De geur van Rotterdam vergeet je nooit
Hallo, hallo, wie stinkt daar zo? Het is het mannetje van de radio. Geen idee waar deze uitroep vandaan kwam en of het klopte, maar het zal bij de meeste oudere lezers wel bekend zijn. Ik plaag er nog wel eens mijn kleinzoon mee. Als geboren Rotterdammer ben ik opgegroeid met een melange van allerlei specifieke geuren. Wonend in de Breitnerstraat, dus zeg maar min of meer in het centrum van de stad, lag het aan de windrichting wat er te ruiken viel.
Kwam de wind uit het zuiden dan roken we de havens van Rotterdam met de geur van teer vermengd met specerijen uit verre oorden. Kwam ie uit het Westen dan was de Shell raffinaderij de boosdoener. Ach en als de wind recht uit het oosten kwam voerde die de onaangename lucht van het destructiebedrijf de Gekro aan. Zat je echt niet op te wachten. Nee, dan had ik toch liever de Noord/Westen wind die de geur van de koffiebranderij van de Van Nelle fabriek of de broodfabriek Van der Meer en Schoep mee voerde.
Warme bakker
Hoe wonderlijk, maar ruik ik ergens een warme bakker dan komen als vanzelf de beelden van mijn straat weer voor de geest. En waar ik als jong ventje samen met een vriendje op mijn rode autoped met glimmende bel mijn reis om de wereld begon. Nou ja een blokje om ging. En dan zonder dat ik van de stoep af moest, wat mij ook ten strengste verboden was. Vond ik overigens wel jammer omdat juist aan de overkant de zon vaak scheen. Maar de straat uit en de hoek om, kwam ik toch in de zonovergoten Rochussenstraat terecht. Daarna rechtsaf de Mathenesserlaan op om verderop weer rechts afslaand de Breitnerstraat in te rijden.
Lysollucht
En zo kunnen geuren net als sommige kleuren je ineens weer terug in een andere tijdzone brengen. Vaak leuke en soms minder leuke momenten uit het verre verleden. Zoals de keer dat ik een lelijk gat in mijn knie viel, toen ik door een bewaker met een grote hond achterna gezeten werd. Natuurlijk had ik daar ook niks te zoeken op dat bouwterrein, waar ik spelenderwijs op terecht was gekomen.
Die wond net onder de knie moest gehecht worden en nog herinner ik mij de lysollucht, die daar in dat uit de oorlog overgebleven deel van het Coolsingel-ziekenhuis hing.
Hoe wonderlijk eigenlijk, dat ik jaren later met de vrachtwagen en inmiddels werkzaam bij Van Gend & Loos al die bedrijven met de geur uit mijn kindertijd weer tegen kwam. Tijdens onze pendeldienst naar Van Nelle bijvoorbeeld die een grote klant was en waar we veel goederen voor vervoerden. Spullen brengen bij dezelfde broodfabrikant en het destructiebedrijf die ik vroeger in de straat rook. En zwervend over het raffinaderij terrein van de Shell of de Esso tussen sissende en stomende leidingen op zoek naar het magazijn of de onderaannemer die op zijn spullen wachtte. En waarvan de benzine of oliegeur regelmatig, als de wind uit de verkeerde hoek kwam, over de stad dreef.
Nog zo’n mooi onderdeel van ons prachtige beroep. Je kwam op plaatsen waar de gemiddelde burger geen weet van heeft. Waar alleen de werknemers van die bedrijven bekend mee zijn en toegang hadden. Net als de chauffeur die daar zijn goederen kwam lossen. Altijd op zoek naar het magazijn. Beschermd door het uniform zodat je nooit gevraagd werd wat je kwam doen. Of het nou de scheepswerven waren met enorme coasters in aanbouw, met die enorme herrie van staal op staal en waar die specifieke geur hing van bewerkt metaal. Of een slachthuis waar lange rijen kerels met vlijmscherpe messen in de weer waren. Zelfs bouwterreinen hadden geen geheimen voor ons.
Uitgekookte beenderen
Zoveel verschillende soorten bedrijven die wij bezochten. De lijmfabriek waar je echt veel moeite had met de lucht van uitgekookte beenderen. De chocoladefabriek van De Heer in Rotterdam, waar het zo heerlijk naar cacao rook. De margarinefabriek met een geur van boterzuur die je wel wat erg sterk vond ruiken. Die broodfabriek in de Spaanse Polder waar de warmte van de ovens je tegemoet straalde of dat galvaniseerbedrijf in Vlaardingen waar grote metalen delen in een enorm bad gedompeld werden, die een gevaarlijk zuur bevatte en waar je vlak langs moest lopen op weg naar de magazijnmeester.
Alcohol
Net zo link als dat open mangat in de vloer bij een stokerij in Schiedam, enkel afgebakend met een los rood/wit hekje, waar een tankwagen van Jawico zijn lading alcohol loste. En nog herinner ik mij de mooie donkere jongens, die grijs van het stof in de bezemfabriek van Capelle aan den IJssel aan het werk waren. Mensen uit de Antillen, afkomstig van de prachtigste tropische eilanden in het Caribisch gebied en hier in die bedompte donkere en zwaar stoffige ruimte zonder noemenswaardige bescherming hun centjes probeerden te verdienen.
En zo liep je ook regelmatig in het havengebied van Rotterdam met de bekende geur van teer en specerijen op zoek naar de ambtenaar. Of zocht je weg in dat oude pakhuis waar het sterk naar de wijn rook, die er was opgeslagen. En toen ik dat jaar als chauffeur op een geldwagen bij Van Gend & Loos Service BV werkzaam was, liep ik net zo makkelijk de met grote zware deuren beveiligde kluizen binnen. Of hermetisch afgesloten ruimtes waar het personeel stapels bankbiljetten aan het tellen waren. En jawel het klopt, daar viel niks vreemds te ruiken. Geld stinkt immers niet. Wel de lucht bij onze loods aan de Westzeedijk, waar aan de overkant regelmatig de met koeienhuiden beladen vrachtwagens stonden te wachten om bij Kaufmann’s huidenhandel gelost te worden.
Knollen en spruitjes
Ach en hoe moet het thuis niet geroken hebben. De etenslucht van knollen of spruitjes of die van de buren uit het verre Indië. Gelukkig heb ik daar geen actieve herinnering meer aan. Mijn vader rookte sigaren en mijn moeder de nodige filtersigaretten al dan niet met menthol. Bovendien was het toen heel normaal dat je alleen op zaterdag in bad ging terwijl je net zo makkelijk de sokken van de vorige dag aantrok. Of nog een dag daarvoor. En dat met een gezin van zeven personen. Samen met de boenwas van mijn moeder en een kolenkachel die lustig brandde toch een aardig bedompt atmosfeertje lijkt mij zo.
Een wel heel speciaal geur-moment ontstond toen ik na mijn pensionering samen met mijn kleinzoon een goederenwagon binnen stapte in het Spoorwegmuseum in Utrecht. Het was eigenlijk best een lugubere plek, omdat met zo’n wagon de joden naar de concentratiekampen werden vervoerd in de oorlog. Maar ineens waande ik mij weer terug op mijn werk aan de Westzeedijk in een tijd waar lange rijen goederenwagons stonden opgesteld om geladen te worden. Ook daar hing in de houten bekleding die specifieke lucht van het vervoer van allerlei producten en stoffen uit een ver en lang verleden.
Eigenlijk dezelfde vreemde lucht als in onze oude opleggers. Niet altijd even onaangenaam al was de vislucht die er soms hing nou niet bepaald lekker te noemen. Net zo als het zuur van een om gevallen accu behoorlijk kon irriteren. Om de darmen niet te vergeten, die als palingen uit een omgevallen ton konden glibberden. Bedenk daarbij dat in die tijd onze opleggers nog geen ventilatie openingen hadden en de temperatuur met een zonnetje aardig kon oplopen. Nee dan kon je toch beter een open gescheurde zak met specerijen of koffiebonen tegen komen. Net zo als pas gemaaid gras of heerlijke geur van de warme bakker.
Wim van der Klein
klein2@zonnet.nl
Met ‘toko op wielen’ langs Indische Nederlanders
Al sinds de Tweede Wereldoorlog hebben we woningnood. Oplossingen werden ook bedacht zoals in de jaren ‘40 werd het verplicht inwoning te nemen als een woning meer kamers had dan gezinsleden. Eind jaren veertig kwamen de mensen uit voormalig Nederlands-Indië die ook gehuisvest moesten worden. Die werden meestal onder gebracht in pensions. Daar kregen de mensen gekookte aardappels, spruitjes, bloemkool, stamppot etcetera. Dat is een hele overgang, als je gewend ben aan Indische eten.
Er waren bedrijven die complete Indische gerechten leverden in rantangs. Dat zijn 4 à 5 kleine pannetjes op elkaar die in een soort frame zitten. In het onderste pannetje zat heet water. Deze rantangs werden dan dagelijks afgeleverd bij de Indische klanten met een abonnement.
Volkswagenbus
Helaas was dat niet overal beschikbaar. Bij de meeste pensions mochten de mensen niet zelf koken, omdat ze bang waren voor brandgevaar. Gelukkig waren er ook pensions waar ze zelf hun eigen maaltijd mochten bereiden. Maar in die tijd waren er heel weinig toko’s of winkels waar je Indische ingrediënten kon kopen, vooral als je niet in de stad woonde.
Onze vader heeft toen een Volkswagenbus aangeschaft en ingericht als een Warung Keliling. Zeg maar een soort toko op wielen. Met deze bus gingen we vanuit Rotterdam op pad langs pensions en afgelegen plaatsen en Ambonezenkampen.
Als kind heeft dat heel veel indruk op me gemaakt, mensonterend hoe bij sommige locaties de mensen waren gehuisvest. Hele kleine kamers of ruimtes, sommige gescheiden met een groot gordijn of kartonnen platen, en dan nog eens vaak zonder ramen. Heel triest en deprimerend.
Respect
Wat ik toen nog niet wist, dat de meeste mensen alles achter hebben moeten laten. Daarbij hadden ze traumatische ervaringen met de Jappenkampen en later de Bersiap-tragedie. Gezinnen met vier kinderen in twee kleine kamers…
Wat ik me herinner is onder andere dat er een man was die in Indië een heel groot accountantskantoor met heel veel medewerkers had. Die moest hier in Nederland opnieuw examen doen! Een ander was hoofdcommissaris bij de politie. Die moest hier de straat op. Dat heeft hij geweigerd. Hij is heel hard gaan studeren en is inkoper geworden bij het Ministerie van Defensie waar hij tot zijn pensioen heeft gewerkt.
Ik zag iemand geknield op de grond zitten en was verwonderd wat hij aan het doen was. Zijn buurman deelde mij mee dat hij aan het bidden was. Dat was mijn aller-
eerste ontmoeting met een moslim.
Tijdens het afleveren van een bestelling in een Ambonezenkamp zag ik in een kamer een toiletbril hangen met een portret van Koningin Juliana er in!
Helaas heb ik verhalen gehoord en situaties gezien die ik liever niet wil vermelden. Ik heb enorm veel respect voor de Indische Nederlanders hoe ze het hebben gered ondanks alle tegenslagen, trauma’s en onbegrip.
Rob van Olphen
robvanolphen@icloud.com
Liefde voor jeugdboeken met de paplepel ingegoten
Van 1 tot 12 oktober is het Kinderboekenweek. Dat is een jaarlijks evenement dat is begonnen in 1955. In 1954 was er het kinderboek van het jaar, namelijk ‘Lawines Razen’ van An Rutgers. Dat boek is ook als hoorspel over de radio uitgezonden. Sinds 1955 was er een Boekenweek voor de kinderen en kwam er elk jaar een Boekenweekgeschenk uit. Het thema is dit jaar ‘Avontuur’.
Mijn vader had een boekwinkel. Mijn animo om te lezen werd natuurlijk gestimuleerd. Op mijn vijfde kon ik al eenvoudige boekjes lezen van Jan Ligthart bv. Toen ik naar de lagere school ging was ik erg blij om alles wat ik zou kunnen gaan leren. Als wij klassikaal gingen lezen was ik altijd ver vooruit, maar ik had mijn hand op de plek waar de klas aan het lezen was, zodat ik als ik aan de beurt was gelijk op de goede plaats verder kon.
Eenvoudige boekjes
Het lezen begon natuurlijk met eenvoudige boekjes. Tup en Joep, Okkie Pepernoot, Pinkeltje, Saskia en Jeroen. Ik mocht toen ook al klanten helpen door boekjes aan te wijzen en aan te bevelen. In novembertijd kwamen de zondagsschoolboekjes van de Uitgeverijen Callenbach en Meinema. Dan kwamen dames boekjes uitzoeken voor de kinderen. Voor de jongere kinderen waren dat veelal boekjes van W.G. v.d. Hulst: Bruun de Beer, Kareltje, Het klompje dat op het water dreef, Het plekje dat niemand wist. Voor de oudere kinderen waren dat meestal de boekjes van uitgever Meinema. Dus was er veel te lezen voor mij.
Sprookjes
Nu was het zo dat veel van die boekjes gingen over kinderen die in dorpen woonden. De kinderen sprongen over slootjes en liepen door het bos naar oma en opa. Dat was voor ons Rotterdammertjes een heel onbekend gegeven. Voor mij waren die boekjes ook meer als sprookjes, leuk om te lezen maar natuurlijk niet echt. Later las ik Kruimeltje, Peerke en zijn kameraden. Dat speelde meer in de stad maar dan in vroegere tijden. Ook de klassieke kinderboeken heb ik allemaal gelezen. Abeltje, Dik Trom, Pietje Bell, Alleen op de wereld. Wat grote indruk op mij had gemaakt was het boek Jeroen en de zilveren sleutel van Daan Zonderland. Het was ook een soort sprookje waarin dieren spraken.
Ik kreeg ook boeken voor mezelf met verjaardag en met Sinterklaas. En met de Kerst van de Zondagsschool. Soms ook voor mijn rapport. Mijn eerste plaats om boeken op te bergen bestond uit twee plankjes met zijkant boven mijn bed, 50 centimeter breed. Langzaam groeide mijn verzameling boeken. Toen ik 12 was kreeg ik een metalen rek met drie planken, rood, geel en zwart met grijze zijkanten. Uit nostalgische overwegingen heb ik die heel lang gehouden. Maar met een verhuizing is hij in de strijd gebleven. Toen ik 18 jaar oud was heb ik zelf een boekenkast gekocht van teakhout, een meter breed met drie planken. Die heb ik nog steeds. Die kast was toen niet gelijk vol, maar ik zette er ook snuisterijen in en op.
Uittreksels
Toen de Kinderboekenweek werd ingesteld, was ik er eigenlijk al te oud voor. Ik las geen kinderboeken meer. Later heb ik de schade ingehaald door boeken van Thea Beckman te lezen en van Tonke Dragt. Dat zijn toch klassieke kinderboeken geworden.
In 1956 ging ik naar de M.M.S. En dat was een goede opleiding om betere boeken te lezen. Voor mijn examen moest ik 25 boeken lezen voor Nederlands, 12 voor elk van de vreemde talen, Engels, Duits en Frans. Daar maakte ik ook uittreksels van. Die waren ook wel te koop, maar je leert er het meeste van om het zelf te doen. Voor Nederlands moesten er boeken uit alle eeuwen op je lijst staan. Omdat het eind jaren 50 was, waren er een heleboel boeken domweg nog niet verschenen. Wij lazen allemaal Het Stenen Bruidsbed van Mulisch, Het Bittere Kruid van Marga Minco, verder boeken van Couperus, Van Eeden, Bordewijk, Elsschot, Anton Coolen. Ina Boudier-Bakker, Aart van der Leeuw, Hildebrand natuurlijk en Multatuli.
Rotterdam boeken
Veel later kochten mijn man en ik veel boeken over Rotterdam: bijvoorbeeld Het prentenboek van Rotterdam, Rotterdam op gekleurde ansichten, Rotterdam breed gezien. En ook specifieke boeken over bepaalde wijken. Zo breidde onze verzameling boeken zich uit. Mijn man maakte zelf in zijn vakantie vier boekenkasten en zo kijk ik nog regelmatig in de anderhalve meter boeken, die een beeld geven van de Rotterdamse geschiedenis.
Tiny van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Theo gebruikte de Laurenskerk als schildersatelier
Jaren geleden stuurde de Rotterdamse schilder Theo Huson ons een verhaal over de Laurenskerk. Het haalde destijds onze krant niet, maar het is te bijzonder om het zomaar te laten liggen. Zeker nu wij in deze krant heel veel aandacht geven aan de trots van Rotterdam, met een fraaie speciale bijlage over de Laurenskerk.
Wie iets bewaart, heeft iets en daarom bij deze alsnog het verhaal van Theo Huson.
Mijn verhaal over de Laurenskerk is begonnen in 1988. Als beeldend kunstenaar werd de kerk mijn schildersatelier. Ik vroeg de toenmalige directeur de heer Brussee: “Mag ik één schilderij in de kerk maken?” Hij begon moeilijk te kijken, maar ik zei snel: “Ik ben een goede schilder!”
Toen zei de directeur dat het goed was. In totaal heb ik vanaf 1986 in de kerk, met een kleine onderbreking van 2003 tot 2007, tot 2016 zestien schilderijen gemaakt in de kerk.
Toen ben ik gestopt. Mijn schilderen, al zeg ik het zelf, zijn uniek vergeleken met de oude schilders van de kerken in Holland. Bijvoorbeeld een schildering van spoorrails die door de kerk lopen, een beeld van de Laurenskerk 2000 jaar later. De bestaande tunnels zijn ondergelopen door de stijging van de zeespiegel en als noodmaatregel hebben ze het spoor verlegd, dwars door de kerk heen.
Geheimzinnigheid
Tijdens een expositie van mijn schilderijen in de Laurenskerk bleef ik gewoon doorschilderen. Op een gegeven moment kwam een jonge vrouw bij mij staan en ze zei: “Meneer, ik word bang van uw schilderij.” Ik vroeg waarom. Ik had ook een brandende kroonluchter geschilderd, dus er was ook plaats voor romantiek. Toen ze wegliep ben ik over het schilderij gaan nadenken. Misschien was deze vrouw joods!?
Er staat op het schilderij bij een rails een jonge vrouw. Die kijkt verwonderd om zich heen. Toch heb ik meer gehoord dat er mensen zijn die aan Auschwitz denken. Het schilderij straalt onder andere geheimzinnigheid uit. Mijn laatste schilderij heb ik dus in 2016 gemaakt. De eerste twee jaar vanaf 1986 zat ik elke dag te schilderen in de kerk. Zelfs op maandag. De kerk was dan gesloten en ik had heel de kerk voor mij alleen. ’s Middags om vijf uur kwam Jannus de Jong de kerk sluiten.
Elvis
Doordeweeks schilderen met publiek is heel interessant. Zoveel mensen ontmoette ik, waaronder de acteur Luc Lutz, een operazangeres uit Dresden verbonden aan de Sample Opera en heel veel kunstenaars.
In de jaren 80 ontmoette ik Joe Esperito, de enige vriend van Elvis Presley. Joe heeft Elvis dood gevonden in de badkamer. Een vriendin belde vanuit het huis van Elvis: “Joe, kom kijken. Er is wat met Elvis gebeurd.”
Een arts verklaarde dat Elvis dood was. In 1986 zat ik te schilderen, toen een paar mensen bleven kijken tot ik mij omdraaide en vroeg: “Waar komen jullie vandaan?” “Uit Memphis”, zeiden ze. Ik zei gelijk: “Elvis Presley!” Toen stapte een ietwat oudere heer op mij af, stak zijn hand uit en zei “Joe Esperito”. De jonge vrouw die erbij was bleek het huis van Elvis te beheren en ze vroegen aan mij of ik langs wilde komen om dat huis te bezoeken. Helaas kon ik niet komen. De volgende dag stond in de krant dat Joe naar Holland was gekomen voor een Elvis-meeting. Jammer genoeg had ik geen fototoestel bij de hand. Dat zijn toch de leuke dingen die ik meemaakte in de kerk.
Boek
In oktober 2018 werd een boek gepresenteerd in de Laurenskerk. De schrijver heeft er zeven jaar aan gewerkt. Hij heeft zestien schilderijen in zijn boek geplaatst. Het heet ‘De geschiedenis van de Laurenskerk vanaf 1400 tot heden en telt 600 bladzijden.
Mijn schildertijd begon al na de oorlog. Mijn moeder schilderde ook. Als kind stond ik altijd naar haar werk te kijken. Als jongen van 12 jaar begon ik koppen van
Rembrandt te kopiëren met olieverf. Elk jaar kwam er visite uit Parijs en Italië. Wij woonden aan de
Admiraliteitstraat 13.
Toneel
In 1953 werd ik aangenomen bij Leo Mineur, waar ik heb gewerkt tot 1958. Wij maakten toneeldecoraties en bioscoopreclames voor de Rotterdamse bioscopen. In 1960, na de tijd bij Leo Mineur, werd ik kunstenaar, maar werd ook aangenomen bij het Rotterdams Toneel. Ik zou een opleiding krijgen voor belichting van toneelvoorstellingen. Maar uiteindelijk werd dat toch een andere, jonge man. Maar ik heb in die tijd wel veel toneelspelers gekend, waaronder Guus Hermus, Willem Nijholt en de gebroeders Lutz.
Theo Huson
Wie iets beleefd vraagt, krijgt vaak z’n zin
In 1986 waren we nog niet met pensioen, maar door het werken in het onderwijs hadden we toch een heerlijk lange zomervakantie, die we doorgaans in Frankrijk doorbrachten. Dat begon in de zestiger jaren, met een zeer oude overgenomen tent, daarna met een vouwwagen en uiteindelijk met een kleine caravan. We stonden er zelf versteld van wat we daar ingepropt kregen, eerst nog met en later zonder de kinderen.
In deze grote zomervakantie van 1986 togen we dus weer op weg. Dit keer wilden we een tijdje doorbrengen in de Dordogne, op een bij toeristen minder bekende plek. We waren daar eerder geweest en dat was goed bevallen. Maar eerst reisden we, zoals gewoonlijk, altijd op een toeristische manier naar ons einddoel.
We kozen deze keer voor de westelijke kant van Frankrijk. Via campings bij Amiëns, in Tilleul in Normandië en in Mûr-Erigné, bij Angers, waar we wat flesjes Loirewijn hebben ingeslagen, trokken we naar het zuiden en meteen ook meer het binnenland in. Na aanvankelijk hier en daar wat regen en fris weer, werd het nu steeds warmer. We kozen voor de autoroute Tours-Poitiers en daarna de weg naar Limoges en Brive, om ons tenslotte aan te melden op de ons door een Engels echtpaar aanbevolen gemeentecamping in Magnac-Bourg. Het bleek een goede keuze. Alles was er dik in orde en dat voor een zeer lage prijs. Van hieruit hebben we enkele mooie tochten gemaakt en plaatsen bezocht, zoals Uzerche,, Le Saillant, Perpezak. We wandelden door de mooiste oude dorpjes en straatjes, waar de tijd leek te hebben stil gestaan. Ook ontmoetten we er een heel lief Frans echtpaar, een gepensioneerde wijnvertegenwoordiger en zijn vrouw. Zij raadden ons aan om op te terugweg via La Rochelle te reizen en daar bij de visafslag te gaan eten.
Mopperende mensen
De reis ging verder naar Cahors en van daaruit bezochten we het zeer oude vestingstadje St. Cyr-la-Popie, beeldschoon, maar natuurlijk ook Cahors zelf. Het werd echter tijd om naar ons einddoel te rijden. Via een prachtige tocht door de wijnroute van Cahors, richting Bergerac, kwamen we aan op de bedoelde camping van Castillon-la-Bataille, gelegen aan de rivier de Dordogne. Ook hier werd het weer een gemeentecamping, zonder poespas. Van glamping had nog niemand gehoord en als het sanitair in orde en schoon is en de plaatsen niet te klein, dan waren wij tevreden. Een vorig jaar werd de camping geleid door een mevrouw, kennelijk een ambtenaar van de gemeente en dat deed zij prima. Nu werden we op de receptie ontvangen door twee jongemannen, waarschijnlijk studenten.
“Oké”, dachten we, “ook goed”, maar dat pakte toch anders uit. Op deze camping rustten we wat uit, bezochten we nog wat in de omgeving en genoten we van het mooie weer. Ook ontmoetten we er een vriendelijk Frans echtpaar, waar we wat meer contact mee kregen. Op onze trouwdag in juli hebben we ze uitgenodigd bij ons te eten en later waren wij welkom bij hun prima barbecue maaltijd. Maar intussen merkten we dat de meeste Franse gasten om ons heen behoorlijk begonnen te mopperen en ook bij ons steeg een zekere ontevredenheid.
De camping begon er verwaarloosd uit te zien, het sanitair werd niet goed schoon gehouden en er waren sluitingen en lampen kapot, zonder dat er iets werd gerepareerd. Er waren zelfs families die voortijdig vertrokken. Als antwoord aan die mopperende mensen zeiden we dat ze dan konden klagen bij de gemeente. O, maar nee, dat deden ze niet. Het kon echter zo niet doorgaan. Deze jongens hadden er geen kaas van gegeten, veel te jong en onervaren om die verantwoording aan te kunnen.
We zeiden dat wij dan wel naar de gemeente zouden gaan. De monden vielen open.
Forse meneer
Op een middag daarna zouden we gaan zwemmen in een zwembad in het stadje. We stapten op onze fietsen en reden meteen naar het Hotel de Ville, het gemeentehuis en daar vroegen we om degene te mogen spreken die verantwoordelijk was voor de camping. Het meisje verschoot van kleur, maar leidde ons naar een kamer. Daar troffen we een forse meneer aan, met een flinke bos zwart haar en zo’n zelfde snor, gezeten achter een gigantisch bureau. We stelden ons netjes voor en begonnen met Frankrijk, de streek en de camping de hemel in te prijzen. We vertelden dat we er meer waren geweest en dat de camping toen zo keurig werd onderhouden door een mevrouw. En toen kwam het verhaal dat de jongens die er nu waren aangesteld, hier toch niet zo geschikt voor bleken te zijn en door hun leeftijd en onervarenheid misschien nog niet in staat waren om die verantwoordelijkheid te dragen. Dus zonder ze echt aan te klagen. Ook zeiden we dat er al mensen waren vertrokken. De man keek ons verschrikt aan en kon niets anders uitbrengen dan: “Dat wist ik niet, daar wist ik niets van……” Wij antwoordden voorzichtig: “Misschien kunt u eens gaan kijken”. Nou, dat zou in orde komen. Daarop hebben we hem beleefd en vriendelijk bedankt en zijn we lekker gaan zwemmen.
Netjes
En nu blijkt dat wat wij onze kinderen al jong hebben geleerd, vaak goed uitpakt: “Je kunt alles zeggen, als je het maar netjes doet”. Toen wij terugkwamen op de camping stonden er groepjes gasten te praten en toen ze ons zagen was het: “Wat hebben jullie gedaan? Er is een ploeg mensen gekomen en alles is gerepareerd en schoon gemaakt”. Tja, die eigenwijze, eigengereide Hollanders. We zijn er toevallig nooit meer terug geweest. Frankrijk is zó groot en bijna overal zó mooi, maar helaas, wij zijn inmiddels zó oud… De terugreis ging inderdaad over La Rochelle, waar we werkelijk bijzonder en lekker hebben gegeten in het restaurant van de visafslag.
Corrie Gelderman
hancogel@kpnplanet.nl
Een beetje thuiskomen in Suriname
Het zou echter tot 2014 duren voordat ik met mijn vrouw naar Suriname op vakantie ging. Een land dat voor 80 procent bedekt is met regenwoud. Het lijkt in de verste verte niet op Nederland en toch klinkt het iedere ochtend: goedemorgen. Een vliegtuig van de KLM met 408 passagiers en 20 bemanningsleden overbrugde 7707 kilometer en met de aankomst op vliegveld Zanderij begon ons avontuur. De eerste dagen brachten we door in Paramaribo met o.a. een bezoek aan fort Zeelandia waar zoveel over te vertellen valt. Er waren veel historische plaatsen met achtergrondverhalen. Op weg naar Atjoni een havenplaatsje bezochten we het Oost-Surinaamse marrondorp
Moiwana waar in 1986 een bloedbad werd aangericht.
De jungle
Bij het plaatsje Atjoni vertrokken we met korjalen de binnenlanden in met een overnachting op een schilpaddeneiland. Wat een prachtige kennismaking met de dorpsoudste en de bewoners. Met lange stokken werden er mango’s uit de bomen geklopt en voor ons klaar gemaakt. De andere dag ging het met korjalen verder op weg naar Danpaati, een lodge aan de boven Surinamerivier. Onderweg passeerden wij traditionele dorpen, vrouwen die de was doen in de rivier. Kinderen die spelen in het water en pannen die in het water worden schoongemaakt. Het was een betoverende reis over het water. Een aantal dagen verbleven wij op het eiland en maakten dagtrips naar het dorpje Dan. We bezochten een school en met mijn mondharmonica verzorgde ik een optreden voor de kinderen die daarna ook voor ons gingen zingen.
Het oerwoud in
De gids, die al een hoge leeftijd had, gaf in het oerwoud uitleg over de natuur. Hij liet in tien minuten zien hoe je met palmbladen een dak voor een hut kon vlechten. Het is een voorwaarde voor een man om een eigen hut te kunnen bouwen voordat hij gaat trouwen. Onze tocht door het oerwoud werd spannend toen onze gids plotseling bleef staan. Op het bospad had hij een slang gezien die omhoog kwam en siste. Met een kapmes hakte Simon een grote tak af en sloeg hierna de slang dood. Later bleek dit een langpuntslang te zijn die door Simon ter plekke werd begraven. Het bleek later een zeer giftige slang te zijn.
Een grote afbeelding in onze woonkamer herinnerd ons iedere dag aan ons avontuur in Suriname.
Han Karels / hankarels1946@outlook.com
De Rotterdamse haven blijft trekken
Wie Rotterdam zegt, denkt gelijk aan de haven. Na de oorlog was dat nog veel
duidelijker. De schepen lagen in de
Rotterdamse havens. De ladingen werden daar ook verscheept. In die tijd ontstond ook het Rotterdamlied: ‘k Heb U lief Rotterdam, met uw drukt’ en gewoel, waar het leven zo krachtig in bruist… En wie kent niet het gedicht van Jan Prins uit 1937: Te Rotterdam ben ik geboren onder de adem van de Maas… Dat leerden wij al op de Lagere School.
Mijn man heeft na de Lagere School op de Havenvakschool gezeten. Daar leerde men alles wat met de haven te maken had. Knopen, stouwen, vlaggen, metaal- en houtbewerking. Op een keer was er een prijsvraag voor scholen.
Wie maakt de mooiste maquette van de haven? En ja hoor, die was van de havenvakschool. Maar zij kregen de hoofdprijs niet, want, zei de jury: jullie zijn eigenlijk professionals. Dat was een hard gelach.
Om dat goed te maken mochten ze met z’n allen een weekje kamperen in Noord-Holland. Wie ze daar een plezier mee deden? Niet mijn man. Het was mede de oorzaak dat hij nooit meer wilde kamperen.
Balen sjouwen
Na twee jaar kon men nog een VD-
diploma halen. Daarna ging mijn man als 14-jarige in de haven werken als havenarbeider. Balen sjouwen! Er waren nog geen containers. Op zijn leeftijd mochten de balen niet zwaarder zijn dan 40 kilo. Maar ja, als de balen in 60 kilo werden aangevaren, kon je niet zeggen dat doe ik niet. Maar hij was nog in de groei, at 20 boterhammen bij de lunch.
Het gevolg van dat sjouwwerk was, dat hij op zijn 15e een flinke hernia kreeg. Hij is toen door een arts in Dordrecht behandeld. Vervolgens werd hij matroos-motordrijver op een sleepboot van Piet Smit. In de strenge winter van 1962-63 moest hij bijvoorbeeld ijsschotsen bij de Moerdijkbruggen wegduwen. Maar hij is altijd bij blijven leren.
Uiteindelijk is hij op de grote vaart terechtgekomen en heeft als 3e scheepswerktuigkundige de wereld rondgevaren, ook de Grote Oceaan over.
Containers
Intussen waren de havens verplaatst naar de Maasvlakte. De lading was niet meer in balen of zakken, maar in containers. En was er niets leuks meer aan te zien. Op de Maas bij Rotterdam kwamen nog wel rijnaken voorbij en de Spido natuurlijk, die rondvaarten verzorgt en nog wat van de oude havens laat zien. Zo blijft de haven altijd trekken.
Mijn man ging in de Botlek werken in vol-continudienst. Af en toe ging mijn man na zijn werk naar de Maas om daar over het verleden te mijmeren. Met onze kleinzoon zijn wij ook een keer naar het museum Futureland op de Maasvlakte geweest en naar het zeegat bij Hoek van Holland, om te laten zien waar opa allemaal had gewerkt.
Tiny E. Van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Voor schoolreisjes werd lang gespaard
De maanden juni en juli staan in het teken van de schoolreisjes. Vroeger werd daar het hele schooljaar voor gespaard. Op vrijdagmiddag werd er per persoon geld ingezameld. Meestal was dat een dubbeltje. En alles werd genoteerd in een schrift.
Waar gingen wij naar toe? In de eerste en tweede klas gingen wij met de tram naar Diergaarde Blijdorp of het Plaswijckpark. In de derde klas kwam er een echte bus voorrijden. Nu was het zo dat voor schoolreisjes de oudste bussen werden gebruikt van de ondernemer. Er was altijd wel een leerling die niet tegen autorijden kon en moest kotsen. En elk kind had van zijn of haar ouders een zak snoep meegekregen om uit te delen, wat ook niet bevorderlijk was voor de maagstreek.
Liedjes
Zodra wij in de bus zaten en wegreden, uitgezwaaid door de ouders, begon het zingen: Wij zijn er bijna… maar nog niet helemaal. Of: Eerste couplet: er wordt een potje met vet… op de tafel gezet. Ook liedjes zoals: Hoog op de gele wagen, en: ‘k Heb mijn wagen vol geladen vol met oude wijven. En andere liedjes uit de bundel ‘Kun je nog zingen, zing dan mee’.
De reis had ook een educatief karakter. Onderweg werd gewezen op de fabrieken bv Hooimeyer beschuit, Philips of Fokker. Zo leerden wij ook trots te zijn op Nederlandse producten. In het kader van geschiedenisles bezochten wij ook bijvoorbeeld het Prinsenhof in Delft, om naar het kogelgat te kijken van de kogel waarmee Willem van Oranje werd vermoord. Ook de Nieuwe Kerk werd aangedaan.
Daarna ging het naar Den Haag, naar de Gevangenpoort. Dan was Panorama Mesdag aan de beurt. En in de middag gingen we dan naar de speeltuin in Wassenaar.
Wij hadden een keer een heel lange schoolreis naar Limburg. Daar bezochten wij de militaire begraafplaats in Margraten. Ook gingen wij in Vaals het Drielandenpunt bezoeken. Dan riep de chauffeur: “nu zijn we in België”. Heel de bus riep dan hoera. “En nu zijn we in Duitsland”. Weer hoera. Want niemand van ons was ooit in het buitenland geweest, dus dat was voor ons iets bijzonders. Wij hebben ook een keer op een meer gevaren, maar daar weet ik niet meer het fijne van. ’s Middags gingen we altijd naar een speeltuin.
De ouders stonden om een uur of 5 te wachten. Er was altijd wel iemand in de bus die zei: laten wij doen of er niemand in de bus zit. En alle kinderen doken weg om bij stilstand van de bus omhoog te springen. En dat ging elk jaar zo.
Goden en Farao’s
Op de middelbare school gingen wij bijvoorbeeld naar een bijzondere tentoonstelling over de Oudheid en Egypte in Leiden. Of naar het Rijksmuseum, kijken naar de Nachtwacht. Maar ook door de weeks gingen wij regelmatig naar museum Boijmans, waar wij uitleg kregen over verschillende stijlen in de schilderkunst.
In die tijd was er ook een uitgebreide tentoonstelling van Rembrandt ter gelegenheid van zijn 350ste geboortedag. En later een wereldtentoonstelling over Egypte, genaamd Goden en Farao’s. Die trok ook heel veel buitenlanders. Zo werd er gewerkt aan onze algemene ontwikkeling.
Tiny E. Van Noordennen-van Dordrecht
debarim@vanlingen.net
Mijn drie favoriete Rotterdamse kroegen
De Steenbok zat op de Vierambachtsstraat, vlak bij Radio Leo. Ik kwam daar omstreeks de jaren zestig, niet zozeer om” in te nemen” maar omdat het er zo beregezellig was, ik vond het een soort buurt- huiskamer. Er werd ook aan sinterklaas gedaan. De naam van de barman ( en – vrouw) weet ik niet meer, maar wel dat zij ook een zaak hadden, Inzell genaamd, in een zijstraat van de West Kruiskade.
Alle lagen
Na mijn Bok jaren kwam ik bij Melief Bender over de vloer, gezellig café voor jong (studenten) en oud, uit alle lagen van de bevolking. Achter de tap herinner ik mij Appie, Joop en Koos Bosmans. Er stond een biljart in de zaak. Bijzonderheid van Melief was dat er geen vrouwen aan de tap mochten staan.
Praatkroeg
Cafe Timmer, op de Binnenweg behoeft nauwelijks toelichting. De zaak werd gedreven door Klaas en Sjaan Duister. Het was (is) een echte praatkroeg. Mijn bezoeken dateren uit de jaren zeventig. Pas als de zaak blauw stond van de rook werd de ventilator boven de ingang aangezet. Bijzondere herinnering heb ik aan de wielerronde Timmer-Delft-Timmer, zestig kilometer rond het vliegveld Zestienhoven. Ik won de laatste prijs op plek veertig. Een beloning was een zakmesje, een Timmer teeshirt en een zoen van de tourmiss, Joke Bruis. Dat plekkie op mijn koon heb ik nooit meer gewassen.
Wat mij verbaasde waren de prijzen voor de eerste vijf binnenkomers. Gerard Cox deed ook mee maar volgens mij kwam hij na sluitingstijd binnen. Wat mij ook is bijgebleven is het volgende. Komt er een man binnen en vraagt Klaas om veertig (of zo) gulden. Klaas grabbelt in zijn zak en geeft hem het geld. Tsjonge, gaat dat hier zo makkelijk? Dus ik naar Klaas en stelde dezelfde vraag. Nou, dat zit zo antwoordde Klaas. Ik beheer zijn uitkering want als hij het volle bedrag in zijn bezit heeft, vliegt het er binnen de kortste keren uit.
Ongestoord
Nog iets dat mij is bijgebleven. Staat er een mevrouw aan de tapkast die hinderlijk wordt aangesproken door een man. Zij vertelt dat aan Klaas die de man gelijk op straat zet met als commentaar dat een dame alleen ongestoord een drankje moet kunnen happen. Verder opvallend was dat Timmer zaterdags om 17.00 uur, als andere zaken nog bomvol zaten, sloot. Klaas moest de laatste boot halen naar Zeeuws-Vlaanderen waar hij zijn weekendhuis had. Personen die ik mij herinner zijn leraar Kees Veelders en ene Goof, werktuigkundige op een goedkope vlag schip. Als hij drie maanden had gevaren kon hij thuis weer een jaar vooruit.
Taboe
Nu, in mijn nadagen, kom ik, soms met vrouw en kleinkinderen nog wel eens bij Melief: het café waar je je opa tegenkomt.
Ik kom uit een milieu waar cafébezoek taboe was: daar kwamen zuipers en vloekers. Ik moet zeggen dat ik deze mensen nooit ben tegengekomen in de genoemde zaken, Het was vooral de gezelligheid die mij, en soms ook mijn vrouw, in deze taplokalen bracht.
Hans Blok / jjeblok@kpnplanet.nl
Avonturen met jeugdvriend Jos Brink
In de jaren 50 van de vorige eeuw woonde ons gezin in de wijk Tuindorp Vreewijk. Aan De Voorde, een straat achter de Groene Hilledijk, waar kinderrijke gezinnen woonden, zoals de familie ter Horst, de Jager, ter Elst, de families Straatman en Brink om er maar een paar te noemen. Uit die tijd dateert mijn vriendschap met Jos Brink.
Hij woonde een aantal deuren bij ons vandaan en wij speelden vaak met elkaar. Hij kwam uit een gezin met vijf jongens en ik uit een gezin met twee jongens en vier meisjes. Wij waren katholiek en zij gereformeerd, geloof ik.
Bibliotheek
Ik was een jaar of tien toen we echt vriendjes werden. We hielden beiden niet van voetballen en in die periode bleek ook dat we van lezen hielden. Hij was lid van een openbare bibliotheek bij ons in de buurt en ik van een katholieke bibliotheek, gevestigd in een klein gebouwtje naast de Kruisvinding Kerk.
Vrij boeken kiezen was er voor mij niet bij. Er was een catalogus, daar moest je thuis uit kiezen, de titel op een briefje schrijven en dat briefje in de bieb aan een van de dames af geven. Zij ging dan kijken of het boek er was en zo niet dan had je pech. In de openbare bieb was het heel anders.
Op sommige regenachtige woensdagmiddagen liepen we er naartoe. Je kon gewoon zelf langs alle kasten lopen, een boek er uit pakken en ergens gaan zitten lezen. Er ging een wereld voor mij open.
Hele discussies gehad, onder andere of zijn God dezelfde was als die van mij. We kwamen er niet achter. Het gaan naar die bieb heb ik thuis nooit verteld, bang dat het verboden zou worden.
Hoeren kijken
Er waren zaterdagmiddagen dat we naar de markt aan de Maashaven liepen. Een druk bezochte markt waar we voor het eerst een zwarte man zagen en snel omliepen om hem nog eens te zien, onbekende geuren roken, stonden te kijken bij een man, met veel brillantine in zijn haar, die luidkeels ‘gouden’ horloges stond te verkopen. Soms liepen we door naar Katendrecht om naar de hoeren te kijken. We wisten amper wat ze deden maar het klonk stoer “naar de hoeren kijken”. Wanneer ik dan weer eens te laat voor het eten thuis kwam en mijn moeder kribbig vroeg waar ik geweest was, verzon ik maar wat en dat werd dan mopperend geaccepteerd.
Een paar straten verderop bij ons woonde een meisje waar we allebei verliefd op waren. We hadden haar voor het eerst in de bibliotheek zien zitten lezen en vonden haar er mysterieus uit zien. Een blond meisje met lang haar, een meisje met een geheim, daar waren we van overtuigd.
We fantaseerden, vooral Jos was daar een meester in, hoe het leven met haar er uit zou zien. Veel verder dan de kleur van de trouwjurk kwamen we uiteindelijk niet. Zogenaamd onverschillig langs haar huis lopen en een beetje loeren of we haar zagen, dat was wat we ondernamen, meer niet.
Toen ik een jaar of 13 was verhuisde Jos naar Purmerend. We hebben nog een keer bij elkaar gelogeerd, daarna droogde het op en zijn we elkaar nooit meer tegengekomen.
Harry Straatman
g.wissink207@upcmail.nl










