameraad, dus ik stapte af en vroeg met mijn altijd vriendelijke gezicht: kan ik u helpen? Nou, zei de agent, u mag hier niet fietsen, dit is een wandelweg. O, zei ik, en omdat zij wel zagen dat ik geen kwaad in de zin had, kreeg ik geen bekeuring. Maar het was wel wandelen verder. Maar zo erg was dat niet. Wandelen werd dus altijd als een leuke bezigheid gezien. Later, toen er weer van alles opgebouwd was, gingen wij ook altijd lopend naar de stad. Naar V&D, Jungerhans, de Lijnbaan en via het Heliportterrein weer terug. Zo leerden wij ook het ‘nieuwe Rotterdam’ beter kennen.
T.E. van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
‘Top 40 heeft voor altijd een plek in m’n hart’
Al heel vroeg had ik wat met muziek. Zo hadden wij thuis altijd de Arbeidsvitamine aanstaan. Leuke plaatjes van alle stijlen die een vertrouwd en gezellig gevoel in onze huiskamer naar boven bracht.
Welk muziekje me zeker nog in het geheugen staat gegrift is “De Ochtendgymnastiek” gepresenteerd door Ab Goubitz, “Staat u allen klaar?”. ’s Ochtends, voor we naar school gingen, wilde mijn moeder altijd het nieuws op de radio horen. Direct na het nieuws werd “De Ochtendgymnastiek” uitgezonden.
Mijn moeder had een verschrikkelijke hekel aan de begintune en wilde die absoluut niet horen. Meestal redde zij het om de radio vóór aanvang uit te zetten maar soms ook niet. Dan kwam ze hard zingend of pratend aanrennen om het radiotoestel met het “kattenoog” alsnog een slinger te geven. Vóór aanvang had zíj dan haar ochtendgymnastiek al gehad.
De plaatjes bij oma
Mijn grootouders hadden al vroeg een platenspeler, zo eentje met het speakertje in de kap. Vóórdat ik door de pickupnaald werd geïnjecteerd door de populaire muziek hadden mijn opa en oma al platen van “de Grote Drie”. Ik was zeer geïnteresseerd in de LP’s van Wim Sonneveld, Wim Kan en Toon Hermans. Niet dat ik er toen veel van begreep maar het publiek lachte zich een ongeluk, dan moest het wel leuk zijn. Ik kon hele stukken van de conferences uit mijn hoofd. Oma had ook platen van “Ja Zuster, Nee Zuster”. Als ze me heden ten dage ’s nachts wakker maken kan ik nog vele nummers uit het hoofd meezingen.
Ook hadden ze zachte plastic plaatjes van Piggelmee en Paulus de Boskabouter. Deze spannende avonturen vergeet ik nooit meer. Bijvoorbeeld hoe de hommel in de snavel van Oeroeboeroe bommelde en de allesverwoestende explosie waarbij Eucalypta luid schreeuwend naar “wist ik veel” werd geblazen. Ik hoor het nog steeds en ik hoef er zelfs mijn ogen niet voor te sluiten. Onlangs vond ik op YouTube dit verhaal, ik sprak het nog woordelijk mee. “Paulus en het toverfluitje”.
Kattengejank
Mijn nicht en neef zorgden er voor dat oma singletjes van popmuziek kocht. Bijvoorbeeld van The Beatles. Ik draaide ze grijs. Omdat ik bij mijn grootouders altijd met de grammofoon bezig was mocht ik deze uiteindelijk hebben, een beter cadeau kon men mij niet geven. Nu kon ik zelf plaatjes voor mijn verjaardag vragen. Dat doet mij herinneren aan een avond in 1966. Ik zag een muziekprogramma waar
The Beatles, zo bleek later, “Day Tripper”, speelden. ‘s Nachts hadden de prachtige gitaarklanken van dit nummer me uit mijn slaap gehouden. De dag erna, vertelde ik mijn grootouders over de geweldige gitaarsound.
Oma begreep me, maar opa, die alle popmuziek de categorie Kattengejank meegaf, sprak de onvergetelijke woorden, “zou jij dat plaatje willen hebben?” Ik zie ons nog lopen door de straten van Oud-Crooswijk. De winkel aldaar was niet meer dan een pijpenla nog lang niet aangevreten door de Rock & Roll. Single voor single werden op de draaitafel gelegd waarbij het geduld van de platenbaas danig op de proef werd gesteld. Daar zat ik dan met die horentjes aan mijn oren te wachten op… Het ultieme geluksgevoel overspoelde mij toen ik de eerste gitaarklanken van Day Tripper hoorde. Day Tripper kreeg een nummer 1 notering in de Top 40.
De Top 40
Ik hoef mijn leeftijdsgenoten eigenlijk niets over de Top 40 te vertellen. Termen als alarmschijf, treiterschijf en de diverse jingles en radiotunes waren een begrip. “Herinnert u zich deze nog nog nog?” En “Joost mag het weten…”. De Top 40, die overigens ook op papier gratis verkrijgbaar was, voegde al de op dat moment populairste muziek prachtig voor ons samen. Iedere zaterdagmiddag werden deze 40 bestverkochte platen gedraaid op radio Veronica. Die vertrouwde Top 40 heeft voor altijd een nostalgische plek in mijn hart.
Ondanks dat ik later ‘afgedaald’ ben naar de krochten van de (hard- en symfonische) rock heeft de Top 40 voor mij de basis gelegd voor mijn muzikale interesse. “Joost mag het weten”, nou die Joost den Draaijer wíst destijds wat hij deed.
Martin Stikkelorum
Martin.stikkelorum@gmail.com
Naar de kelder… voor een jubileumfeestje
,,Naar de kelder gaan als krant, da’s eigenlijk niet zo’n goed teken”, sprak Nico Tempelman vooraf nog droogjes. Maar ook de jarenlange leverancier van leuke sportverhalen over vroeger moest bekennen dat dit toch wel een bijzonder plekje was.
De zogeheten speakeasy bar met drie verbonden ruimten zijn opgetrokken in de stijl van het Amerika van de jaren dertig. Compleet met Chesterfield-banken en bediening met Peaky Blinders-achtige petten. De sfeerverlichting was ditmaal ook nog in kerstsfeer. Het was in die entourage dat de Oud Rotterdammer haar jubileumfeestje vierde. Klein, intiem, maar gezellig.
Eerbetoon
De borrel stond voor een belangrijk deel in het teken van een eerbetoon aan de oprichter van de krant, Fred Wallast, zonder wie dit allemaal niet mogelijk was geweest. Het was zijn initiatief dat oudere Rotterdammers en oud-Rotterdammers jarenlang liet genieten van verhalen en anekdotes die zich afspeelden in hun Rotterdam, vaak in hun jeugd.
Remco Lange, de nieuwe eigenaar van de Oud Rotterdammer, hield een gloedvol betoog over het belang van een krant voor de stad, over de cruciale rol die Fred voor de krant speelde en over de toekomst van de krant die de kern van de formule wil vasthouden, maar hier en daar wel wil moderniseren. Aan het eind van die speech overhandigde hij een ingelijste voorpagina van het vijfhonderdste nummer aan onze oprichter, die weliswaar al een aantal jaartjes met pensioen is, maar nog altijd trots is op wat is neergezet door hem en alle medewerkers in de afgelopen jaren. ,,Papier zal echt voorlopig niet verdwijnen”, logenstrafte hij de woorden die hij bij de start van ‘zijn’ krant naar zijn hoofd kreeg geslingerd. ,,Alles zou digitaal worden. Nou echt niet.”
Juist de mix van een papieren krant met een sterke website en aandacht voor sociale media moeten in de toekomst gaan zorgen dat de Oud Rotterdammer nog lang kan doorgaan.
Maikel Zuurbier, sales manager bij Janssen Pers BV, de drukker van onder andere de Oud Rotterdammer, kon het alleen maar bevestigen. ,,Papieren kranten doen het nog steeds goed. Wekelijks drukken wij nog tien miljoen exemplaren, voor kranten in het hele land. Dat zegt genoeg.”
Reünie
Voor een deel was de borrel ook een reünie van oude bekenden. Vaste medewerkers als Gerard Cox, Rein Wolters en Joris Boddaert grepen de gelegenheid aan om de oprichter Fred Wallast nog eens te spreken. Maar ook was er de gelegenheid voor ‘nieuwkomers’ als columnist Joost Zielstra en vaste adverteerders om kennis te maken met de mensen achter de krant.
Oude herinneringen werden opgehaald en nieuwe afspraken gemaakt. Want terugblikken is leuk, maar vooruitkijken ook belangrijk. We gaan er in het nieuwe jaar weer fris tegenaan. Op naar de nieuwe kranten met mooie verhalen van u, lezer, en van ons.










