Skip to main content
Green Button

Herinneringen aan de stad
zaterdag 25 apr 2026

30 jaar Opzoomer Mee, een reis door de jaren

Buren die samenkomen om hun straat mooier, veiliger en socialer te maken. Het begon rond het eind van de jaren ’80, begin jaren ’90 in de Opzoomerstraat. Delfshaven was geen fijne buurt en het aankaarten bij de gemeente hiervan leek geen verschil te maken. Gelukkig zijn Rotterdammers er niet vies van de handen uit de mouwen te steken. Zo ook meneer Hooijmaijers. Hij was het beu en besloot, samen met zijn buren, het zelf te doen. Andere straten zagen hoe het uitpakte en besloten hetzelfde te doen. Het begrip Opzoomeren was geboren. Een interview met de directeur van stichting Opzoomer Mee, Janet Vos.
Foto van de directeur van stichting Opzoomer Mee: Janet Vos. (Foto: Anne Kaere)

“Het nieuwe Westen kampte in de jaren ’80 met overlast en mensen voelden zich niet fijn in de buurt. Er was in de wijk een oude bewonersvereniging en daar werd vergaderd. Meneer Hooijmaijers zei bij een vergadering: ’We zijn het zat, we gaan het zelf doen’. Toen is er een dag georganiseerd en zijn ze met de buren de Opzoomerstraat op gaan knappen. Overal hingen witte bollampjes en plantjes. De straat zag er weer netjes uit. De omringende straten zagen dit en deden hetzelfde. De gemeente begon ook met het leveren van bezems.”

Rond deze tijd begon de gemeente met een groot traject van de stadsvernieuwing. Hier opvolgend werd een programma van Sociale Vernieuwing gelanceerd en dit kwam mooi samen met het Opzoomeren initiatief. Gerard de Klein was projectleider sociale vernieuwing. Samen is er toegewerkt naar de Opzoomerdag op 28 mei 1994.

“De hele stad was geel gekleurd. ‘Oppie’, dit was ons oude logo, kwam van de Hef. Het Hofplein was geel, gele bezems waren metershoog geplakt op het gebouw van Nationale Nederlanden. Heel veel mensen herinneren zich dit nog. Welzijnswerk had in alle wijken en gebieden en wijken mensen opgetrommeld. Het was een uniek project. Na deze Opzoomerdag werd het project overgedragen aan de stad. Mijn voorganger, Johan Janssens, heeft de stichting opgezet: Opzoomer Mee, waarmee Rotterdammers worden ondersteund bij het opzoomeren.”

“Net als bij de oprichting dertig jaar geleden, zijn je straat opruimen, je straat vergroenen en iets gezelligs doen met de buren nog steeds de belangrijkste activiteiten. De invulling van die activiteiten is echter wel veranderd door de jaren heen. Vroeger veegden bewoners gebruikte naalden op van junks, nu hebben ze te maken met complete lachgastanks die apart afgevoerd moeten worden, omdat ze in een gewone container voor ontploffingsgevaar zorgen.

Ook bij het vergroenen van de straten is de aandacht verschoven van gezellige plantjes naar het actuele vraagstuk van klimaatadaptatie. Het is niet meer alleen gezellig om meer groen in de straat te hebben, het is ook nog eens handig. Een groene straat is koeler in de zomer en kan meer regenwater opnemen waardoor de straat niet blank staat na een flinke regenbui. Dat is typisch opzoomeren: je kunt gewoon laagdrempelig in je eigen straat aan de slag met een groot probleem als klimaatverandering.”

“Sinds tien jaar hebben we ook Lief & Leedstraten. Dit initiatief komt voort uit een voorval in Rotterdam waarbij een vrouw bijna een jaar lang dood in haar woning had gelegen voor haar lichaam werd ontdekt. Toenmalig burgemeester Aboutaleb vond dit verschrikkelijk. Hij zei: als iedereen omkijkt naar zijn naast buur, kun je dit voorkomen. In samenwerking met Opzoomer Mee ontstond hieruit de Lief & Leedstraat en het Lief & Leedpotje. Dit potje bestond uit een financiële bijdrage waarmee bewoners in hun straat initiatieven kunnen nemen om het omzien naar buren in goede en in slechte tijden te verbeteren. Het hoeft niet veel te zijn, je kunt even iets langsbrengen bij iemand die ziek is of een mijlpaal in iemands leven vieren. Inmiddels hebben 52 andere gemeenten dit overgenomen. Hiervoor onderhouden wij ook een landelijk netwerk. Vroeger was sociale cohesie meer vanzelfsprekend, tegenwoordig heeft het een zetje nodig. En het werkt goed.”

“Zoals alles bij Opzoomer Mee, is de straat de schaal waarop we opereren. Maar soms komt van het een het ander en willen mensen een activiteit organiseren die groter is dan de straat. Daarom voeren we ook de subsidieregeling Bewonersinitiatieven van de Gemeente Rotterdam uit. Onder de noemer Buurtidee kunnen Rotterdammers via ons ook aanvragen indienen voor grotere projecten.”

“Voor het dertig jarig jubileum hebben we trouwe Opzoomeraars in het zonnetje gezet. Dit was een groot feest. De mensen kregen een sjaal, of zoals wij het noemen een lintje, dit is de Opzoomertrofee. Deze sjaal is te herkennen aan het oude logo en het huidige logo. We hebben er een feestelijke bijeenkomst van gemaakt en het was prachtig om verhalen op te halen met ze allen. Net zoals we nu doen.”

“Ik denk dat je het Opzoomeren heel erg moet zoeken in de kleine momentjes. Dus die kleine ontmoetingen. Die buurvrouw die dan even bij jou aan de deur staat omdat ze heeft gehoord dat het net even niet zo lekker ging. Of die mensen die net nieuw in de straat kwamen wonen en toen welkom werden geheten of bij de straatborrel aansloten en het meteen gezellig hadden. En die mensen die elkaar nu groeten of die zeggen hoe gaat het met jou? Waardoor het ook fijner wonen is in je straat.”

“Mensen zijn heel trots op Opzoomer-acties Er komt veel dankbaarheid uit voort. Sommige mensen doen het al dertig jaar, die staan ergens ook wel te wachten op de nieuwe generatie. Gelukkig zien we ook weer en jongere generatie aansluiten.”

“Wat voor mij heel belangrijk is, ik denk voor het hele team bij Opzoomer Mee, het heeft mijn mensbeeld echt ten positieve veranderd sinds ik hier werk. Want ik kon wel eens denken: nou, lekker dan, iedereen zijn eigen bubbel. Maar je hebt hier zulke mooie verhalen. Zoveel mensen die wel willen, die positief zijn, die omzien naar elkaar. Dat is gewoon heel mooi om te zien. Die barra’s staan te bakken en uit te delen. Die gewoon schouders eronder zetten. Of van die energieke tachtigers die twee keer per week schoonmaken met een groepje. Mensen die zeggen: ‘Ja, iemand moet het doen, hè’.”

“Opzoomeren is na 30 jaar nog altijd relevant. We hebben een aantal uitdagingen waar we voor staan als samenleving. Individualisering is daar een van. Buren kennen elkaar niet meer altijd, terwijl het juist prettig wonen is in een straat waar je weet wie je buren zijn. Daarnaast blijven ouderen steeds langer thuis wonen, waardoor het extra fijn is als een buur een oogje in het zeil houdt. Even kijken of de gordijnen bij de buurman open zijn, kan al het verschil maken. En tot slot blijft de aandacht voor groen relevant. Net als in 1994 geldt: we moeten met elkaar de schouders eronder zetten en verantwoordelijkheid dragen voor je eigen stad.”

“Bij Opzoomer Mee kun je gemakkelijk een bijdrage aanvragen als je iets wilt doen met je buren. Je verzamelt vier buren die meedoen en vult het aanvraagformulier in op opzoomermee.nl. En je mag ons ook altijd bellen als je vragen hebt. We zijn heel laagdrempelig.”

Kort samengevat, wat is Opzoomeren?

“Je buren kennen.”

Wijze Dirk duidde wereldpolitiek in de drukkerij

Op 5 juni 1967, de dag dat de zesdaagse oorlog tussen Israël en zijn buurstaten uitbrak, startte mijn eerste baan. Dat was bij een handelsdrukkerij in het Oude Noorden. Op die ochtend was ik natuurlijk veel te vroeg aanwezig, maar de mannen – vrouwen werkten daar niet op de productieafdeling – die er al waren hadden geen aandacht voor mij en stonden allemaal om een radiotoestel heen dat onafgebroken nieuws uit het Midden-Oosten produceerde.

Alle medewerkers die daarna binnenkwamen liepen naar een radio toe en hadden verder nergens meer aandacht voor. Deze oorlog was immers wereldnieuws. Uiteindelijk werd ik toch wel opgemerkt; een meneer van halverwege de veertig gaf mij een hand en stelde zich voor als mijn leermeester. Hij bracht mij naar de zetterij alwaar hij mij een plek wees. Het daaropvolgende halfuur besteedde hij aan tekst en uitleg over waar alles was te vinden, wat er op de orderzakken en kopij stond en hoe de procedures hier verder waren. Tevens gaf hij mij een zethaak en een grijze stofjas die mij paste en zo begon mijn werkzame leven.

Sarcasme

Gedurende de eerste dagen van mijn carrière waren de collega’s in de ban van de zesdaagse oorlog, maar langzaamaan ebde de belangstelling wat weg en was men niet meer continu aan de radio gekluisterd; er moest tenslotte ook nog gewerkt worden. Maar bij de koffie gingen de gesprekken al gauw weer over Israël en de Arabieren.

‘Eigenlijk hebben die Joden in dat land niks te maken.’

Die woorden kwamen van Dirk de Jonge, een ‘oude’ man van achterin de vijftig.
De koffiepauzes en andere samenscholingsmomenten vonden altijd bij zijn werkplek plaats. Hij werd op de zetterij- en opmaakafdeling beschouwd als een wijze, wiens woord gewoonlijk veel gezag had. Meestal gingen die gesprekken over sport, maar ook wel eens over politiek. Dirk had een wat bittere humor, en nam graag iemand een beetje in de zeik. Aanvankelijk vreesde ik zijn sarcasme, maar ik merkte al gauw dat hij de nog kwetsbare leerjongens altijd met wat meer clementie behandelde, zelfs als je de stomste fouten maakte. Weliswaar stortte hij dan vele aan het dierenrijk en de genitaliën ontleende scheldwoorden over je heen, maar het had steeds een goedmoedige ondertoon. Zijn kunstgebit paste niet zo goed, want als hij lachte bleef z’n bovengebit soms op z’n ondergebit liggen. Dat was dan een raar gezicht.

‘Hoezo niks te maken!?, die mensen verdedigen hun land.’

Dirk keek de opponent door een afgezakte bril gemelijk aan.

‘De Joden zijn vanuit Europa naar Palestina gekomen en kregen doodgemoedereerd van de VN en de Britten dat land cadeau, terwijl de Arabieren, die er altijd gewoond hebben maar een eindje moesten opschuiven. Dat is toch idioot, niet dan?’

‘De Joden hebben dat toch niet zomaar gekregen, na al die oorlogsellende?!’

Dirk zette zijn koffiebeker neer en schoof z’n bril recht.

‘Ik gun de Joden in alle opzichten een eigen land, maar nou moet jij je eens voorstellen: de Turkse gastarbeiders hierzo hebben zomaar besloten dat ze hier hun eigen land moeten hebben. Ze roepen de staat Neder-Turkije uit en schieten je voor je raap als je d’r anders over denkt. Hoe zou jij dat vinden?’

Er werd nog wat gemompeld over het feit dat je dat niet met elkaar kunt vergelijken, maar Dirk schudde zijn hoofd en zei alleen maar dat de collega’s daar maar eens over na moesten denken. Die hadden daar nooit over nagedacht, en ik ook niet, maar het bleef mij wel bij. De Israeli’s waren nu eenmaal een dapper volk, dat een overmacht van vijanden op hun donder wist te geven, maar de rechten van de Palestijnen, daar werd destijds vrijwel niet over gesproken.

Vakantiebestemming

De vakantietijd brak aan, en de gesprekken gingen over vakantiebestemmingen. In die jaren begon Spanje een favoriet vakantieland te worden. De tijd dat gewone mensen nog niet verder gingen dan de Veluwe of Bergen-aan-zee was aan het aflopen en men ging naar exotische oorden zoals de Spaanse oostkust. Spanje was een goedkoop land en twee dagen in de bus zitten was weliswaar geen lolletje, maar dat had men er wel voor over.

‘Mijn vrouw en ik gaan naar Split.’

Dirk zei het om ook een duit in het zakje te doen.

‘Split? Waar leg dat?’

‘Split leg in Joegoslavië. Mooi land, mooie stranden en lekker rustig. Veel beter dan dat fascistische Spanje van jullie waar op elke vierkante meter strand een Nederlander z’n kroketje leg te vreten en bier leg te zuipen.’

De collega’s merkten op dat Joegoslavië een communistisch land was, net zo erg als het Spanje van Franco, maar daar was Dirk het niet mee eens.

‘Tito is geen communist, maar meer een socialist, zoals bij ons Den Uyl en Vondeling. En vadertje Stalin, vadertje Chroestjow, en weet ik wat voor vadertjes uit Moskou hebben d’r nooit geen moer te vertellen gehad. Joegoslavië is namelijk geen oostblokland.’

Profetische woorden

Dirk beval Joegoslavië aan als vakantiebestemming, en had daar een merkwaardige reden voor.

‘Kijk, je ken d’r nou goed met vakantie, maar als die Tito nog is een keer de pijp uit gaat dan slaan ze mekaar daar allemaal de hersens in, en dan is het afgelopen, want dan is het daar altijd oorlog.’

Deze profetische woorden heb ik onthouden. Een typograaf met amper meer dan lagere school voorspelde in 1967 het uiteenvallen van Joegoslavië, een kwart eeuw later. Toch was zoiets destijds niet heel bijzonder; er waren nog wel eens oudere mensen die weliswaar laag opgeleid waren, maar wel goed geïnformeerd en soms zeer belezen. Het waren mensen die niet doorgeleerd hadden, gewoon omdat het voor de Tweede Wereldoorlog ongebruikelijk was dat arbeiderskinderen doorleerden.

Hij keek mij aan en wist dat ik wat meer met geschiedenis bekend was dan de collega’s.

‘Je betaalt er met de dinar. Dat is nog overgebleven van de Romeinen, toen heette die munt Denarius, wist je dat, wijsneus?’

Hij wendde zich weer tot de anderen: ‘die kosten op het wisselkantoor nog geen dubbeltje per stuk, maar je ken ‘m daarzo uitgeven alsof het een tientje is. Kom daar maar eens om met je Spaanse peseta’s. En d’r is ook nog een prachtig eiland waar je met vakantie naartoe kan, dat heet Krk. Zonder klinker. Gewoon Krk, meer niet. Idioot hè?’

Zo kwam je ook nog eens aan je geografische kennis.

Piet Almekinders

piet.almekinders@gmail.com

Een klas vol boefjes uit het Oude Noorden

Na de lagere school afgewerkt te hebben moest er een keuze gemaakt te worden voor het vervolgonderwijs. In mijn geval geen moeilijke keuze want ik wilde, net als mijn vader, machinebankwerker worden. Het werd dus de lagere technische school.

Net als pa, en ook zijn broer, de LTS aan de Gordelweg. Dat werd wel even een verandering dan de lagere school. Nu moest ik met een tas met de juiste boeken en een overall naar school. Geen vaste leraar meer voor de hele week, maar verschillende leraren en lokalen.

Op maandagmorgen was het voor heel de school verzamelen in het grote houtbewerkingslokaal voor de weekopening. Gebed, zang en een stuk uit de bijbel. Een klas vol boefjes uit het Oude Noorden en aanliggende wijken. Een van de leraren was letterlijk de pispaal want er was nooit orde in de klas. Zijn bijnaam was Beertje omdat hij daar ook wel een beetje op leek. Punaise op zijn stoel, propjes die tegen het bord aanvlogen. Als je betrapt werd mocht je je gaan melden bij de directeur die dan een passende straf gaf. We hadden al gauw in de gaten dat je beter een wandelingetje door de school kon maken en dan terug in de klas komen met de mededeling dat je strafwerk had gekregen. Wel oppassen dat je niet in de buurt van de conciërge kwam want dan was je dubbel de pineut. In de middagpauze was er buiten de school ook wel iets te beleven. Meestal een vechtpartijtje. Ook over het voetgangersbruggetje naar de Noorderkanaalweg zijn een keer alle lampen van de lantarenpalen kapot gegooid. Bijkomend resultaat: de politie op school. Een wandelingetje langs het spoor werd niet gewaardeerd en in de school werd er de klassen ingekeken of er gezichten te herkennen waren. Gelukkig niet.

Doodstraf

Mijn eerste werkstuk in het praktijklokaal was een stuk u-profiel waar je een laag van de flenzen af moest vijlen en dat dan op de juiste hoogte brengen en netjes evenwijdig. Na dat werkstuk heb ik voor altijd een gruwelijke hekel aan een vijl gekregen. Leuker was smederij, lekker fikkie stoken en dan rammen op een peuk ijzer. Het laslokaal was ook een favoriet. In dat lokaal hing een douche met een ketting, als je daaraan trok kon je douchen met koud water. Onnodig aan die ketting trekken stond zo’n beetje gelijk aan de doodstraf want die hing daar voor noodgevallen als je overall in de brand vloog bij autogeen lassen. Het gas voor dat autogeen lassen wekte met zelf op in een gebouwtje op de binnenplaats. Daar werd met korrels carbid en water dat gas verkregen. Bij het schoonmaken van het hok wat carbid meenemen de school in en het dan in een wc storten. Succes verzekerd! Een keer ben ik de fout ingegaan, ik kreeg geen gelegenheid het carbid te dumpen en het bleef in mijn overall zitten. De volgende dag in het praktijklokaal hing er rond Jan een gaslucht die niet door de leraar werd gewaardeerd.

Tekenkamer

Op de lagere school had ik aanleg voor tekenen ook hier was niet anders zij het dan technisch tekenen betrof. Ik lag regelmatig een aantal tekeningen (opdrachten) voor op de klas en had met de leraar de afspraak dat ik mijn huiswerk kon gaan maken terwijl de klasgenoten met potlood en vlakgum in de weer waren. Ik hoefde dus thuis niet aan de keukentafel te gaan blokken. Na het afronden van de LTS en een diploma op zak kon ik door medewerking van de tekenleraar aan de slag als leerling tekenaar bij Braat N.V. op de Doklaan Rotterdam-Zuid. Die betaalde een cursus Adspirant Staalbouwkundig Tekenaar. Ik ben tot mijn pensionering op de tekenkamer werkzaam geweest in diverse functies van leerling tekenaar tot chef tekenkamer. Ik heb daar wel de nodige jaren ‘s avonds voor op school gezeten en cursussen gevolgd.

Nu geniet ik samen met mijn vrouw als AOW-er.

Jan Feberwee / janfeberwee@hotmail.com

Aan de wandel in en om Rotterdam

Wandelen is niet hetzelfde als lopen. Wandelen doe je voor je plezier, voor ontspanning, zonder speciaal doel. Gelopen werd er vroeger veel. In je eigen wijk waren de winkels op loopafstand. Als je naar een andere wijk moest, nam je de tram. Waar zou je naar toe moeten wandelen? De hele binnenstad lag plat. Op zondag werd er ook veel gelopen, naar familie, naar de kerk. Maar dat is geen wandelen.

Echt wandelen werd in mijn herinnering gedaan op Tweede Paasdag en Tweede Pinksterdag. Vooral de laatste was daarbij favoriet omdat het dan al beter weer was. Ik herinner mij een wandeling om de
Kralingse Plas. Omdat wandelen zo weinig kon worden gedaan genoten wij er extra van.

Etalages kijken

Later heb ik met mijn man heel veel gewandeld. Wij gingen dan door de Noorderboulevard, over de Noorderbrug, Jonker Franstraat, Meent, Coolsingel , links naar de Maas toe. Daar keken wij uit over het water en de vrachtschepen die er nog waren. Wij dronken koffie in de Ballentent en dan liepen wij een andere weg weer terug. Door de Hoogstraat en zo verder. Mijn man zei altijd: als je een andere weg terugneemt zie je twee maal zo veel. Op zomeravond gingen wij vaak wandelen naar de Noorderboulevard. Gewoon op en neer, etalages kijken. Genieten van de avondzon.

Kralingse Bos

Toen onze dochter klein was gingen wij wel eens met de auto naar het Kralingse Bos. Daar stapten wij uit bij de kinderboerderij die wij bezochten. Daarna wandelden we door het bos naar het pannekoekenhuis voor wat eten en drinken. En weer terug. Dan hadden wij een leuke middag gehad.

Een keer fietste ik met mijn dochter achterop door het Kralingse Bos. Gewoon langzaam om te genieten. Werden wij aangehouden door de politie. Voor mij was de politie je beste kameraad, dus ik stapte af en vroeg met mijn altijd vriendelijke gezicht: kan ik u helpen? Nou, zei de agent, u mag hier niet fietsen, dit is een wandelweg. O, zei ik, en omdat zij wel zagen dat ik geen kwaad in de zin had, kreeg ik geen bekeuring. Maar het was wel wandelen verder. Maar zo erg was dat niet. Wandelen werd dus altijd als een leuke bezigheid gezien. Later, toen er weer van alles opgebouwd was, gingen wij ook altijd lopend naar de stad. Naar V&D, Jungerhans, de Lijnbaan en via het Heliportterrein weer terug. Zo leerden wij ook het ‘nieuwe Rotterdam’ beter kennen.

T.E. van Noordennen-van Dordrecht

debarim@vanlingen.net

‘Top 40 heeft voor altijd een plek in m’n hart’

Op 3 januari dit jaar overleed het gezicht en stem van radio Veronica: Willem van Kooten, beter bekend als Joost den Draaijer. Hij was tevens de bedenker van de Top 40. Mijn gedachten gingen meteen terug naar de jaren zestig, naar deze lijst en mijn eerste single van de Beatles gekocht in het oude Crooswijk. Als je dan zo aan het mijmeren bent komt er nog veel meer naar boven dat als muziek in oren moet klinken.

Al heel vroeg had ik wat met muziek. Zo hadden wij thuis altijd de Arbeidsvitamine aanstaan. Leuke plaatjes van alle stijlen die een vertrouwd en gezellig gevoel in onze huiskamer naar boven bracht.

Welk muziekje me zeker nog in het geheugen staat gegrift is “De Ochtendgymnastiek” gepresenteerd door Ab Goubitz, “Staat u allen klaar?”. ’s Ochtends, voor we naar school gingen, wilde mijn moeder altijd het nieuws op de radio horen. Direct na het nieuws werd “De Ochtendgymnastiek” uitgezonden.

Mijn moeder had een verschrikkelijke hekel aan de begintune en wilde die absoluut niet horen. Meestal redde zij het om de radio vóór aanvang uit te zetten maar soms ook niet. Dan kwam ze hard zingend of pratend aanrennen om het radiotoestel met het “kattenoog” alsnog een slinger te geven. Vóór aanvang had zíj dan haar ochtendgymnastiek al gehad.

De plaatjes bij oma

Mijn grootouders hadden al vroeg een platenspeler, zo eentje met het speakertje in de kap. Vóórdat ik door de pickupnaald werd geïnjecteerd door de populaire muziek hadden mijn opa en oma al platen van “de Grote Drie”. Ik was zeer geïnteresseerd in de LP’s van Wim Sonneveld, Wim Kan en Toon Hermans. Niet dat ik er toen veel van begreep maar het publiek lachte zich een ongeluk, dan moest het wel leuk zijn. Ik kon hele stukken van de conferences uit mijn hoofd. Oma had ook platen van “Ja Zuster, Nee Zuster”. Als ze me heden ten dage ’s nachts wakker maken kan ik nog vele nummers uit het hoofd meezingen.

Ook hadden ze zachte plastic plaatjes van Piggelmee en Paulus de Boskabouter. Deze spannende avonturen vergeet ik nooit meer. Bijvoorbeeld hoe de hommel in de snavel van Oeroeboeroe bommelde en de allesverwoestende explosie waarbij Eucalypta luid schreeuwend naar “wist ik veel” werd geblazen. Ik hoor het nog steeds en ik hoef er zelfs mijn ogen niet voor te sluiten. Onlangs vond ik op YouTube dit verhaal, ik sprak het nog woordelijk mee. “Paulus en het toverfluitje”.

Kattengejank

Mijn nicht en neef zorgden er voor dat oma singletjes van popmuziek kocht. Bijvoorbeeld van The Beatles. Ik draaide ze grijs. Omdat ik bij mijn grootouders altijd met de grammofoon bezig was mocht ik deze uiteindelijk hebben, een beter cadeau kon men mij niet geven. Nu kon ik zelf plaatjes voor mijn verjaardag vragen. Dat doet mij herinneren aan een avond in 1966. Ik zag een muziekprogramma waar

The Beatles, zo bleek later, “Day Tripper”, speelden. ‘s Nachts hadden de prachtige gitaarklanken van dit nummer me uit mijn slaap gehouden. De dag erna, vertelde ik mijn grootouders over de geweldige gitaarsound.

Oma begreep me, maar opa, die alle popmuziek de categorie Kattengejank meegaf, sprak de onvergetelijke woorden, “zou jij dat plaatje willen hebben?” Ik zie ons nog lopen door de straten van Oud-Crooswijk. De winkel aldaar was niet meer dan een pijpenla nog lang niet aangevreten door de Rock & Roll. Single voor single werden op de draaitafel gelegd waarbij het geduld van de platenbaas danig op de proef werd gesteld. Daar zat ik dan met die horentjes aan mijn oren te wachten op… Het ultieme geluksgevoel overspoelde mij toen ik de eerste gitaarklanken van Day Tripper hoorde. Day Tripper kreeg een nummer 1 notering in de Top 40.

De Top 40

Ik hoef mijn leeftijdsgenoten eigenlijk niets over de Top 40 te vertellen. Termen als alarmschijf, treiterschijf en de diverse jingles en radiotunes waren een begrip. “Herinnert u zich deze nog nog nog?” En “Joost mag het weten…”. De Top 40, die overigens ook op papier gratis verkrijgbaar was, voegde al de op dat moment populairste muziek prachtig voor ons samen. Iedere zaterdagmiddag werden deze 40 bestverkochte platen gedraaid op radio Veronica. Die vertrouwde Top 40 heeft voor altijd een nostalgische plek in mijn hart.

Ondanks dat ik later ‘afgedaald’ ben naar de krochten van de (hard- en symfonische) rock heeft de Top 40 voor mij de basis gelegd voor mijn muzikale interesse. “Joost mag het weten”, nou die Joost den Draaijer wíst destijds wat hij deed.

Martin Stikkelorum

Martin.stikkelorum@gmail.com

Naar de kelder… voor een jubileumfeestje

Vijfhonderd nummers van de Oud Rotterdammer waren er eind vorig jaar verschenen. Dat moest natuurlijk gevierd worden. Op een heel bijzondere plaats in Rotterdam. De makers, de oprichter, trouwe adverteerders en genodigden troffen elkaar bij een informele borrel in de mysterieuze kelder van de Arminiuskerk. Beter bekend als Doctor Watsons, een ontmoetingsplek waar ook een ‘escape room’ aan gekoppeld is.

,,Naar de kelder gaan als krant, da’s eigenlijk niet zo’n goed teken”, sprak Nico Tempelman vooraf nog droogjes. Maar ook de jarenlange leverancier van leuke sportverhalen over vroeger moest bekennen dat dit toch wel een bijzonder plekje was.

De zogeheten speakeasy bar met drie verbonden ruimten zijn opgetrokken in de stijl van het Amerika van de jaren dertig. Compleet met Chesterfield-banken en bediening met Peaky Blinders-achtige petten. De sfeerverlichting was ditmaal ook nog in kerstsfeer. Het was in die entourage dat de Oud Rotterdammer haar jubileumfeestje vierde. Klein, intiem, maar gezellig.

Eerbetoon

De borrel stond voor een belangrijk deel in het teken van een eerbetoon aan de oprichter van de krant, Fred Wallast, zonder wie dit allemaal niet mogelijk was geweest. Het was zijn initiatief dat oudere Rotterdammers en oud-Rotterdammers jarenlang liet genieten van verhalen en anekdotes die zich afspeelden in hun Rotterdam, vaak in hun jeugd.

Remco Lange, de nieuwe eigenaar van de Oud Rotterdammer, hield een gloedvol betoog over het belang van een krant voor de stad, over de cruciale rol die Fred voor de krant speelde en over de toekomst van de krant die de kern van de formule wil vasthouden, maar hier en daar wel wil moderniseren. Aan het eind van die speech overhandigde hij een ingelijste voorpagina van het vijfhonderdste nummer aan onze oprichter, die weliswaar al een aantal jaartjes met pensioen is, maar nog altijd trots is op wat is neergezet door hem en alle medewerkers in de afgelopen jaren. ,,Papier zal echt voorlopig niet verdwijnen”, logenstrafte hij de woorden die hij bij de start van ‘zijn’ krant naar zijn hoofd kreeg geslingerd. ,,Alles zou digitaal worden. Nou echt niet.”

Juist de mix van een papieren krant met een sterke website en aandacht voor sociale media moeten in de toekomst gaan zorgen dat de Oud Rotterdammer nog lang kan doorgaan. 

Maikel Zuurbier, sales manager bij Janssen Pers BV, de drukker van onder andere de Oud Rotterdammer, kon het alleen maar bevestigen. ,,Papieren kranten doen het nog steeds goed. Wekelijks drukken wij nog tien miljoen exemplaren, voor kranten in het hele land. Dat zegt genoeg.”

Reünie

Voor een deel was de borrel ook een reünie van oude bekenden. Vaste medewerkers als Gerard Cox, Rein Wolters en Joris Boddaert grepen de gelegenheid aan om de oprichter Fred Wallast nog eens te spreken. Maar ook was er de gelegenheid voor ‘nieuwkomers’ als columnist Joost Zielstra en vaste adverteerders om kennis te maken met de mensen achter de krant.

Oude herinneringen werden opgehaald en nieuwe afspraken gemaakt. Want terugblikken is leuk, maar vooruitkijken ook belangrijk. We gaan er in het nieuwe jaar weer fris tegenaan. Op naar de nieuwe kranten met mooie verhalen van u, lezer, en van ons.

Wat een wereldreis met de ‘Willem Ruys’

Na mijn opleiding Hofmeester voor de Koopvaardij en enkele reizen te hebben gemaakt bij de Holland-America Line, monsterde ik in 1962 en 1963 aan als salon-steward op het ms. “Willem Ruys”, het vlaggenschip van de toenmalige Koninklijke Rotterdamsche Lloyd. Een prachtig passagiersschip met een accommodatie voor ruim duizend passagiers.

De “Willem Ruys” maakte per jaar vijf wereldreizen en eenmaal per jaar “vierweken cruises” naar het Middellandse gebied, Canarische eilanden en de Azoren. De wereldreis duurde negen weken met veel Europese “Round Trippers” aan boord. Vertek vanaf Rotterdam naar Southampton, daarna Port Said, vervolgens door het Suezkanaal naar Ceylon (Sri Lanka) Colombo – Singapore – Australië, Sydney en Melbourne – New Zealand Wellington- het eiland Pitcairn. Daarna de grote oceaan-oversteek naar Peru Callao/Lima – Panamakanaal Balboa en Cristóbal – Haïti Port Au Prince– De Bahama’s – Miami/ Port Everglades – New York – Southampton – Rotterdam. Kapitein van de Heuvel en zijn volledige bemanning zullen een zucht van verlichting hebben geslaakt toen de Willem Ruys bij terugkeer van de derde rond-de-wereld-reis in 1963 aan de Lloydkade afmeerde.

Geboorte

Deze “derde wereldreis” met moment van vertrek op 1 augustus bracht dertien dagen later het eerste vermeldenswaardige feit. Een geboorte op volle zee op 13 augustus om middernacht sprongen vier jonge Turkse poesjes het “ruige” zeemansleven in. De doopplechtigheid van Tommie, vernoemd naar onze werkhofmeester Tom Wight, Amsteline, Bredaatje en Heinekenlotje vond plaats in de Golf van Aden onder het genot van een stevig glas Amstel, Breda of Heineken. Twee dagen eerder sprong een dronken Duitse passagier overboord, die kon niet meer gered worden. Verdere gegevens ontbraken voor de bemanning i.v.m de privacy.

Tijdens de grote oversteek van New Zealand naar Peru, brak er halverwege een kleine brand uit in de machinekamer. Grote paniek onder de passagiers. Het licht viel even uit. Als bemanning moesten wij naar onze secties om de brandvrije deuren, compartimenten te vergrendelen en iedereen zoveel mogelijk gerust te stellen. Een klus die je, als jongeman, niet in de koude kleren ging zitten met huilende kinderen en verontrustte ouders. Tijdens deze reis hadden wij toevallig veel Australische, Engelse en Nederlandse emigranten en verlofgangers aan boord. Gelukkig was de brand na twee uur geblust.

Verstekeling

In reddingssloep 19 werd in het Panamakanaal een 47-jarige Cubaanse verstekeling ontdekt. De man had zich in Balboa, begin van het Panamakanaal, aan boord van de Ruys verstopt met het doel gratis naar zijn vrouw in New York te varen. “Ik heb ruim twee jaar op Cuba in een concentratiekamp gezeten omdat ik tegen Fidel Castro was en 46 uur tot aan mijn kin in de olie gestaan toen ik als verstekeling aan boord van een tanker van Havanna naar Panama ben gevlucht met slechts vijf dollarcents op zak” luidde zijn verhaal. Deze extraverte en drukke Cubaan vertelde zo met volle overgave dat iedereen tranen in de ogen kreeg.

De verstekeling had gevoel voor humor. Toen de kapitein hem vroeg: “En wie betaalt uw reis?” gaf hij als antwoord: “Dat laat ik graag aan u over kapitein”. En toen een van de bemanningsleden vroeg: “Hoe voelt u zich nu aan boord van een Nederlands schip?” Antwoordde hij: “Hongerig meneer, erg hongerig”.

In Miami verloor hij echter veel sympathie toen de FBI hem kwam verhoren en ontdekte dat hij als smokkelaar in verdovende middelen al eerder de Verenigde Staten was uitgezet. Omdat de volgende haven New York was en de Cubaan niet de VS in mocht, werd hij opgesloten in de scheepscel en door een bewapende politieman bewaakt tot vertrek naar Nederland. Kosten omgerekend in guldens tegen elf gulden per uur. Aangekomen in Rotterdam is hij door de Lloyd op een vrachtschip gezet en richting Panama vervoerd, de plek waar hij als verstekeling aan boord was gekomen.

Doop uit roomkannetje:

Tussen Miami – Port Everglades en de Bermuda’s werd emigrantenzoon Richard ten doop gehouden. Zijn ouders, een Nederlands emigrantenechtpaar uit Australië, wilden hun zoon in het bijzijn van de grootouders tijdens hun vakantie in Nederland laten dopen. Kapitein van de Heuvel, een gelovig katholiek, vond het een geweldig idee om de doop op volle zee te laten plaatsvinden.

Onze scheepsaalmoezenier verrichtte de plechtigheid met een roomkannetje uit de salon. Als klap op de vuurpijl werd in New York een bemanningslid opgepakt met verdovende middelen. Na het incident met de Cubaanse verstekeling en de sanctie van de F.B.I was het schip “Besmet” verklaard. Tenslotte onderzocht de Z.G. “Zwarte Brigade” van de Amerikaanse narcoticabrigade het schip van onder tot boven en niemand van de bemanning mocht van boord.

In Rotterdam aangekomen kregen wij kort daarna de kennisgeving, dat de Willem Ruys per januari 1965 van de vlootsterkte zou worden afgevoerd, waarmee een einde kwam aan de passagiersvaart van de Kon. Rotterdamsche Lloyd.

Achillo Lauro

De Ruys werd verkocht aan de Italiaanse rederij Lauro Line en zou na een grondige verbouwing gaan varen onder de naam “Achillo Lauro”. Weinig cruise-schepen zijn zo vaak getroffen door rampspoed als dit schip. In 1972 werd aan boord in Genua brand gesticht waarbij enkele werfmedewerkers en brandweerlieden gewond raakten. Drie jaar later werd het schip in de Dardanellen, de zeestraat van Turkije, geramd door een Libanees vrachtschip. Aan Libanese zijde vier doden en een flinke schade aan de Achillo Lauro. In 1981 brak er voor de tweede keer brand uit bij de Canarische eilanden. Twee passagiers kwamen om het leven. Een jaar later, alweer op de Canarische eilanden, werd het schip voor een jaar aan de ketting gelegd door schuldeisers. Een kaping in 1985 door Palestijnse commando’s waarbij één passagier, de joodse Amerikaan Leon Klinghofer in zijn rolstoel werd vermoord en over boord werd gegooid. Zijn lijk spoelde dagen later aan op het strand bij Syrië. In 1995 brak brand uit op ongeveer tweehonderd kilometer uit de kust van Somalië en zonk na enkele dagen. De meeste passagiers konden gelukkig worden gered.

Geluk bij een ongeluk

Deze ramp dupeerde niet alleen de gestrande passagiers voor de Somalische kust, maar ook zo’n honderd oud-bemanningsleden van de toenmalige “Willem Ruys”. Zij boekten enkele weken voor de ramp, ter ere van hun twintigste reünie, een korte Middellandse cruise op de ”Achillo Lauro”. Dat zij door het zinken van het schip wellicht het e.e.a bespaard is gebleven, zal je gelukkig nooit weten.

Ton Kuster

tonkuster@hotmail.com

Mijn zus smokkelde mij de bioscoop in

Als kind weet ik nog dat mijn ouders begin jaren ‘60 als eerste van zes gezinnen in het trappenhuis een televisietoestel kochten (welleswaar op de pof). Het apparaat van Philips had aan de zijkant een draaiknop voor wel 20 zenders, dit terwijl je er maar één kon ontvangen. Uitzendingen begonnen nadat je tien minuten naar een testbeeld zat te staren dagelijks om zeven uur ‘s avonds en stopten precies om twaalf uur, waarna het ‘Wilhelmus’ werd gespeeld.

Bij de K.R.O. volgde na uitzending altijd de dagsluiting met Bisschop Beckers en later Pater Leopold Verhagen. Woensdag en zaterdag was om vier uur het kinderuur- tje waarbij vaak kinderen uit de buurt bij ons mochten komen kijken naar Dappere Dodo, Pipo de clown en Okkie Trooi. Omroepsters die ik me herinner waren Tanja Koen en Hannie Lips (Tante Hannie naar wie je altijd zwaaide).

Later kreeg je er een zender bij en kon je met een stuk koperdraad aan de gordijnrail die dienst deed als antenne bij helder weer het R.E.M.-Eiland ontvangen met programma’s als Rin Tin Tin, Het sprekende paard Mr. Ed en Lucy Ball. Televisie was naast het luisteren naar de opkomende popmuziek een van de weinige vormen van vertier.

Eerste film

Eenmaal wat ouder zocht je meer naar ontspanning buitenshuis. Maar de vele uitgaansmogelijkheden waarvan de jeugd van vandaag de dag kan genieten hadden wij niet. De grote publiekstrekkers waren naast de dierentuin en het Kralingse bos de bioscopen, waarvan er in Rotterdam heel wat waren.

In de krant stond elke week de bioscoopladder waarop je kon zien welke film er speelde en waar die draaide. Mijn eerste film die ik zag draaide in Victoria aan de Bergweg. Het was een zwart-wit film met Eddie Constantine; een soort voorloper van James Bond. Voor die voorstelling werd ik door mijn zus (ik was twaalf) naar binnen gesmokkeld, omdat het een rolprent met een filmkeuring van veertien jaar betrof.

Toendertijd had je nog leeftijdskeuring voor alle leeftijden, veertien jaar, achttien jaar en voor volwassenen. Bij de ingang van de bios werd hierop vaak streng toegezien. Soms kreeg je eenvoudigweg geen kaartje als je te jong leek. Dat kon je wel eens omzeilen door iemand anders te vragen het toegangsbewijs voor jou te willen kopen.

Polygoonjournaal

Eenmaal binnen werd je ontvangen door een ouvreuse in uniform die je met behulp van een zaklampje naar je plaats bracht waarna je haar een ‘tippie’ gaf. Bioscopen van toen hadden verschillende ‘rangen’ Met bijbehorende oplopende prijzen. Je had Parterre, Parket, Stalles, loge en soms Balkon. Vanwege het beschikbare budget zat ik meestal helemaal vooraan op Parterre (Nek-loge). Met je neus op het enorme doek waarbij je bijna wagenziek werd van de bewegingen voor je.

Wanneer je de ondertiteling probeerde te lezen leek het of je bij een tenniswedstrijd zat. De voorstelling begon altijd steevast met het ‘Polygoonjournaal’ met de markante stem van Philip Bloemendal. Ook had je toen al reclame en vaak een bedelactie voor het ‘Bio-vakantie-oord’ waarna het licht in de zaal gedimd aanging en er collectebussen voor dit doel werden doorgegeven. Wederom onder de leeftijdskeuring zag ik een film over Djengis Khan waarin vlak voor mijn neus iemand met vier paarden werd gevierendeeld. Dat beeld kan ik me nog altijd voor de geest halen. Hoe bedoel je leeftijdskeuring?

In bioscoop Thalia zag ik ‘Help’ met de Beatles en de grootste publiekstrekker was ‘The Sound of Music’ die langer dan een jaar in Corso te zien was. Rex op de Middellandstraat en Centraal op de Oude Binnenweg draaiden vaak de films waarin het er heet aan toe ging, voordeel hierbij was dat er bij de aftiteling geen kostuumontwerper behoefde te worden genoemd.

Bij bioscoop Princes op de Schiedamseweg kon je extra goedkoop in de ‘Engelenbak’ zitten, een plek aan de zijkant met heel slecht zicht op het filmdoek. Ik zag daar “The House of wax’ met griezelkoning Vincent Price in de hoofdrol.

Dracula

Wanneer je verkering kreeg, was in vele gevallen je eerste uitje het ‘pakken’ van een filmpje. Zo ook bij mij. Het enige dat ik nog weet is dat die film een ‘Western’ was, maar waar die over ging? Ooit gebeurde het dat er in Rex een Dracula film met Christopher Lee draaide. In die tijd gewoon echt heel eng. De film begon met een priester die in een heel mistig landschap een kerk binnen ging en de klok wilde luiden. Van het klokkentouw droop bloed. De priester gaat via de trap omhoog in de kerktoren en kijkt onderin de klok. Uit de klok valt vervolgens het ontzielde lijk van een mooie vrouw waarbij het bloed uit de bijtwond in de nek druipt.

Deze scene in combinatie met de filmmuziek bezorgde je kippenvel van een centimeter dik over heel je lichaam. De film stopt na dit moment en op het filmdoek verschijnen de bloeddoorlopen ogen van Dracula met daaronder de tekst: ‘Wie nu niet verder wil kijken kan bij de kassa zijn entreegeld terughalen!’ En inderdaad verlieten enkele mensen de zaal.

Later zag ik in diezelfde film dat toen Dracula een deur dicht gooide het hele decor (dat een zware stenen muur voorstelde) bewoog.

Western

De beste ‘Western’ is voor mij absoluut ‘Once upon a time in the West’ met geweldige muziek van Ennio Morricone. Daarin de prachtige close up van de ogen van de duellerende Charles Bronson en Henri Fonda. Mooi was ‘Deerhunter’ en ontroerend ‘The Killing Fields’ en dan heb je natuurlijk ‘Titanic’. Sadistisch en eng vond ik ‘a Clockwork Orange’ hoewel dit een kinderfilm is in vergelijking van wat nu soms wordt voorgeschoteld.

Het lijkt wel of mensen niet meer te shockkeren zijn. Ik snap niet hoe dat tieners van nu zonder emotie naar walgelijke slachtpartijen in films zoals ‘saw’ en ‘Hostel’ kunnen kijken. Ronduit jammer en vooral zorgelijk.

Harry van Oers. baan.oers@online.nl

Een Hoekse dienst was een herendienst

Als Rotterdamse (hoofd)conducteur had je zo nu en dan een Hoekse dienst. Eigenlijk een dienst voor een collega van standplaats Hoek van Holland, maar ook zij hadden weleens verlof of […]

Als Rotterdamse (hoofd)conducteur had je zo nu en dan een Hoekse dienst. Eigenlijk een dienst voor een collega van standplaats Hoek van Holland, maar ook zij hadden weleens verlof of waren ziek en moesten worden vervangen. “Herendienstjes” noemden we het. Het aantal conductrices was nog beperkt en ‘woke’ moest nog worden uitgevonden. Het was 1985. In de werklijnen (het werkpakket) van standplaats Hoek van Holland stonden voornamelijk de zogenaamde D-treinen (Internationale treinen) naar Berlijn, Kopenhagen, Klagenfurt, Warschau, Basel en zelfs Moskou. Veel van deze treinen hadden ook nog mooie benamingen als Rheingold, Lorely Express, Holland-Scandinavië Express, Rhein en Brittania Express. Deze diensten waren dan aangevuld met een retourrit vanuit Venlo of Hengelo met een Intercity naar Rotterdam CS en dan terug als passagier naar Hoek van Holland. Het was een dagje geen stop treinen, weinig forenzen en veel mensen die op reis waren naar of terug van vakantie.

Buitenwijk

’s Avonds reden er in aansluiting op de dagboot uit Harwich ook diverse treinen zoals de Harz-Express en de Hoek-Warszawa Express. Deze werden dan gereden door personeel uit Hengelo of Venlo. Ook de boottrein naar Amsterdam CS, via Schiedam-Rotterdam West reed nog tweemaal daags en behoor de tot het Hoekse werkpakket. Als de nachtboot zo rond 7 uur was aangemeerd liepen veel jonge Engelsen de boot af, vaak flink beschonken, en vroegen je dan waar ‘the red light district’ was. Hoek van Holland werd als buitenwijk van Amsterdam beschouwd, vermoed ik. Vroeg opstaan voor deze diensten was het wel. Op tijd naar het Centraal Station en dan als passagier mee met de een vroege stoptrein naar de Hoek. Meestal reden nog collega machinisten en conducteurs met je mee. Aangekomen in de Hoek zocht je de benodigde treinpapieren op en kreeg je de reserveringen voor de treinen. Handwerk was dat en je loste dat met elkaar op. De reserveringsstrookjes moesten bij elke coupé worden afgescheurd en ingeschoven. Zeker in de zomer als het drukker was een tijdrovend klusje. Ook moest de trein worden opgenomen. Dat betekende dat we de trein langsliepen en de wagonnummers en technische gegevens noteerden en aan de hand van het totaal gewicht en het remvermogen maakte je dan een rembriefje voor de machinist. Hij had dan voldoende om de trein veilig te kunnen rijden en vooral te kunnen remmen. Als dat werk er op zat was het tijd voor een ‘bakkie leut’, soms bij het loket, soms bij de perronopzichter of in de restauratie.

Boottrein

De restauratie liep al aardig vol met passagiers van de boot uit Harwich. Op tijd moest je dan naar buiten waar je bij de uitgang van het stationsgebouw de reizigers opwachtte en gevraagd naar hun bestemming hen de juiste trein wees. Allerlei nationaliteiten kwamen voorbij. Je ‘school-Engels’ kwam hier goed van pas. Ook de boottrein naar Amsterdam CS reed nog tweemaal daags en behoorde tot het Hoekse werkpakket. In de zomer was dit zeker geen straf, maar in andere tijden nam je liever een extra bakkie koffie, al was het maar om op te warmen. Op tijd ging je dan naar je trein, samen met een collega want deze Internationale treinen waren altijd ruim bemand. Na vertrek nog wat administratie op orde brengen en dan de controleronde met elkaar. Op naar Venlo of Hengelo waar Duitse collega’s de trein van je overnamen. En zorgde maar dat de papierwinkel ‘pünktlich’ was ingevuld. Terug met een Intercity en dan rond 2 uur in de middag was je klaar.

Late dienst

In de late diensten hadden we dan vaak de retourritten vanuit Venlo of Hengelo naar Hoek van Holland. Dit gaf nauwelijks administratie, maar natuurlijk wel je controlerondje. Aangekomen in Hoek van Holland was het dan een drukte van belang. De rangeerders en schoonmakers stonden ons al op te wachten. De vaak nog handbediende deuren gingen al open voordat de trein stilstond. De passagiers ontvouwden zich uit de stoelen, pakten hun bagage uit de rekken en liepen gestaag achter elkaar aan richting het stationsgebouw op zoek naar een weg naar de boot. Van enkelen kreeg je dan ook nog een klein knikje van goedkeuring omdat je die tijdens de reis net even langer gesproken had. Terwijl de trein leegstroomde kwam de boottrein uit Amsterdam ook binnen en volgde ook hier dezelfde aanblik. Een andere D-trein was al voor ons aangekomen. Al met al een drukte van belang van nog geen half uur. Ondertussen had stationspersoneel onze trein al ingenomen. Het geluid van de metalen prullenbakjes die door schoonmaakpersoneel vliegensvlug werden geleegd staat me nog bij. De rangeerder, vaak nog met een shaggie op de lippen, koppelde de loc (locomotief) los van de rijtuigen en aan de achterkant van de trein was een rangeerlocal bezig de sleep rijtuigen vast te koppelen om het geheel naar de rangeersporen te trekken. De aangekomen trein moest weer in de nieuwe volgorde in elkaar worden gerangeerd. Internationale treinen hadden nog losse rijtuigen uit verschillende landen en ook rijtuigen die onderweg afgekoppeld moesten worden om in een andere treinsamenstelling naar een andere bestemming te reizen. Koerswagens werden die genoemd. Voor de rangeermachinist en de rangeerder gold vaak “klaar is naar huis!” en dus was er alles op gericht om de klus zo snel mogelijk te klaren. De machinist die onze trein naar de Hoek had gereden moest de losse loc dan vaak terugrijden naar Rotterdam CS, waar de loc later in de nacht werd ingezet voor de goederendienst. Zelf leverde ik wat administratie in met collega’s en snelde mij dan ook naar de Sprinter terug naar Rotterdam CS. Mooie diensten met veel herinneringen aan een vervlogen tijd.

John F. Stevens

John.F.Stevens@NS.NL

Hoe een droomreis een traumareis werd

Het is begin april 2016 en mijn man en ik staan aan de reling van het ms. De Rotterdam van de HAL. Het signaal van vertrek klinkt over het water. Langzaam raakt het schip los van de kade. Dat ik daar nu sta voelt bijzonder. We zijn klaar voor wat een droomreis moet worden.

Een keer in mijn leven wilde ik met ook zo’n HAL schip de Nieuwe Waterweg uit varen. Net als mijn vader vaker had gedaan. De reis gaat naar warme streken. Omdat ik niet wil vliegen kwam het goed uit dat wij met De Rotterdam vanuit Rotterdam toch een keer naar een aantal Canarische Eilanden konden. De hele weg tot aan zee was een feest om te varen. Overal zwaaiende mensen op de kades, op balkons, in tuinen. En de boot gebruikte regelmatig het hoornsignaal. Voor ons lagen twee nachten en een dag op zee.

Heerlijk!

Onze vouwfietsen hadden we ook meegenomen. Wat op een zeilboot past moet ook in een hut van zo’n groot schip passen, was de gedachte. Opgevouwen onder onze bedden ging dat prima. Het schip ziet er van binnen prachtig uit. De eerste uren heb ik mijn ogen uitgekeken op alle luxe. Ondanks het grote aantal passagiers waren er genoeg plekken waar je rustig kon zitten, ook buiten. Mijn vader vertelde verhalen over de eerste en tweede klasse passagiers. Dat is nu verleden tijd gelukkig! Iedereen kan en mag gebruik maken van alles wat het schip te bieden heeft.

Storm

De eerste haven die wij aandeden was Lissabon, waar we een nacht langer bleven liggen dan de bedoeling was. Er was storm geweest op de oceaan en de golven zouden acht meter of hoger zijn. De Kapitein vond het niet verantwoord om uit te varen. Het schip kon het hebben, maar het welzijn van zijn passagiers ging hem zeer ter harte. Vandaar dat wij bleven liggen en niet naar Madeira gingen. Wat een meelevende kapitein dacht ik op dat moment! In Lissabon fietsten wij heerlijk rond, totdat mijn fiets zich plotsklaps ontvouwde, ik opzij viel, terwijl ik mijzelf probeerde op te vangen met mijn linker arm/hand. Een verschrikkelijke pijn trok door mijn arm en de arm stond krom gebogen. Mijn vingers kon ik bewegen en zo te zien was er niets gebroken. Met mijn sjaal als mitella, fietsten wij naar de boot.

Geen röntgenapparaat

Bij de volgende zeedag informeerde ik bij het kantoor of er een röntgenapparaat aan boord was zodat er na gegaan kon worden of er ergens iets gebroken zou zijn. Dat was er niet, werd mij verteld. Ik ben niet kleinzerig en met de arm in mijn sjaal had ik geen pijn en kon ik overal naar toe. Via nog een aantal eilanden kwamen wij in Tanger, Marokko, aan en hebben we een ochtend lang door allerlei kleine straatjes gezworven, kindertjes die armbandjes wilden verkopen blij gemaakt met muffins en onze ogen uit gekeken op de kadenaar muren die werden gebouwd met daarop hele grote rollen prikkeldraad. Dit om vluchtelingen te beletten op de kade te kunnen komen. Bij dat kijken naar die muur keek ik niet goed naar de kadevloer waardoor ik struikelde en viel. Omdat ik mijn linkerarm niet kon gebruiken om mijzelf op te vangen, klapte ik met mijn heup op de stenen. Weer trok er een verschrikkelijke pijn door mij heen, nu bij mijn heup. Vanaf dat moment ben ik in een soort nachtmerrie terecht gekomen.

Dokterspost

Dit ongeluk gebeurde circa 10 meter vanaf de ingang van de boot. Aan boord is een dokterspost. Ik verwachtte dat er een dokter zou komen om te kijken wat er aan de hand was. Nee dus! Wel veel medepassagiers die zich om mij bekommerden. Uiteindelijk ben ik in een rolstoel getild en de boot op gebracht. Meer dan een uur heb ik zitten wachten totdat ik naar de dokterspost werd gebracht. Wat daar allemaal is gebeurd en ook in de avond in onze hut komt nog steeds terug in mijn dromen als een soort horrorverhaal. Dat dit op een schip gebeurde waarvan de kapitein zo begaan is met zijn passagiers is tot op de dag van vandaag voor mij een raadsel.

Gebroken

De volgende ochtend, in Malaga, ben ik naar een ziekenhuis vervoerd waar bleek dat mijn heup was gebroken. De scheepsarts had geconcludeerd dat voor 90% zeker mijn heup niet gebroken was. Op grond daarvan kreeg ik een paar paracetamol tabletten mee. Nog nooit heb ik zoveel pijn geleden gedurende vele uren. De zorgzaamheid die wij hadden ervaren van de hutsteward en het bedienend personeel in de afgelopen dagen aan boord ontbrak totaal bij het medische personeel. Ik heb gedurende vele pijnlijke uren gedacht dat ik teruggeworpen was in de middeleeuwen. De volgende ochtend kwamen wij in Malaga aan. Daar ben ik per ambulance naar het ziekenhuis vervoerd. Diezelfde avond ben ik geopereerd.

Schroeven

Mijn heup bleek gebroken en er werden drie grote schroeven in gedraaid. Zes dagen ben ik prima verzorgd in een eigen kamer waar ook mijn man een bed kreeg. De kamer had uitzicht op zee waar cruiseschepen langs voeren. Dat maakte mij verdrietig. Ook ‘onze’ Rotterdam was langs gevaren. De avond voordat de Rotterdam weer de Waterweg opvoer landden wij per vliegtuig op Zestienhoven. Ik, die niet wilde vliegen, moest nu wel. Mijn droomreis was geëindigd in een traumareis. Een ongeluk zit in een klein hoekje en het was gewoon domme pech. Het trauma is het gevolg van de angst die nacht aan boord. Amerikaanse artsen hebben blijkbaar andere ideeën over behandeling bij ernstige pijn.

Lenie de Zwart

leniewim@caiway.nl