Skip to main content
Green Button

Herinneringen aan de stad
donderdag 22 jan 2026

Wat een wereldreis met de ‘Willem Ruys’

Na mijn opleiding Hofmeester voor de Koopvaardij en enkele reizen te hebben gemaakt bij de Holland-America Line, monsterde ik in 1962 en 1963 aan als salon-steward op het ms. “Willem Ruys”, het vlaggenschip van de toenmalige Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Een prachtig passagiersschip met een accommodatie voor ruim duizend passagiers.

De “Willem Ruys” maakte per jaar vijf wereldreizen en eenmaal per jaar “vierweken cruises” naar het Middellandse gebied, Canarische eilanden en de Azoren. De wereldreis duurde negen weken met veel Europese “Round Trippers” aan boord. Vertek vanaf Rotterdam naar Southampton, daarna Port Said, vervolgens door het Suezkanaal naar Ceylon (Sri Lanka) Colombo – Singapore – Australië, Sydney en Melbourne – New Zealand Wellington- het eiland Pitcairn. Daarna de grote oceaan-oversteek naar Peru Callao/Lima – Panamakanaal Balboa en Cristóbal – Haïti Port Au Prince– De Bahama’s – Miami/ Port Everglades – New York – Southampton – Rotterdam. Kapitein van de Heuvel en zijn volledige bemanning zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt toen de Willem Ruys bij terugkeer van de derde rond-de-wereld-reis in 1963 aan de Lloydkade afmeerde.

Geboorte

Deze “derde wereldreis” met moment van vertrek op 1 augustus bracht dertien dagen later het eerste vermeldenswaardige feit. Een geboorte op volle zee op 13 augustus om middernacht sprongen vier jonge Turkse poesjes het “ruige” zeemansleven in. De doopplechtigheid van Tommie, vernoemd naar onze werkhofmeester Tom Wight, Amsteline, Bredaatje en Heinekenlotje vond plaats in de Golf van Aden onder het genot van een stevig glas Amstel, Breda of Heineken. Twee dagen eerder sprong een dronken Duitse passagier overboord, die kon niet meer gered worden. Verdere gegevens ontbraken voor de bemanning i.v.m de privacy.

Tijdens de grote oversteek van New Zealand naar Peru, brak er halverwege een kleine brand uit in de machinekamer. Grote paniek onder de passagiers. Het licht viel even uit. Als bemanning moesten wij naar onze secties om de brandvrije deuren, compartimenten te vergrendelen en iedereen zoveel mogelijk gerust te stellen. Een klus die je, als jongeman, niet in de koude kleren ging zitten met huilende kinderen en verontrustte ouders. Tijdens deze reis hadden wij toevallig veel Australische, Engelse en Nederlandse emigranten en verlofgangers aan boord. Gelukkig was de brand na twee uur geblust.

Verstekeling

In reddingssloep 19 werd in het Panamakanaal een 47-jarige Cubaanse verstekeling ontdekt. De man had zich in Balboa, begin van het Panamakanaal, aan boord van de Ruys verstopt met het doel gratis naar zijn vrouw in New York te varen. “Ik heb ruim twee jaar op Cuba in een concentratiekamp gezeten omdat ik tegen Fidel Castro was en 46 uur tot aan mijn kin in de olie gestaan toen ik als verstekeling aan boord van een tanker van Havanna naar Panama ben gevlucht met slechts vijf dollarcents op zak” luidde zijn verhaal. Deze extraverte en drukke Cubaan vertelde zo met volle overgave dat iedereen tranen in de ogen kreeg.

De verstekeling had gevoel voor humor. Toen de kapitein hem vroeg: “En wie betaalt uw reis?” gaf hij als antwoord: “Dat laat ik graag aan u over kapitein”. En toen een van de bemanningsleden vroeg: “Hoe voelt u zich nu aan boord van een Nederlands schip?” Antwoordde hij: “Hongerig meneer, erg hongerig”.

In Miami verloor hij echter veel sympathie toen de FBI hem kwam verhoren en ontdekte dat hij als smokkelaar in verdovende middelen al eerder de Verenigde Staten was uitgezet. Omdat de volgende haven New York was en de Cubaan niet de VS in mocht, werd hij opgesloten in de scheepscel en door een bewapende politieman bewaakt tot vertrek naar Nederland. Kosten omgerekend in guldens tegen elf gulden per uur. Aangekomen in Rotterdam is hij door de Lloyd op een vrachtschip gezet en richting Panama vervoerd, de plek waar hij als verstekeling aan boord was gekomen.

Doop uit roomkannetje:

Tussen Miami – Port Everglades en de Bermuda’s werd emigrantenzoon Richard ten doop gehouden. Zijn ouders, een Nederlands emigrantenechtpaar uit Australië, wilden hun zoon in het bijzijn van de grootouders tijdens hun vakantie in Nederland laten dopen. Kapitein van de Heuvel, een gelovig katholiek, vond het een geweldig idee om de doop op volle zee te laten plaatsvinden.

Onze scheepsaalmoezenier verrichtte de plechtigheid met een roomkannetje uit de salon. Als klap op de vuurpijl werd in New York een bemanningslid opgepakt met verdovende middelen. Na het incident met de Cubaanse verstekeling en de sanctie van de F.B.I was het schip “Besmet” verklaard. Tenslotte onderzocht de Z.G. “Zwarte Brigade” van de Amerikaanse narcoticabrigade het schip van onder tot boven en niemand van de bemanning mocht van boord.

In Rotterdam aangekomen kregen wij kort daarna de kennisgeving, dat de Willem Ruys per januari 1965 van de vlootsterkte zou worden afgevoerd, waarmee een einde kwam aan de passagiersvaart van de Kon. Rotterdamsche Lloyd.

Achillo Lauro

De Ruys werd verkocht aan de Italiaanse rederij Lauro Line en zou na een grondige verbouwing gaan varen onder de naam “Achillo Lauro”. Weinig cruise-schepen zijn zo vaak getroffen door rampspoed als dit schip. In 1972 werd aan boord in Genua brand gesticht waarbij enkele werfmedewerkers en brandweerlieden gewond raakten. Drie jaar later werd het schip in de Dardanellen, de zeestraat van Turkije, geramd door een Libanees vrachtschip. Aan Libanese zijde vier doden en een flinke schade aan de Achillo Lauro. In 1981 brak er voor de tweede keer brand uit bij de Canarische eilanden. Twee passagiers kwamen om het leven. Een jaar later, alweer op de Canarische eilanden, werd het schip voor een jaar aan de ketting gelegd door schuldeisers. Een kaping in 1985 door Palestijnse commando’s waarbij één passagier, de joodse Amerikaan Leon Klinghofer in zijn rolstoel werd vermoord en over boord werd gegooid. Zijn lijk spoelde dagen later aan op het strand bij Syrië. In 1995 brak brand uit op ongeveer tweehonderd kilometer uit de kust van Somalië en zonk na enkele dagen. De meeste passagiers konden gelukkig worden gered.

Geluk bij een ongeluk

Deze ramp dupeerde niet alleen de gestrande passagiers voor de Somalische kust, maar ook zo’n honderd oud-bemanningsleden van de toenmalige “Willem Ruys”. Zij boekten enkele weken voor de ramp, ter ere van hun twintigste reünie, een korte Middellandse cruise op de ”Achillo Lauro”. Dat zij door het zinken van het schip wellicht het e.e.a bespaard is gebleven, zal je gelukkig nooit weten.

Ton Kuster

tonkuster@hotmail.com

Mijn zus smokkelde mij de bioscoop in

Als kind weet ik nog dat mijn ouders begin jaren ‘60 als eerste van zes gezinnen in het trappenhuis een televisietoestel kochten (welleswaar op de pof). Het apparaat van Philips had aan de zijkant een draaiknop voor wel 20 zenders, dit terwijl je er maar één kon ontvangen. Uitzendingen begonnen nadat je tien minuten naar een testbeeld zat te staren dagelijks om zeven uur ‘s avonds en stopten precies om twaalf uur, waarna het ‘Wilhelmus’ werd gespeeld.

Bij de K.R.O. volgde na uitzending altijd de dagsluiting met Bisschop Beckers en later Pater Leopold Verhagen. Woensdag en zaterdag was om vier uur het kinderuur- tje waarbij vaak kinderen uit de buurt bij ons mochten komen kijken naar Dappere Dodo, Pipo de clown en Okkie Trooi. Omroepsters die ik me herinner waren Tanja Koen en Hannie Lips (Tante Hannie naar wie je altijd zwaaide).

Later kreeg je er een zender bij en kon je met een stuk koperdraad aan de gordijnrail die dienst deed als antenne bij helder weer het R.E.M.-Eiland ontvangen met programma’s als Rin Tin Tin, Het sprekende paard Mr. Ed en Lucy Ball. Televisie was naast het luisteren naar de opkomende popmuziek een van de weinige vormen van vertier.

Eerste film

Eenmaal wat ouder zocht je meer naar ontspanning buitenshuis. Maar de vele uitgaansmogelijkheden waarvan de jeugd van vandaag de dag kan genieten hadden wij niet. De grote publiekstrekkers waren naast de dierentuin en het Kralingse bos de bioscopen, waarvan er in Rotterdam heel wat waren.

In de krant stond elke week de bioscoopladder waarop je kon zien welke film er speelde en waar die draaide. Mijn eerste film die ik zag draaide in Victoria aan de Bergweg. Het was een zwart-wit film met Eddie Constantine; een soort voorloper van James Bond. Voor die voorstelling werd ik door mijn zus (ik was twaalf) naar binnen gesmokkeld, omdat het een rolprent met een filmkeuring van veertien jaar betrof.

Toendertijd had je nog leeftijdskeuring voor alle leeftijden, veertien jaar, achttien jaar en voor volwassenen. Bij de ingang van de bios werd hierop vaak streng toegezien. Soms kreeg je eenvoudigweg geen kaartje als je te jong leek. Dat kon je wel eens omzeilen door iemand anders te vragen het toegangsbewijs voor jou te willen kopen.

Polygoonjournaal

Eenmaal binnen werd je ontvangen door een ouvreuse in uniform die je met behulp van een zaklampje naar je plaats bracht waarna je haar een ‘tippie’ gaf. Bioscopen van toen hadden verschillende ‘rangen’ Met bijbehorende oplopende prijzen. Je had Parterre, Parket, Stalles, loge en soms Balkon. Vanwege het beschikbare budget zat ik meestal helemaal vooraan op Parterre (Nek-loge). Met je neus op het enorme doek waarbij je bijna wagenziek werd van de bewegingen voor je.

Wanneer je de ondertiteling probeerde te lezen leek het of je bij een tenniswedstrijd zat. De voorstelling begon altijd steevast met het ‘Polygoonjournaal’ met de markante stem van Philip Bloemendal. Ook had je toen al reclame en vaak een bedelactie voor het ‘Bio-vakantie-oord’ waarna het licht in de zaal gedimd aanging en er collectebussen voor dit doel werden doorgegeven. Wederom onder de leeftijdskeuring zag ik een film over Djengis Khan waarin vlak voor mijn neus iemand met vier paarden werd gevierendeeld. Dat beeld kan ik me nog altijd voor de geest halen. Hoe bedoel je leeftijdskeuring?

In bioscoop Thalia zag ik ‘Help’ met de Beatles en de grootste publiekstrekker was ‘The Sound of Music’ die langer dan een jaar in Corso te zien was. Rex op de Middellandstraat en Centraal op de Oude Binnenweg draaiden vaak de films waarin het er heet aan toe ging, voordeel hierbij was dat er bij de aftiteling geen kostuumontwerper behoefde te worden genoemd.

Bij bioscoop Princes op de Schiedamseweg kon je extra goedkoop in de ‘Engelenbak’ zitten, een plek aan de zijkant met heel slecht zicht op het filmdoek. Ik zag daar “The House of wax’ met griezelkoning Vincent Price in de hoofdrol.

Dracula

Wanneer je verkering kreeg, was in vele gevallen je eerste uitje het ‘pakken’ van een filmpje. Zo ook bij mij. Het enige dat ik nog weet is dat die film een ‘Western’ was, maar waar die over ging? Ooit gebeurde het dat er in Rex een Dracula film met Christopher Lee draaide. In die tijd gewoon echt heel eng. De film begon met een priester die in een heel mistig landschap een kerk binnen ging en de klok wilde luiden. Van het klokkentouw droop bloed. De priester gaat via de trap omhoog in de kerktoren en kijkt onderin de klok. Uit de klok valt vervolgens het ontzielde lijk van een mooie vrouw waarbij het bloed uit de bijtwond in de nek druipt.

Deze scene in combinatie met de filmmuziek bezorgde je kippenvel van een centimeter dik over heel je lichaam. De film stopt na dit moment en op het filmdoek verschijnen de bloeddoorlopen ogen van Dracula met daaronder de tekst: ‘Wie nu niet verder wil kijken kan bij de kassa zijn entreegeld terughalen!’ En inderdaad verlieten enkele mensen de zaal.

Later zag ik in diezelfde film dat toen Dracula een deur dicht gooide het hele decor (dat een zware stenen muur voorstelde) bewoog.

Western

De beste ‘Western’ is voor mij absoluut ‘Once upon a time in the West’ met geweldige muziek van Ennio Morricone. Daarin de prachtige close up van de ogen van de duellerende Charles Bronson en Henri Fonda. Mooi was ‘Deerhunter’ en ontroerend ‘The Killing Fields’ en dan heb je natuurlijk ‘Titanic’. Sadistisch en eng vond ik ‘a Clockwork Orange’ hoewel dit een kinderfilm is in vergelijking van wat nu soms wordt voorgeschoteld.

Het lijkt wel of mensen niet meer te shockkeren zijn. Ik snap niet hoe dat tieners van nu zonder emotie naar walgelijke slachtpartijen in films zoals ‘saw’ en ‘Hostel’ kunnen kijken. Ronduit jammer en vooral zorgelijk.

Harry van Oers. baan.oers@online.nl

Een Hoekse dienst was een herendienst

Als Rotterdamse (hoofd)conducteur had je zo nu en dan een Hoekse dienst. Eigenlijk een dienst voor een collega van standplaats Hoek van Holland, maar ook zij hadden weleens verlof of […]

Als Rotterdamse (hoofd)conducteur had je zo nu en dan een Hoekse dienst. Eigenlijk een dienst voor een collega van standplaats Hoek van Holland, maar ook zij hadden weleens verlof of waren ziek en moesten worden vervangen. “Herendienstjes” noemden we het. Het aantal conductrices was nog beperkt en ‘woke’ moest nog worden uitgevonden. Het was 1985. In de werklijnen (het werkpakket) van standplaats Hoek van Holland stonden voornamelijk de zogenaamde D-treinen (Internationale treinen) naar Berlijn, Kopenhagen, Klagenfurt, Warschau, Basel en zelfs Moskou. Veel van deze treinen hadden ook nog mooie benamingen als Rheingold, Lorely Express, Holland-Scandinavië Express, Rhein en Brittania Express. Deze diensten waren dan aangevuld met een retourrit vanuit Venlo of Hengelo met een Intercity naar Rotterdam CS en dan terug als passagier naar Hoek van Holland. Het was een dagje geen stop treinen, weinig forenzen en veel mensen die op reis waren naar of terug van vakantie.

Buitenwijk

’s Avonds reden er in aansluiting op de dagboot uit Harwich ook diverse treinen zoals de Harz-Express en de Hoek-Warszawa Express. Deze werden dan gereden door personeel uit Hengelo of Venlo. Ook de boottrein naar Amsterdam CS, via Schiedam-Rotterdam West reed nog tweemaal daags en behoor de tot het Hoekse werkpakket. Als de nachtboot zo rond 7 uur was aangemeerd liepen veel jonge Engelsen de boot af, vaak flink beschonken, en vroegen je dan waar ‘the red light district’ was. Hoek van Holland werd als buitenwijk van Amsterdam beschouwd, vermoed ik. Vroeg opstaan voor deze diensten was het wel. Op tijd naar het Centraal Station en dan als passagier mee met de een vroege stoptrein naar de Hoek. Meestal reden nog collega machinisten en conducteurs met je mee. Aangekomen in de Hoek zocht je de benodigde treinpapieren op en kreeg je de reserveringen voor de treinen. Handwerk was dat en je loste dat met elkaar op. De reserveringsstrookjes moesten bij elke coupé worden afgescheurd en ingeschoven. Zeker in de zomer als het drukker was een tijdrovend klusje. Ook moest de trein worden opgenomen. Dat betekende dat we de trein langsliepen en de wagonnummers en technische gegevens noteerden en aan de hand van het totaal gewicht en het remvermogen maakte je dan een rembriefje voor de machinist. Hij had dan voldoende om de trein veilig te kunnen rijden en vooral te kunnen remmen. Als dat werk er op zat was het tijd voor een ‘bakkie leut’, soms bij het loket, soms bij de perronopzichter of in de restauratie.

Boottrein

De restauratie liep al aardig vol met passagiers van de boot uit Harwich. Op tijd moest je dan naar buiten waar je bij de uitgang van het stationsgebouw de reizigers opwachtte en gevraagd naar hun bestemming hen de juiste trein wees. Allerlei nationaliteiten kwamen voorbij. Je ‘school-Engels’ kwam hier goed van pas. Ook de boottrein naar Amsterdam CS reed nog tweemaal daags en behoorde tot het Hoekse werkpakket. In de zomer was dit zeker geen straf, maar in andere tijden nam je liever een extra bakkie koffie, al was het maar om op te warmen. Op tijd ging je dan naar je trein, samen met een collega want deze Internationale treinen waren altijd ruim bemand. Na vertrek nog wat administratie op orde brengen en dan de controleronde met elkaar. Op naar Venlo of Hengelo waar Duitse collega’s de trein van je overnamen. En zorgde maar dat de papierwinkel ‘pünktlich’ was ingevuld. Terug met een Intercity en dan rond 2 uur in de middag was je klaar.

Late dienst

In de late diensten hadden we dan vaak de retourritten vanuit Venlo of Hengelo naar Hoek van Holland. Dit gaf nauwelijks administratie, maar natuurlijk wel je controlerondje. Aangekomen in Hoek van Holland was het dan een drukte van belang. De rangeerders en schoonmakers stonden ons al op te wachten. De vaak nog handbediende deuren gingen al open voordat de trein stilstond. De passagiers ontvouwden zich uit de stoelen, pakten hun bagage uit de rekken en liepen gestaag achter elkaar aan richting het stationsgebouw op zoek naar een weg naar de boot. Van enkelen kreeg je dan ook nog een klein knikje van goedkeuring omdat je die tijdens de reis net even langer gesproken had. Terwijl de trein leegstroomde kwam de boottrein uit Amsterdam ook binnen en volgde ook hier dezelfde aanblik. Een andere D-trein was al voor ons aangekomen. Al met al een drukte van belang van nog geen half uur. Ondertussen had stationspersoneel onze trein al ingenomen. Het geluid van de metalen prullenbakjes die door schoonmaakpersoneel vliegensvlug werden geleegd staat me nog bij. De rangeerder, vaak nog met een shaggie op de lippen, koppelde de loc (locomotief) los van de rijtuigen en aan de achterkant van de trein was een rangeerlocal bezig de sleep rijtuigen vast te koppelen om het geheel naar de rangeersporen te trekken. De aangekomen trein moest weer in de nieuwe volgorde in elkaar worden gerangeerd. Internationale treinen hadden nog losse rijtuigen uit verschillende landen en ook rijtuigen die onderweg afgekoppeld moesten worden om in een andere treinsamenstelling naar een andere bestemming te reizen. Koerswagens werden die genoemd. Voor de rangeermachinist en de rangeerder gold vaak “klaar is naar huis!” en dus was er alles op gericht om de klus zo snel mogelijk te klaren. De machinist die onze trein naar de Hoek had gereden moest de losse loc dan vaak terugrijden naar Rotterdam CS, waar de loc later in de nacht werd ingezet voor de goederendienst. Zelf leverde ik wat administratie in met collega’s en snelde mij dan ook naar de Sprinter terug naar Rotterdam CS. Mooie diensten met veel herinneringen aan een vervlogen tijd.

John F. Stevens

John.F.Stevens@NS.NL

Hoe een droomreis een traumareis werd

Het is begin april 2016 en mijn man en ik staan aan de reling van het ms. De Rotterdam van de HAL. Het signaal van vertrek klinkt over het water. Langzaam raakt het schip los van de kade. Dat ik daar nu sta voelt bijzonder. We zijn klaar voor wat een droomreis moet worden.

Een keer in mijn leven wilde ik met ook zo’n HAL schip de Nieuwe Waterweg uit varen. Net als mijn vader vaker had gedaan. De reis gaat naar warme streken. Omdat ik niet wil vliegen kwam het goed uit dat wij met De Rotterdam vanuit Rotterdam toch een keer naar een aantal Canarische Eilanden konden. De hele weg tot aan zee was een feest om te varen. Overal zwaaiende mensen op de kades, op balkons, in tuinen. En de boot gebruikte regelmatig het hoornsignaal. Voor ons lagen twee nachten en een dag op zee.

Heerlijk!

Onze vouwfietsen hadden we ook meegenomen. Wat op een zeilboot past moet ook in een hut van zo’n groot schip passen, was de gedachte. Opgevouwen onder onze bedden ging dat prima. Het schip ziet er van binnen prachtig uit. De eerste uren heb ik mijn ogen uitgekeken op alle luxe. Ondanks het grote aantal passagiers waren er genoeg plekken waar je rustig kon zitten, ook buiten. Mijn vader vertelde verhalen over de eerste en tweede klasse passagiers. Dat is nu verleden tijd gelukkig! Iedereen kan en mag gebruik maken van alles wat het schip te bieden heeft.

Storm

De eerste haven die wij aandeden was Lissabon, waar we een nacht langer bleven liggen dan de bedoeling was. Er was storm geweest op de oceaan en de golven zouden acht meter of hoger zijn. De Kapitein vond het niet verantwoord om uit te varen. Het schip kon het hebben, maar het welzijn van zijn passagiers ging hem zeer ter harte. Vandaar dat wij bleven liggen en niet naar Madeira gingen. Wat een meelevende kapitein dacht ik op dat moment! In Lissabon fietsten wij heerlijk rond, totdat mijn fiets zich plotsklaps ontvouwde, ik opzij viel, terwijl ik mijzelf probeerde op te vangen met mijn linker arm/hand. Een verschrikkelijke pijn trok door mijn arm en de arm stond krom gebogen. Mijn vingers kon ik bewegen en zo te zien was er niets gebroken. Met mijn sjaal als mitella, fietsten wij naar de boot.

Geen röntgenapparaat

Bij de volgende zeedag informeerde ik bij het kantoor of er een röntgenapparaat aan boord was zodat er na gegaan kon worden of er ergens iets gebroken zou zijn. Dat was er niet, werd mij verteld. Ik ben niet kleinzerig en met de arm in mijn sjaal had ik geen pijn en kon ik overal naar toe. Via nog een aantal eilanden kwamen wij in Tanger, Marokko, aan en hebben we een ochtend lang door allerlei kleine straatjes gezworven, kindertjes die armbandjes wilden verkopen blij gemaakt met muffins en onze ogen uit gekeken op de kadenaar muren die werden gebouwd met daarop hele grote rollen prikkeldraad. Dit om vluchtelingen te beletten op de kade te kunnen komen. Bij dat kijken naar die muur keek ik niet goed naar de kadevloer waardoor ik struikelde en viel. Omdat ik mijn linkerarm niet kon gebruiken om mijzelf op te vangen, klapte ik met mijn heup op de stenen. Weer trok er een verschrikkelijke pijn door mij heen, nu bij mijn heup. Vanaf dat moment ben ik in een soort nachtmerrie terecht gekomen.

Dokterspost

Dit ongeluk gebeurde circa 10 meter vanaf de ingang van de boot. Aan boord is een dokterspost. Ik verwachtte dat er een dokter zou komen om te kijken wat er aan de hand was. Nee dus! Wel veel medepassagiers die zich om mij bekommerden. Uiteindelijk ben ik in een rolstoel getild en de boot op gebracht. Meer dan een uur heb ik zitten wachten totdat ik naar de dokterspost werd gebracht. Wat daar allemaal is gebeurd en ook in de avond in onze hut komt nog steeds terug in mijn dromen als een soort horrorverhaal. Dat dit op een schip gebeurde waarvan de kapitein zo begaan is met zijn passagiers is tot op de dag van vandaag voor mij een raadsel.

Gebroken

De volgende ochtend, in Malaga, ben ik naar een ziekenhuis vervoerd waar bleek dat mijn heup was gebroken. De scheepsarts had geconcludeerd dat voor 90% zeker mijn heup niet gebroken was. Op grond daarvan kreeg ik een paar paracetamol tabletten mee. Nog nooit heb ik zoveel pijn geleden gedurende vele uren. De zorgzaamheid die wij hadden ervaren van de hutsteward en het bedienend personeel in de afgelopen dagen aan boord ontbrak totaal bij het medische personeel. Ik heb gedurende vele pijnlijke uren gedacht dat ik teruggeworpen was in de middeleeuwen. De volgende ochtend kwamen wij in Malaga aan. Daar ben ik per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Diezelfde avond ben ik geopereerd.

Schroeven

Mijn heup bleek gebroken en er werden drie grote schroeven in gedraaid. Zes dagen ben ik prima verzorgd in een eigen kamer waar ook mijn man een bed kreeg. De kamer had uitzicht op zee waar cruiseschepen langs voeren. Dat maakte mij verdrietig. Ook ‘onze’ Rotterdam was langs gevaren. De avond voordat de Rotterdam weer de Waterweg opvoer landden wij per vliegtuig op Zestienhoven. Ik, die niet wilde vliegen, moest nu wel. Mijn droomreis was geëindigd in een traumareis. Een ongeluk zit in een klein hoekje en het was gewoon domme pech. Het trauma is het gevolg van de angst die nacht aan boord. Amerikaanse artsen hebben blijkbaar andere ideeën over behandeling bij ernstige pijn.

Lenie de Zwart

leniewim@caiway.nl

 

Buiten zwemmen in het ‘Overschietje’

We stonden op een zomerse dag dicht op elkaar gepakt te wachten voor het zwembad aan de Wouwerlaan, de opgerolde handdoek met de zwembroek onder de linkerarm, de rechterhand zat in de broekzak stevig dichtgeklemd met daarin een zweterige stuiver of een dubbeltje. Klaar om het bad te bestormen, zodra de toegang werd vrijgegeven.

Als je vooraan in de rij stond, kon je bij het hek van de entree nog naar binnen kijken en zien hoe de badmeester ongeduldig op zijn fluitje blies om de zwemmers van het vorige uur uit het zwembad te verwijderen. Pas daarna kon de volgende lichting zwemmers worden toegelaten. Dat kon gescheiden zwemmen zijn voor meisjes en vrouwen enerzijds of mannen en jongens anderzijds, maar er was ook een zogenaamd ‘familiebad’, waar iedereen terecht kon.

Bij de entree haalde je dan op het bevrijdende moment je kaartje. Voor vijf cent (een stuiver) maakte je gebruik van wat wij het ‘varkenshok’ noemden, de gemeenschappelijke kleedruimte. Voor tien cent (een dubbeltje) mocht je een eigen éénpersoons kleedhokje kiezen. Het was altijd een sport om een hokje in te pikken, ook al had je voor het ‘varkenshok’ betaald, wat in de drukte bij de toelating nog wel eens lukte. De badjuffrouw bij de ingang kon dan niet alles in de gaten houden!

Het water in het bad was niet echt schoon, want het Overschiese zwembad was gewoon met plankieren in de bestaande veenplas aan de rand van het dorp gebouwd. Het kwam dan ook regelmatig voor dat je door het groezelige water na afloop met een groene snor rondliep. Soms dreef er wel eens een drol in het bad of een dode vis die door het gaas onder het plankier was doorgekomen. Maar dat alles zou voor ons de pret niet drukken!

Als het fluitje van de badmeester voor het einde klonk, sprongen we gauw nog even in het water om er zo lang mogelijk van te kunnen profiteren. Daarna nog even onder de koude douche om het vuil af te spoelen en de groene snor te verwijderen, aankleden en hongerig terug naar huis. Dan liepen we langs de zaak van Knol op de hoek van de Parallelstraat, de eerste snackbar in Overschie, waar sommige kinderen voor een kwartje nog een zakje patat gingen halen. Daar hadden wij geen geld voor. Hooguit schoot er nog wel eens een waterijsje over, maar soms werd er toch door een vriendje grootmoedig een lekker hartig patatje gedeeld.

Ondanks de gezelligheid in het Overschiese zwembad verkozen we al gauw een spannend plekje bij de Spaanse brug, waar geen toezicht was van bemoeizuchtige badmeesters, maar schepen voor je neus voorbij voeren en je vrienden samenschoolden in het gras aan de walkant.

Het zwemmen in de Schie was bovendien gratis en het water leek ons zelfs schoner dan in het ‘Overschietje’!

De eerste keer dat ik ernaartoe ging, beheerste ik het zwemmen nog niet echt. Vanaf de losse stenen aan de kant dook ik het water in, waarna ik met een paar slagen de eerste dukdalf voor de brug bereikte. Daar klom ik dan op om vervolgens door de diepe vaargeul te duiken naar de tweede dukdalf aan de andere kant. Goed dat mijn ouders dat niet wisten, want wat was het onverantwoord als ik eraan terugdenk! Maar we leerden er vertrouwd te worden met het water en genoten er van de vrijheid. Naarmate we ouder werden durfden we meer stunts uit te halen, waaronder een sprong of duik van de brug.

Geen gevaar?

Als pubers zagen we geen gevaar bij wat er op en om de brug gebeurde. We hadden wel een sterk verhaal gehoord van een jongen die in de Schie was gedoken en met zijn hoofd in een emmer was terechtgekomen, waarna hij niet meer boven kwam. Maar wij dachten dat ons dat niet zou overkomen en dat is achteraf ook gebleken! Toch wisten wij niet wat ons werkelijk boven het hoofd hing: op 22 oktober 1959 stortte de bovenbouw van de brug naar beneden op het wegdek en deels op het brugwachtershuisje, nadat de scharnieras van de bascule was losgeraakt.

Schepen enteren

Toen we goed konden zwemmen, durfden we ook schepen te ‘enteren’ om te kunnen meevaren. Vanuit Rotterdam voeren die in de regel volgeladen in de richting van Delft, waarbij ze diep in het water lagen. Als we zo’n schip zagen aankomen, zwommen we in de richting van de boeg en lieten we ons langs de zijkant glijden, totdat we de rand van het gangboord konden vastpakken. Je werd dan aan de zijkant van het schip door de stroom meegevoerd en je benen gingen vanzelf omhoog, waarna je gemakkelijk één been in het lage gangboord kon leggen en aan boord kon klimmen naar de voorplecht. Daar was je op veilige afstand van de schipper in zijn stuurhut die al zijn aandacht nodig had voor het manoeuvreren.

Soms riep hij zijn vrouw om het stuurwiel over te nemen en kwam hij met een pikhaak over het dek om ons te verjagen, maar meestal lieten ze ons gewoon onze gang gaan, omdat we toch geen kwaad deden. Gevaar zagen we niet, al wisten we dat je niet in de buurt van de schroef moest komen als je van het schip af dook.

Als je bleef meevaren in de richting van Delft ging je eerst door de nauwe doorgang van de oude Hoge brug, waarna het schip met veel moeite een scherpe haakse bocht naar rechts moest maken op de plek waar de Schiedamse en Delftse Schie bij elkaar kwamen. Met een ruime bocht voeren we dan verder tot de molen en veevoerfabriek van Speelman. Daar wachtten we op boten die terugkwamen uit Delft.

Het kwam geregeld voor dat er geen schip aankwam

en dan liepen we door de polder terug om de bocht via het jaagpad af te snijden. We sprongen over de sloten of waadden er doorheen als ze te breed waren en bekogelden elkaar met de koeienvlaaien in het weiland. Smerig van de modder en de koeienstront sprongen we dan bij de Hoge brug weer in het water en spoelden we onszelf weer schoon.

Thuis werden de sterke verhalen uitgewisseld en de risico’s drongen kennelijk niet echt door tot onze ouders. We waren immers weer gezond teruggekeerd en per slot van rekening hadden zij vroeger zelf ook regelmatig in Schiewater gezwommen!

Karel Aardse

kaardse@ziggo.nl

Zo vermaakte je je in zomers Rotterdam

De vakantiemaand, augustus, kenmerkte zich ook vroeger al door wisselende beelden. Er waren dagen van 30 graden, maar ook druilerige sombere regendagen in Rotterdam. Dan speelden wij niet buiten maar bleven binnen. Maar mijn broer en ik wisten ons altijd goed te vermaken.

Wij speelden bijvoorbeeld eindeloos Mens erger je niet. De blauwe dopjes hadden een wit draadje om ze te onderscheiden van de groene dopjes. Wij hielden ook een competitie bij. Verder had mijn broer een Meccanodoos die elke verjaardag uitgebreid werd. Ik was daar stik jaloers op, maar ik mocht wel meedoen om iets in elkaar te zetten. Mijn broer maakte een keer een tram, die wij door de kamer lieten rijden met schaakstukken als passagier. Helaas was er toen nog geen Lego. Ook legden wij veel legpuzzels, niet meer dan 200 stukjes, want als het etenstijd was moest de tafel weer leeg zijn.

Speeltuin

Verder waren wij altijd weer blij als het dinsdag was. Dan kwamen de Spiegel, Margriet en Donald Duck uit. Daar waren wij weer een poosje zoet mee. Libelle en Panorama kwamen woensdag. Vroeger werden de bladen en kerkbodes aan huis bezorgd. In de vakantie hielpen wij daar ook aan mee. Trouwens, als wij niets te doen hadden gingen we naar de winkel en dan had mijn vader altijd wel een karweitje voor ons. En natuurlijk waren er altijd boeken om te lezen.

Maar er waren ook prachtige , warme zomerdagen. Dan gingen wij naar buiten, tollen, touwtje springen of rijden met de autoped. Om de beurt reden wij dan een blokje rond. Aan de overkant was een viswinkel waar staven ijs werden bezorgd en daar viel wel eens wat van af. In de zijstraten zinderde het dan van de hitte die tussen de muren bleef hangen. Af en toe kregen wij twee dubbeltjes, een om naar de speeltuin te gaan en de ander om op de terugweg een ijsje te kunnen kopen. Die bewaarden mijn broer dan in zijn broekzak, want meisjes droegen toen rokjes en die hadden geen zak om wat in te bewaren. De speeltuin was aan de Kanaalweg dicht bij het muizengaatje. Daar waren een zandbak, een wipwap  en schommels. Er waren ook watergoten met kranen en halverwege de middag kon je daarheen lopen om water te drinken. Wij speelden ook wel eens winkeltje op de waranda. Het leukste was eigenlijk het inrichten, met prijsjes gemaakt van de cijfers op postzegelvellen.

Appel

Ik herinner mij zo’n hete zomerdag. Mijn vader had een pakje dat weggebracht moest worden helemaal naar de Groene Zoom. Ik was 9 jaar en mocht dat wegbrengen. Nou was ik nog nooit zelfstandig met de tram het Oude Noorden uit geweest. Dus werd mij precies uitgelegd: met lijn 22 naar de Schiekade, daar overstappen op lijn 3 en dan tot het einde blijven zitten. Dat was allemaal heel spannend voor mij. Daar aangekomen kreeg ik van de mevrouw een appel (heel aardig) en die heb ik de hele weg terug mee in mijn hand gezeten. Want ik had nog nooit een ongeschilde appel gegeten.

Tijdens mijn verjaardag in augustus waren wij vaak met vakantie in een pension. Want mijn vader vond dat mijn moeder ook recht had om even niets te doen. Dan stuurden alle tantes mij een ansichtkaart, die ik dan later boven mijn bed prikte. Door de bossen lopen met een kaart voor de weg, eindeloos waren die dagen. “Het is weer voorbij die mooie zomer”, dat liedje van Gerard Cox liet later precies de gevoelens horen die wij toen voelden. Tijd was voor een kind iets onbestemds. Alles duurde heel lang, ook die 4 weken vakantie.

T.E. van Noordennen
debarim@vanlingen.net

Op de brommer naar het Midden-Oosten

Ik trouwde, net 19 jaar, op 20 december 1967 in Rotterdam. Mijn toenmalige echtgenoot Bob wilde met een brommer naar Zuid Frankrijk in mei 1968, maar ongetrouwd was geen optie voor mijn ouders. Van het geld op mijn spaarbankboekje (de Zilvervloot) kochten we twee Spartamatics, met een mandje voorop.

Vanwege de benzinestakingen in Frankrijk rond mei 1968 besloten we via België, Duitsland en Oostenrijk naar de Middellandse Zee in Joegoslavië te rijden. Bob had als motto: over de Brienenoordbrug rijden en niet meer achterom kijken.
We hadden een kleine tent, luchtbedden, slaapzakken en twee primusbranders in een blikken verpakking bij ons. Uiteraard ook een ‘nestje’ van drie aluminium pannen met een losse handgreep, twee borden, bestek en onze persoonlijke spullen. Qua kleding was het beperkt tot twee stuks (voor mij een spijkerbroek met truitje en een nylon jurkje). Daarnaast twee of drie onderbroeken, een bh, een bikini, een trui en een leren jas.
Alles zat in de twee zijtassen die op de brommers zaten en in de mand met tas voor het stuur. Bovenop die tas lag het boekje met de wegenkaarten van Europa, redelijk gedetailleerd.

Oostenrijk
We vertrokken op 30 mei 1968 en drie weken later zaten we in het zuiden van Oostenrijk, waar mijn ouders met mijn zus en haar vriendin, alsmede een oom en tante een vakantie hadden geboekt bij een pension in Rosegg aan de Drau. Daar zijn we toen een kleine week gebleven op een grasveldje bij het pension. Onder andere om de tent met een soort vloeistof weer waterdicht te maken. Helaas lukte dat niet.

Autotunnel
Toen wij vertrokken en werden uitgezwaaid door de familieleden reden we naar de Loibl-pas. Met de zwaar beladen bromfiets kostte het mij veel moeite om boven bij die tunnel te komen. Bob reed het laatste stuk vaak zo ver voor mij uit, dat hij naar beneden kijkend mij een stuk lager zag ploeteren.
Boven aangekomen bleek de Loibl-pas een autotunnel te zijn, waar andere vervoersmiddelen niet door mochten. Maar uiteraard stond dat nergens aangegeven, dus Bob ging de discussie met de douaniers aan. Uiteindelijk was er contact geweest met de douaniers aan de Joegoslavische kant en werden auto’s even tegen gehouden (alhoewel wij geen auto’s gezien hebben en het zal dus heel stil zijn geweest).

Waterval
Door de tunnel kwamen we dus in Joegoslavië en besloten om benzine te sparen (we leefden van 10 gulden per dag om het zo lang mogelijk te redden) zonder de motor te gebruiken de lange weg naar beneden te rijden.
We kwamen op enig moment langs een weg waar we een waterval hoorden. Dus stopten we en liepen er door de bomen naar toe. Bleken later de Plitvice meren te zijn, die we zo dus illegaal voor een deel bekeken hadden.
Zodra we de kust bereikten volgden we de kustweg tot net boven Albanië. Waar het kon kampeerden we ‘wild’; anders op een eenvoudige camping langs de weg.
Als het warm was doken we even in zee en gingen dan in bikini of zwembroek verder op de bromfiets.
Boven Albanië moesten we over een onverharde weg (pas van Pec) en vervolgens via Skopje naar Griekenland. Daarna vervolgden we onze weg door het noorden van Griekenland en kwamen uiteindelijk op een camping net voor Istanbul in Turkije.

Bosporus
Omdat we geen visum voor Syrië kregen, namen we 5-6 weken later aan de andere kant van de Bosporus vanuit Istanbul de trein naar het oosten. De brommers mochten mee als bagage tot aan Erzurum. Vandaar met bussen en vrachtwagens meegereden tot aan Teheran in het toenmalige Perzië.
Met veel moeite hebben we daar de beide brommers kunnen verkopen. Bij de douanes werden de brommers steeds ook in de paspoorten geschreven, dus we moesten eerst invoerrechten in Teheran betalen om dat ook weer in de paspoorten te regelen.

Verliefd
Tot zover dus de reis van de tweeNederlandse Spartamatics, waar de mensen in Teheran echt verliefd op waren. Wie weet hoe lang ze daar nog hebben rondgereden na de val van de Sjah van Perzië.

Ceylon
Voor dat geld twee goede rugzakken gekocht en daarmee zijn we via Afghanistan, Pakistan en India met de goedkoopste reismogelijkheden (liften met vrachtwagens, bussen en 3e of 4e klas trein uiteindelijk begin september 1968 beland bij een correspondentie-vriendin in Colombo (in voormalig Ceylon).

Ziekte
Wegens ziekte van Bob begin oktober hebben we weer de terugtocht naar Nederland geregeld, deels met de trein en kleine stukjes met het vliegtuig waar treinverkeer niet mogelijk was.
We kregen hulp van (schoon)ouders die poste restante naar Istanbul een koffer met warme kleding hadden gestuurd en ons financieel ondersteunden.
Dit was mijn eerste buitenlandse reis en ik had ook nooit gekampeerd. Maar deze ‘halve wereldreis’ zal ik nooit vergeten. Dit kon op deze manier alleen maar als je jong bent en je het gevoel hebt dat de wereld voor je open ligt. Gewoon ontslag nemen en weer een baan zoeken als je terugkomt. Uiteindelijk heeft deze reis zesmaanden geduurd en kon ik direct weer aan het werk bij de advocaat waar ik daarvoor ook als secretaresse had gewerkt.

Elly Visser-Smit
tel. 06-44618910
visser.smit@planet.nl

‘Amerika’ overleefde alles en iedereen

In de zomer gaan we naar zee. En voor Rotterdammers ligt die voor de deur: in Hoek van Holland. Zeker nu de Hoekse Lijn er is, ben je er zo. Badgasten van verder kunnen ook al meer dan een eeuw terecht in ‘de Hoek’. Bijvoorbeeld in Hotel Amerika, dat al 121 (!) jaar bestaat. Joris Boddaert schreef er dit verhaal over.

Hoek van Holland hoort sinds 1914 bij Rotterdam, maar in ‘de Hoek’ is daar weinig van te merken. Logisch ook. Het dorp was voorheen een deelgemeente en tegenwoordig een ‘gebiedscommissie’, een vreemde bureaucratische omschrijving. De ruim 12.000 inwoners zal het een zorg zijn. Zij genieten, zo pal aan zee, sowieso het meeste zonuren van onze gemeente, en de zeewind zorgt ook voor veel frissere lucht. En van half juni tot eind oktober kan er langs het 3,5 kilometer lange en ook overal brede strand dagelijks door duizenden zwemmers een duik in zee worden genomen.

Metro

Hoek van Holland ie helemaal ‘hot’. Zeker sinds 1 april 2023. Toen opende het metrostation ‘Strand’. De rechtstreekse – best snelle – metro brengt een ieder vanaf station Beurs binnen 30 minuten aan het strand! Ik vermoed dat nergens ter wereld een metro zo dicht stopt bij de kustlijn.

Meliefje wat wil je nog meer? Het gemeentelijk besluit om de oude spoorlijn (sinds 1893!) te vervangen met een metrolijn werd al in 2013 genomen. Het heeft dus eventjes geduurd. Maar goed, nu ie er is, zijn zowel de ‘Hoekers’ en alle Rotterdammers zeer tevreden. Geloof u mij, vrijwel álle horecatenten draaien een goed seizoen, en het dorp plukt uiteraard menig graantje mee.

Deze introductie is nuttig, want ik heb zo de idee dat er maar weinig over onze ‘eigen’ badplaats geschreven wordt. Ik wil graag één keer deze lacune een beetje bijschaven. Het is lang niet gemakkelijk om je 25 kilometer verderop nog Rotterdammer te voelen, maar grappig genoeg voel ik mij in de Hoek altijd zeer senang.

Oudste eetplek

In juni heb ik vanwege mijn nieuwe boek ‘Rotterdamse Restaurants’ (ondertitel: 1900 – heden) een kijkje genomen op de één na oudste eetplek van onze stad. Het gaat om Hotel-restaurant Amerika, dat dateert van 1902. Alleen de van 1897 stammende Ámerican Bar’, later Pschorr-West, daarna De lange Muur en thans de Vietnamese eetzaak Pho aan Kruiskade 1 is vijf jaar ouder. Overigens is De Pijp (Gaffelstraat) uit 1898 qua naamgeving de oudste eetzaak van onze stad. Het is een klein wonder dat Amerika ruim 120 jaar heeft overleefd. Het pand aan de Rietdijkstraat 96 is wonder boven wonder nog zeer solide en dankzij een mooie constructie (aanbouw) is de toekomst gewaarborgd. Ik sprak met de exploitant van de bistro Andreas Tabor (1985) die samen met zijn echtgenote Linda Geers de touwtjes stevig in handen heeft. Hij vertelt dat het hotel met z’n 20 kamers (eigendom van exploitatiemaatschappij Alphatron) prima loopt.

Andreas Tabor: “De hotelgasten dineren meestal ter plekke. Onze bistro aan de straatzijde is prima geoutilleerd. Overigens exploiteer ik tevens restaurant de Torpedo- loods, met groot terras. Daar bevindt zich ook hotel Kuiperduin, eveneens eigendom van Alphatron. De grondlegger van dit bedrijf was Dick Slingerberg (1949-2022), die veel geld verdiende met het ontwikkelen van scheepsbruggen en radarinstallaties. Dick heeft veel voor Hoek van Holland be- tekend. Hij was de drijvende kracht om het zieltogende Amerika nieuw leven in te blazen. Hij hielp mij persoonlijk tijdens corona. Ik was bijna failliet, maar hij sprong bij.” “De hotelgasten dineren meestal ter plekke. Onze bistro aan de straatzijde is prima geoutilleerd”.

In het hotel hangen prachtige foto’s van het roemruchte hotel, dat alle stormen gedurende ruim 120 jaar heeft overleefd. In café Prins Hendrik, dat naast Amerika is gevestigd, vraag ik aan ‘dorpsoudste’ loods Rinus van der Knijff hoe het nu met het ‘Rotterdam-gevoel’ zit bij de gemiddelde Hoeker. Hij begint hard te lachen, en zegt lichtelijk smalend: ‘Wat denk je zelf? Voor de meesten blijft het hier altijd ‘ons dorp’, dat was vroeger al zo, en zal dat altijd blijven. De metro verandert daar niks aan. Die rijden aan het eind van de middag weer propvol terug richting Rotjeknor.’

Intekenen

Woensdag 25 september verschijnt het boek ‘Rotterdamse Restaurants’. Ondertitel: ‘1900 – heden’. Een onmisbaar document, waarin haarscherp het lokale ‘buiten de deur eten’ van de afgelopen 120 jaar wordt beschreven. Nooit eerder werd in 010 zo breed en uitgebreid onze rijke Rotterdamse eetgeschiedenis in beeld gebracht. Het boek (hardcover/gebrocheerd/gebonden/full colour) meet 24 x 34.5 cm (salonta- felformaat), telt 160 pagina’s met circa 350 illustraties. Gewicht boek: 1,4. kilo. Het documentaire boek bevat een namenregister en een complete restaurantindex. Alle boeken zijn genummerd. De prijs van het boek bedraagt in de boekwinkel 59,50 euro. U kunt tot 5 augustus a.s. inschrijven op het boek. U krijgt dan 25 procent korting, en betaalt 44,50 euro. In- clusief verzendkosten. Als intekenaar wordt u achterin het boek met naam en voorletter(s) vermeld, zonder adres. Uiteraard mag u op meerdere boeken tegelijk intekenen. Er verschijnt maar één druk. Een herdruk zal er nooit komen. Het bedrag van 44,50 euro, of een veelvoud daarvan, kunt u overmaken op banknr. NL 98 ABNA 024 34 20 684 ten name van J.Boddaert. LET OP: vermeld bij het overmaken van de koopsom altijd uw huisadres, het boek wordt immers bij u thuis bezorgd. De banken verstrekken geen adressen.

Voor nadere informatie:: jorisboddaert@gmail. com of 06 -18849644.

Joris Boddaert

Ik word oud..

Ik weet dat dit niet vanzelfsprekend is. Stiekem hopen we er allemaal op, maar vaak loopt het leven anders dan gepland. Veranderingen waar je geen rekening mee gehouden hebt, tegenslagen […]

Ik weet dat dit niet vanzelfsprekend is. Stiekem hopen we er allemaal op, maar vaak loopt het leven anders dan gepland. Veranderingen waar je geen rekening mee gehouden hebt, tegenslagen om te verwerken of kansen die je moet pakken.

Dit is er zo een. Een kans die je moet pakken. Een kans die je leven een wending geeft die je van te voren nooit had kunnen bedenken. Vanaf 8 april jl. ben ik eigenaar van De Oud Rotterdammer. Je weet wel die nostalgische krant over Rotterdam. Waarom? Het voelde goed, de uitdaging is geweldig. Maar bovenal krijg ik de kans om de nalatenschap van de stad, waar ik zo gek op ben, vast te leggen. En te delen! Iedere twee weken kijken 300.000 paar ogen met mij mee naar de herinneringen van de stad. Hoe gers is dat! Nooit gedacht, maar ik kon het ook niet voorbij laten gaan. Met een gezonde opgestroopte mouwen mentaliteit ben ik nu creatief directeur van een krant, ben ik uitgever en werk ik samen met een gepassioneerd team.

Wat onze lezers mogen verwachten? We hebben de krant opnieuw vormgegeven, niet alleen qua content maar ook qua layout wordt alles een stukkie jonger. Want wie zegt dat je 80 mot wezen om Oud Rotterdammer te zijn? Met 45 ben je ook gewoon nieuwsgierig naar alle mooie verhalen die deze stad zo gers maken.

Ik ben heel benieuwd hoe jullie de krant gaan ontvangen, neemt er een mee als je langs de bieb, de super, tabakzaak of boekenwinkel loopt, de krant is en blijft gratis, al kan een abonnement nemen ook! Leest hem online, dat ken ook best. Nog even en dan zit je aan de oevers van de Maas op je gemakkie weg te dromen bij al die gerse verhalen uit ons nieuwe krantje. Ons, inderdaad, want de Oud Rotterdammer is en blijft er voor alle Rotterdammers en iedereen die van deze “rotstad” houdt.

Remco Lange

Brommeren van puber tot pensionado

Met een klap reden mijn beide broers Hans en Kees tegelijk achterop dezelfde vrachtwagen. Zij hadden allebei een zelfde Tomos bromfiets, gekocht van het geld dat ze verdienden bij hun eerste baas, schildersbedrijf Berkvens uit de van Reynstraat in Rotterdam Crooswijk.

Het ongeluk gebeurde in 1964 waarbij de twee bromfietsen behoorlijk wat schade hadden. Een bromfietsverzekering was toentertijd nog niet verplicht waardoor geen schadevergoeding was en één van de Tomossen werd met de schade van de hand gedaan en die van mijn oudste broer in eerste instantie wel werd hersteld. Die brommer werd door hem fel oranje geschilderd op een perfecte manier dat deze gespoten leek. Na verloop van tijd werd er eigenlijk niet meer op gereden en verdween de Tomos in de kelder bij ons thuis. Het ding stond daar te stof te vergaren en mijn broer verkocht stukje bij beetje de onderdelen waarna er op de duur alleen het frame nog over was. Toen ik 16 jaar zou worden (1968) mocht ik de restanten hebben. Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn ouders 25 gulden waarmee je op de rommelmarkt onder de bogen van het oude station Blaak een gebruikt motorblok kon aanschaffen bij een handelaar die er altijd tientallen van diverse merken had liggen. Wel eerst controleren of de motor niet vast zat en of de twee versnellingen werkten. Na lang sleutelen en verzamelen van diverse ontbrekende onderdelen (waarbij ik me nu schaam omdat niet alles netjes werd gekocht) was ik de trotse eigenaar van de bijzondere in de hele buurt bekende oranje Tomos. Niemand had er zo een. Toentertijd kocht je een 2-versnellingen exemplaar nieuw voor 575 gulden en een met 3 versnellingen voor 650 gulden.

Rebellen

Een Tomos was eigenlijk een wat goedkoper duplicaat van Puch. De onderdelen van de één pasten ook op de ander. Puch was beter en steviger van kwaliteit. Puch en Tomos werden bereden door tegenhangers van ‘nozems’ die op hun beurt vaker op Zundapp, Kreidler, Royal Nord en Carelli reden. Reed je op een Zundapp of een Kreidler dan had je echt aanzien omdat die van hoge kwaliteit waren en dik over de 1000 gulden kostten. Berijders van een Puch of een Tomos werden ‘Rebellen’ genoemd, hadden geen “vetkuiven” maar vaak lang haar, een groene legerjas en waren doorgaans fan van de Beatles of Rolling Stones. De ultieme accessoire voor een Tomos was een zo hoog mogelijk stuur (het brede ossekopstuur of een heel smal U-stuur) waarbij je bij montage ook al je bekabeling moest vervangen. Later kocht ik heel bijzondere set die bestond uit een versnellingspook en een voetgaspedaal. Natuurlijk moest een en ander opgevoerd worden waarvoor je naar Philipsen op de Kruiskade, de opvoerspecialist van Rotterdam, ging. Voor 65 gulden kocht je een 60 cc cilinder, voor 18 gulden een 16 millimeter Bing carburateur en een groter voortandwiel waarbij je na montage toch zeker 65 km per uur reed. Nadeel van opvoeren was dat je frame na een tijdje krom trok. Kreeg je verkering met een meisje dan moest zij eenmaal achterop gezeten genoegen nemen met een, zeker in de miniroktijd, onhandig brede, oncomfortabele en koude bagagedrager. Ongeloofl ijk veel kilometers en ‘de blits’ heb ik gemaakt. Heel veel heb ik gesleuteld met veel hinder voor de buren. Ik denk dat ik nu met een blinddoek een Tomos of Puch na al die jaren nog uit elkaar haal en in elkaar zet. Met alleen een schroevendraaier, een ring-steeksleutel 10-11 en steeksleutel 12-13 kom je een heel eind. Die had ik toentertijd altijd in mijn zak.

Harry van Oers

baan.oers@online.nl