Papa Blanca: een misdaadondernemer
Koppelbazen werkten zwart. Ze droegen geen loonbelasting en sociale premies af en konden daardoor hoge uurlonen betalen. Ideaal voor scholieren en studenten, maar ook voor mensen die voor korte of langere tijd wat extra’s wilden verdienen. Bijvoorbeeld naast hun uitkering. Het merendeels ongeschoolde werk was zwaar: sjouwen en schoonmaken, waaronder het beruchte classificeren. Dat laatste was het reinigen van machinekamers en scheepsruimten. Wie wilde werken kon zich in alle vroegte bij het Centraal Station of in bepaalde kroegen melden. Koppelbazen kwamen dan met busjes voorrijden, selecteerden wie ze nodig hadden en brachten de werkwilligen naar het karwei bij hun klanten. De mensen kregen hun lonen per dag of per week contant uitbetaald.
Botlek en Europoort
Frans de Wit, geboren Schiedammer, groeide in die jaren uit tot de grootste koppelbaas van Nederland. Het leverde hem in de Rotterdamse onderwereld de bijnaam ‘Papa Blanca’ op. Samen met drie partners was hij veel actief in de Botlek en de Europoort. Ze deden niet aan ongeschoold werk, maar leverden echte vaklieden aan bedrijven in de metaal en de bouw, zoals gespecialiseerde lassers, metaalbewerkers, machine- en constructiebankwerkers, timmerlieden en metselaars. Aan hen viel het meeste te verdienen; miljoenen guldens per jaar. Met dank aan klanten als ICI, Akzo, BP, Gulf, Wescon, Vloeigas, Shell, Heerema, Gusto, Verolme en Hoogovens. In hun hoogtijdagen hadden De Wit c.s. 1000 tot wel 1600 mensen aan het werk. Hun verdiensten gingen op aan dure auto´s, de weelderige inrichting van hun kapitale huizen, motorjachten, kostbare wijnen, antiek en lange vakanties in luxe hotels. Wat overbleef ging via een NMB-filiaal aan de Slinge naar Zwitserland. Daarnaast investeerde De Wit veel in uiteenlopende duistere zaken als het drukken van valse bankbiljetten, vervalsen van vakantiezegels voor bouwvakkers, heling van kostbare schilderijen, zwendel met valse diamanten en exploitatie van illegale gokhuizen. Ook was hij betrokken bij btw-fraude met partijen jenever en vlees en fraude met exportsubsidies. Papa Blanca kun je dus gerust een misdaadondernemer noemen. Altijd in voor iets nieuws. Hij was ook nog eigenaar van de Sherrybar op de hoek Karel Doormanstraat/Westblaak (volgens de recherche een ‘rovershol’) en seksclub El Deux aan de Eendrachtsweg. Papa Blanca liet het ook breed hangen in het lokale nachtleven. Hij was een bekende in de kroegen, bars, discotheken en nachtclubs waar de lokale penoze kwam, zoals ‘t Fust, Cosy Corner, Melief Bender, Porto Bello, Double Diamond, De Boomerang, El Amra, La Romantica en Le Bateau. Over zijn arrestatie en de rechtszaken tegen hem in 1980 kwamen de kranten ruimte tekort. Rechercheteams van de gemeentepolitie Rotterdam en de Rijkspolitie hadden twee jaar jacht op hem gemaakt. Het leverde De Wit zeven jaar gevangenisstraf op. De Rotterdamse auteur Ad van den Dool schreef het onlangs verschenen boek ‘Papa Blanca’. Daarin praat de nu 80-jarige hoofdpersoon uitgebreid over zijn criminele activiteiten van toen. Ook sprak Van den Dool met oud-rechercheurs die onderzoek naar hem deden. Het boek vertelt ook over het tweede deel van Frans de Wits ‘loopbaan’ in de misdaad. Na zijn gevangenisstraf ging hij gewoon door en wist tot 2006 onder de radar te blijven.
Het boek ‘Papa Blanca’ is te koop op www.deoudrotterdammer.nl in onze webshop en in de boekhandel.
Mario Been werd in Pisa Mariodonna
Ik kende dat brutale voetballertje uit de jeugd van Feyenoord maar zag pas voor het eerst tijdens de scholieren ontmoeting ‘Rotterdam – Antwerpen’, wat een talent het was! Het was 1978 en de wedstrijd werd gespeeld in Antwerpen op het veld van Beerschot. De Rotterdamse scholieren wonnen afgetekend en Mario was de onverbiddelijke uitblinker. Hij zat op de middelbare school en wist zeker dat kennis van talen en financiën hem in de toekomst goed zouden kunnen ondersteunen. En dat klopte! Zorg ervoor dat je je ‘eigen boontjes kan doppen’, hadden zijn ouders hem mee gegeven.
Gouden Schoen
Mario won ‘De Gouden Schoen’ in 1984 voor Marco van Basten en Ruud Gullit. Als PR-man van Ahoy stelde ik hem indertijd voor aan André Hazes die repeteerde in het sportpaleis. Het gebeurde tijdens het evenement ‘Charlois Bruist’ waar Mario het startschot zou lossen voor de 10 km. prestatieloop. Later loste hij nog eens een startschot: voor de 3-daagse van Ankeveen. Een schaatswedstrijd op natuurijs. Mario was geblesseerd aan zijn knie en liep met krukken. We gingen samen het ijs op en kwamen er gelukkig zonder nog meer blessures van af. Ik was toen PR-man van het sportmerk Puma en Mario kreeg, als Feyenoorder, een contract met een ‘eigen’ kledinglijntje: een T-shirt, sweater en een jack voorzien van zijn logo. Ach, het leverde een beetje verkoop op maar daarvan werd hij geen miljonair. Dat werd hij wel toen hij overstapte van Feyenoord naar Pisa. Een ‘wereldcontract’ voor dit ‘binkie’. Mariodonna werd hij in Pisa genoemd. Ik ging een keer, rond 1990, bij Mario en zijn vrouw Astrid op visite. Ze woonden in een mooi huis in de Via Garibaldi in Pisa. “Je kan bij ons blijven slapen”, zei hij uitnodigend. ’s Middags speelde hij met SC Pisa een jubileumwedstrijd tegen een ploegje in de bergen van Toscane. Ik ging kijken en Mario had tegen de voorzitter van de club gezegd dat ik de president was van Puma in Europa. Hij kón liegen! Tijdens de maaltijd na de wedstrijd moest ik naast de voorzitter komen zitten. Mijn Italiaans was niet zó goed maar ik begreep wel dat we zijn club moesten gaan sponsoren. Ja, ja, en Been maar lachen.
Bruce
‘s Avonds thuis in de Via Garibaldi, dronken we er een biertje op en nog een paar… We gingen naar bed en natuurlijk moest ik midden in de nacht naar het toilet. Maar… waar was ik en waar kon ik de pot op? De hele avond had ik op de bank gezeten met hond Bruce, hun Rottweiler die net zo sterk was als een volwassen leeuw, tegen mij aan. Maar toen ik ‘s nachts de deur van de logeerkamer op een kiertje zette, stond Bruce voor die deur vervaarlijk te grommen en zag ik in de pikdonkere nacht alleen zijn gruwelijk grote tanden. “Mario”, riep ik zacht, naar de kamer aan de overkant van de gang, maar er kwam geen antwoord. Ik moest ongelofelijk pissen en keek of er een wasbak of desnoods een plantenbak op de kamer was. Maar nee, niet dus. Met gevaar voor eigen leven en met Bruce grommend tegen m’n dijbeen aan, haalde ik ongeschonden het toilet. De andere dag zei Mario met zo’n gemeen lachje dat hij mij niet had gehoord. Ja, ja, een ‘schurkje’ is hij altijd geweest én gebleven!
Nico Tempelman
nicotempelman@hotmail.com
1970: een heerlijk jaar voor Rotterdam
Een dag heb ik daarvan bijgewoond en dat was op zondag de laatste dag. Wat me nog het meest bijstaat van dat bezoek was niet alleen het aanzicht maar ook de geur van hasj en wiet die zwaar over het festivalterrein hing. Duizenden festivalgangers met hun kleedjes, tentjes en slaapzakken zittend op de grond of dansend op de muziek.
Huldiging
Maar Hemelvaartsdag 7 mei 1970 was dat jaar wel het hoogtepunt. Als 16-jarige met nog een paar andere jongens uit Tuindorp Vreewijk met de metro naar de Coolsingel toe om Feyenoord te huldigen voor het winnen van de Europa Cup I. We probeerden zo dicht mogelijk in de buurt van het balkon van het stadhuis te komen om de spelers en de Cup zo goed mogelijk te kunnen zien. Te midden van die enorme mensenmassa ontging je het overzicht van wat er om je heen gebeurde. Door het geduw en gedrang werd je ook bijna het zicht op de spelers op het balkon ontnomen. Nu ruim 50 jaar na het winnen van de Europacup I waren mijn herinneringen aan die dag dan ook erg gefragmenteerd en op enkele hoogtepunten na, al erg vervaagd. Totdat er op 2 februari 2020 op de televisie een documentaire verscheen van Andere Tijden Sport door Tom Egberts met als titel ‘We hebben ‘m’.
Chevrolet C10
De beelden brachten me weer terug naar de Coolsingel en het Rotterdam van 1970. Daarin zag je de opnamen van de oude Kuip en de omgeving op Zuid. Ook andere kenmerken uit die tijd zoals ’n peukie hangend aan de lippen van nog onbekommerd shag rokende supporters. In beeld kwam ook de jongere aanhang die met Feyenoordvlaggen zwaaiden en in de lantarenpalen voor het stadhuis waren geklommen. Ook de beroemde Rotterdamse politie auto de Chevrolet C10 was te zien. Een daarvan stond na de huldiging pontifi caal geparkeerd op de stoep vóór het stadhuis en de zwart wit beelden maakten hem nog indrukwekkender dan dat ie al was in die tijd. De robuuste uitstraling van die overvalwagens en het gezag van de politie hield blijkbaar die enorme massa nog makkelijk in toom.
Foto
Maar wat me persoonlijk het meest terugvoerde naar het Rotterdam van 1970 was een foto op het eind van die uitzending. De massa had inmiddels de Coolsingel en het Stadhuisplein grotendeels verlaten. Hier op die foto zag ik mezelf na 50 jaar voor het eerst terug als zestienjarige zittend op het plaveisel van de Coolsingel met in mijn hand een extra editie van het Rotterdamsch Nieuwsblad met als kop ‘Europa’s sterkste’. Het moment dat de fotograaf afdrukte kwam weer terug in mijn herinnering en ook mijn gedachte van toen, waarom er zo onverhoeds een foto in mijn richting werd gemaakt. Na het bekijken van de documentaire en de foto’s was de bedoeling van de fotograaf duidelijk, namelijk het vastleggen van deze bijzondere gebeurtenis voor Rotterdam in 1970 wat zichtbaar werd gemaakt in de euforie van haar inwoners.
Hans Beemster
hansbeemster@outlook.com
Amerikaanse piloot in Rotterdams verzet
Dat was op 8 maart 1944. Op die dag draaide een enorme Liberator bommenwerper eenzaam rondjes boven het drierivierenpunt bij Dordrecht. Het toestel stond op de automatische piloot, met aan boord alleen nog het lichaam van flight-sergeant Miller. Hij was omgekomen tijdens de felle gevechten met Duitse jagers op de terugvlucht van een ‘raid’ op Berlijn. De rest van de bemanning was boven de Alblasserwaard gesprongen en al snel door de bezetter opgepakt. Behalve James Keeffe; hij wist zich razendsnel te verbergen in een konijnenhok onder aan de Papendrechtse dijk.

De bommenwerper sloeg tenslotte te pletter in Hendrik Ido Ambacht. James bleef wonderbaarlijk genoeg uit handen van de Duitsers en werd door enkele leden van het Papendrechts verzet met een roeiboot naar Dordrecht gebracht. Niet veel later ontfermde het Rotterdamse verzet zich over hem. Twee jonge mannen fi etsten brutaalweg overdag met James naar Rotterdam, langs diverse Duitse controleposten. James moest doorgaan voor een doofstomme mandenmaker. Hij verbleef kort op verschillende adressen, onder meer bij de bekende Rotterdamse verzetsstrijder Jo Berlijn, om uiteindelijk maandenlang onder te duiken bij de familie Jappe Alberts. In het huis van tandarts Jappe Alberts was toen ook al een joods gezin ondergedoken en het verblijf van James maakte de situatie niet makkelijker. James was nieuwsgierig en ongedurig. Hij had maar één doel voor ogen: terugkeren naar Engeland. Hij leerde al snel de nodige leden van het Rotterdams verzet kennen en zwierf met een aantekenboekje door de kapotgebombardeerde stad om aantekeningen te maken die misschien bruikbaar zouden kunnen zijn voor de geallieerden. Na D-Day wist hij het zeker; hij moest naar bevrijd gebied. Op de 15e juli was het zover. James ging via een vluchtlijn richting Antwerpen.
The great escape
En toen ging het fout. Hij werd verraden en kwam terecht in het beruchte krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III, waar kort daarvoor de beroemde ontsnapping had plaatsgevonden die jaren later verfilmd werd onder de titel ‘The great escape’. James overleefde de oorlog en zwaaide tenslotte af als luitenant-kolonel bij de Amerikaanse luchtmacht. In de jaren vijftig en zestig bezocht hij met enige regelmaat de vrienden die hij in Rotterdam, Dordrecht en Papendrecht gemaakt had. En steeds weer vroegen zijn kinderen of hij al die ongelofelijke belevenissen wilde opschrijven, waarop hij steevast antwoordde: “Dat doe ik nog wel eens”. In 2010 was het dan toch zover. In maandenlange sessies vertelde hij alles wat hij heeft meegemaakt gedetailleerd aan zijn zoon Jim, die er tenslotte een schitterend boek over schrijft: ‘’wo gold Coins and a Prayer’.
Het boek wint verschillende prijzen en het verhaal komt na enige tijd ook het 4-mei Comité van Papendrecht ter ore. Jim wordt al in 2014 uitgenodigd om tijdens de 4 mei herdenking meer over zijn vader te vertellen. Zijn verhaal maakt diepe indruk, maar het duurt nog tot 2022 voordat de enthousiaste amateurvlieger Adri Brevet contact op neemt met de voorzitter van het Papendrechtse 4-mei Comité, Wim de Leur, en hem voorstelt het bijzondere verhaal samen te vertalen.
En dat gebeurt ook. Precies 80 jaar later, op 8 maart dit jaar, kwam Jim Keeffe met zijn vrouw Paula naar Papendrecht om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. Alomvattend De Nederlandse versie is uitgebracht onder de titel ‘Lberator Down’. Niet vaak worden er boeken gepubliceerd die een zo alomvattend verhaal vertellen. Van de opleiding van de jeugdige Keeffe in Amerika tot het bloedstollende verslag van zijn laatste vlucht en van zijn contacten met het Rotterdamse verzet tot zijn dramatische verblijf in Stalag Luft III.
Briefwisseling
Niet zo lang geleden kreeg Helen Berman, die als 8-jarig joods meisje samen met James bij tandarts Jappe Alberts zat ondergedoken, het boek onder ogen. Al die jaren had ze niet geweten wat er met haar Amerikaanse ‘vriend’ gebeurd was. Haar verhaal is als aparte bijlage toegevoegd aan de Nederlandse versie, samen met een deel van de briefwisseling die James direct na de oorlog had met zijn Rotterdamse contacten. Al met al een uniek boek, dat op een toegankelijke wijze een bijzonder stuk Rotterdamse oorlogsgeschiedenis vertelt. Wim de Leur wjdeleur@gmail.com

Dansen was ideale ‘daten’ van vroeger
Wat van ver komt… Het was omstreeks 1963 toen mijn kameraad en ik besloten op dansles te gaan. We kwamen terecht bij dansschool Cleton op de Hillevliet in Rotterdam zuid. De danszaal was onder de woning van de familie Cleton. We hebben daar een leuke tijd gehad. In 1965 leerde ik een meisje kennen. Ze woonde buiten de stad in de provincie Drenthe, dus de weekeinden op en neer naar Drenthe.
Ik heb het het volgehouden tot onze verloving. Daarna is het stukgelopen. Daarna weer de weekends naar Cleton en de draad weer opgepakt. Ik had met mijn kameraad afgesproken voorlopig geen relatie meer aan te gaan. Toen na zes weken op zaterdagavond bij Cleton een mooie blondine de zaal in kwam, zei ik tegen mijn vriend: ik ga m’n belofte verbreken, want die zou ik graag naar huis willen brengen. Ze zei ‘ja dat mag’. Ze was die avond bij haar nicht in Rotterdam en ze zou zondags weer naar huis gaan want, jawel, ze woonde buiten de stad. Daarna elk weekend naar Ede. We zijn in 1969 getrouwd, hebben twee kinderen en vier kleinkinderen. Dit jaar op 31 oktober zijn we 55 jaar getrouwd en nog steeds gelukkig. Zo zie je: wat je ver haalt is lekker.
Ton de Raaij
tonderaaj46@gmail.nl
Rare hangplek door communicatiefoutje
In 1959, als leerling van de Wilhelmina Kweekschool aan de Binnenrotte, werden wij herhaaldelijk in de gelegenheid gesteld door onze leraarCuMa (Cultuur en Maatschappij) , de heer Steinz, om voor weinig geld filmsmet een maatschappelijk probleem tebekijken in bioscoop Kriterion, dieop de bovenste verdieping zat. Voorons altijd buiten de normale openingstijden om. Prachtige films met Ingrid Bergman, waaronder de topper Casasblanca. Voordat de film begon,kon je nog gewoon de stad in de diepte bewonderen, daarna zakte het filmdoek voor de ramen. Die imposante kijk op de stad, maakte destijds grote indruk op me. Toen ik dan ook las dat er weer iets dergelijks in Rotterdam kwam, zei ik tegen mijn vrouw: Daar wil ik bij zijn
Roof Top Walk evenement
Zodoende waren we in 2022 bij het Rotterdam Roof Top Walk evenement. Een luchtbrug verbond de Bijenkorf met het WTC_gebouw, dus dwars over de Coolsingel. Wij hebben genoten! Te midden van drommen andere trapbeklimmers . Voordat we begonnen , weet ik nog wel, stond er een echtpaar naast ons, maar de vrouw durfde eigenlijk niet. ‘Doe goa moar allehn, je ken, wat mai betreft, het dak
op… ik goa nie’. Dat klonk in dit geval erg komisch. En, manlief deed het inderdaad: alleen.
Land van Hoboken
Als vroegere bewoner van Rotterdam heb ik de meeste grote exposities van de stad meegemaakt. Het begon in 1950 met Ahoy. ‘Arie, we gaan naar het land van Hoboken’, zei mijn vader. Je zult daar een hoop leuks en moois zien.’ Ik dacht dat we naar het buitenland gingen, maar het was een reisje met het veerbootje, de ‘Heen en Weer’ vanaf Heijplaat naar Schiemond ende rest liepen we. Naar het Land van
Hoboken. In de jaren daarna werd daar het Dijkzichtziekenhuis gebouwd, en weer later werd dat uitgebreid tot het Erasmus MC. Ik was een jaar of 7 daarom weet ik er weinig meer van, maar het doel van de tentoonstelling was : het vieren van het havenherstel na de oorlog. Dat laatste vond ik wel interessant, want op ons dorp had ik als kleine jongen de havenkranen nog met doorgezakte poten in het water zien hangen. Opgeblazen door Duitse sprengkommando’s, maar in 1950 draaiden alle havenbedrijven bij ons, zoals Frans Swarttouw, weer als een tierelier. Wat me wel bijgebleven is, was het tochtje samen met mijn vader in een kabelbaan. Mieters vond ik dat… Nu gebruikt de jeugd daarvoor een heel ander woord.
Floriade
In 1960 gingen we met een hele groep studenten naar volgende grote expositie in de stad, de Floriade. De zweefgondelbaan probeerden we met z’n allen uit. Of we op de splinternieuwe Euromast geweest zijn ? Ik geloof het niet. Het zal er wel te druk zijn geweest. En de bloemetjes en plantjes, – waar het toch allemaal om draaide, – ach, die namen we voor lief maar mee.

C70
Een oplettende lezer zal zo langzamerhand zeggen: waar is nu het communicatiefoutje? Dat komt bij het volgende grootschalige evenement. Dat was tijdens Communicatie 1970. C70 moest – na alle vorige exposities – Rotterdam nu neer zetten als stad van vermaak en gezelligheid. Het toverwoord daarbij communicatie. Opnieuw werd er een kabelbaangebouwd, langs Coolsingel, Schouwburgplein , het Weena, enz. Er kwam een tijdelijk dolfinarium, een mooie maquette van de havens. De pas gewonnen Europacup 1 kon je bewonderen en er zelfs mee op de foto in een gebouwtje dat daarvoor speciaal neergezet was op de Coolsingel. Dat was nog de tijd van onze Coen Moulijn, Rinus Israël en de onlangs 80 jaar geworden Willem van Hanegem. Genoeg moois dus om te bekijken. Zeker ook vanuit mijn stoeltje in de kabelbaan. Zo zweefde ik tot slot op mijn gemak door het centrum. Onder me liepen de mensen op straat.

Beetje stijf
Toen we op het Binnenwegplein aankwamen, gebeurde het: ineens…. boem, heen en weer geslinger. We
hingen stil. Recht voor warenhuis Termeulen. De eerste vijf minuten was het machtig interessant, een lekker temperatuurtje, mensjes kijken, die zo’n tien meter onder je passeerden, maar na tien minuten was de lol er toch wel af. Je gaat verzitten, moet oppassen hoe je dat doet… Na een kwartier waren we het helemaal zat, maar ja, bewegen deed hij niet. Eindelijk, na bijna een half uur, kwam er opeens weer beweging in. C70 bood ons dus extra vermaak, en gezelligheid, maar op die manier hoefde het niet. Een beetje stijf en zelfs verkleumd stapten we uit. Ach, C70 kon aan die storing ook niks doen. Nu, na bijna vierenvijftig jaren, kijk ik er lachend en met een kwinkslag op terug. Voor mensen is goede gemeenschappelijk onderlinge verbinding een levensbehoefte, het motto van C70. We kunnen niet
zonder, maar ook bij technische zaken staat alles doodstil als de communicatie ,- door wat dan ook, – onderbroken wordt.
Arie van der Stoep
a.vdstoep@knid.nlwaarom
‘Atlantic Huis’ Westplein, een fraai bastion
Je ziet er veel toeristen, dat zegt genoeg. Het is er prettig wandelen, met aan de noordzijde imposante patriciërshuizen, en aan de zuidkant de knusse Veerhaven, zo mooi centraal gelegen. Wát een vondst om op de dwarswal van het haventje, pal achter sierlijke platanen, vijf Rotterdamse voormannen in brons (beeldhouwer Willem Verbon) te plaatsen: Van Beuningen, Van Hoboken, Jamin, Mees en Van Rijckevorsel. Zij hebben decennia bijgedragen om van het dorp Rotterdam een metropool te maken. Een fraai eerbetoon!
‘De Maas’
Wat vanaf de kop van de Veerhaven meteen opvalt is het gebouw in witte steen van de sociëteit KoninklijkeRoei- en Zeilvereeniging ‘De Maas’uit 1908. Het gebouw, een creatie van architect Barend Hooykaas, geassisteerd door de later zo geprezen Michiel Brinkman, is al ruim een eeuw een waar ‘pièce de résistance’. Het eenvoudige maar zeer functionele Jugendstil-pand, met een groot terras pal aan de rivier, trekt ieders oog. Genoemde toeristen, glurend naar al die prachtige zeilschepen in het haventje, vervolgen steevast langs de rechterkan hun wandeling richting rivier. Dit ritueel herhaalt zich dagelijks.
Atlantic Huis
Aan het Westplein hoek Westerstraat staat een kolossaal gebouw dat nóg meer impact heeft: het Atlantic Huis, gebouwd in 1930. Het was oorspronkelijk een bedrijfsverzamelgebouw, gebouwd in een soort van artdecostijl. Het enorme gebouw (in U-vorm), een creatie van architect P.G. Buskens, was indertijd ultramodern, met zelfs een parkeergarage, winkels en op de hoek een groot café-restaurant met de naam ‘Atlantic’. Wat vooral opvalt is de fraaie ronde hoek, met 7(!) verdiepingen. in verband met mijn nieuw uit te komen documentaire boek ‘Rotterdamse Restaurants’ ben ik vooral nieuwsgierig naar het horecagedeelte van het gebouw. Bijna niemand weet dat Atlantic, thans restaurant Loos, één van de oudste eetplekken van onze stad is. Na het Vietnamese restaurant Pho (Westkruiskade), De Pijp (Gaffelstraat) en het Parkhotel (Westersingel) komt Loos op een eervolle vierde plek! Het ruime restaurant Atlantic opende december 1930 de deuren, en als ik de verhalen mag geloven, is het altijd een ‘place to be’ geweest.
Hans Loos
In de loop van 1988 onderging het totale interieur van het café-restaurant een drastische restyling. Initiatiefnemers waren de nieuwe eigenaren Hans Loos en Daan van der Have. Hans Loos is de achterkleinzoon van de grote C.N.A. Loos die tussen 1908 en het Bombardement furore maakte met zijn prachtige horecatempel aan het Hofplein. Kunstenares Dorine de Vos tekende voor het nieuwe interieur. Zij liet zich inspireren door het decor van het befaamde Parijse La Coupole. Sinds januari 2022 voert ‘horecakoning’ Herman Hell de scepter in Loos, en men kan stellen dat de loop van het uitgaanspubliek richting deze opvallende drank- en eetplek er niet minder door is geworden. Loos heeft een ‘grandeur’, die je haast nergens anders in 010 vindt. Het grote terras op het zuidwesten is van april tot oktober één van de prettigste plekken om in alle rust een ‘versnapering’ te genieten.
Joris Boddaert
jorisboddaert@gmail.com
Dorus is nog lang niet vergeten
Voor veel Rotterdammers van mijn generatie is Dorus niet weg te denken. Hoewel hij zelf geen geboren Rotterdammer is, wist hij ons zodanig te raken dat velen hem in hun hart hebben gesloten. De foto in de Oud- Rotterdammer was dan ook heel makkelijk te plaatsen. Het ging om een optreden in zijn eigen theater in Rotterdam waar kinderen bij hem op schoot een liedje mochten zingen. Dorus roept bij mij allerlei mooie herinneringen op. Het was eind jaren vijftig en ik was nog maar een dreumes terwijl mijn vader in een noodbakkerij aan de ‘s-Gravenweg een bestaan opbouwde als brood- en banketbakker. Naast de verkoop in de winkel leverde pa ook aan de horeca in het centrum van de stad. Het ging dan voornamelijk om saucijzenbroodjes voor de kroegen, waar een extra handje zout in was verwerkt, om de drankverkoop te stimuleren. Daarnaast had hij een heel netwerk van kleine winkeltjes (waterstokers) waar je de koekjes van mijn vader kon kopen. Ook leverde hij afgebakken platen bladerdeeg aan een mannetje dat naast zijn reguliere baan in het weekend een interessante bijverdienste had. Deze man verkocht, elke zondag bij de ingang van het Feyenoordstadion, tompoezen aan het publiek. Dat liep als een tierelier. Hij maakte die tompoezen met de plakken van mijn vader. Zelf kon hij wel een pannetje met banketbakkersroom ma- ken en ook de fondant wilde nog wel lukken, maar voor dat heerlijke bladerdeeg had hij de hulp van een goede bakker nodig en dat was mijn pa. Elke zaterdagavond bracht mijn vader een partijtje tompoesplakken naar die man toe, zodat hij daar de volgende ochtend weer tompoesjes van kon maken. Dankzij de goed lopende bijverdienste had de tompoezenverkoper al snel genoeg geld om een van de nieuwste uitvindingen uit die tijd in huis te halen, een televisie.
Tompoezenverkoper
Dat was in de tijd dat Dorus regelma-tig op zaterdagavond voor de VARA met een show op de televisie kwam. Eerst zag mijn vader, min of meer bij toeval, zo’n show toen hij zijn partijtje tompoesplakken kwam afleveren. De kamer was op dat moment propvol bij de tompoezenverkoper want veel van de buren, die nog geen televisie kon- den kopen, kwamen ook bij hem kij- ken. Pa vroeg aan de tompoezenverkoper of zijn vrouw en zoon (dat was ik dus) de volgende keer, dat Dorus zo’n show op de televisie bracht, ook mee mocht nemen. Dat mocht natuurlijk want dankzij de tompoes- plakken van mijn vader verdiende hij echt meer dan hij ooit voor mogelijk had gehouden. En zo kwam het dat ik op een avond, ver na mijn bedtijd, met mijn vader en moeder mee mocht in de bestelauto van de bakkerij naar de tompoezenverkoper. In die tijd waren er nog geen kinderzitjes voor kleuters.
Ik zat gewoon in een rieten stoeltje op de laadvloer achterin de bestelwagen. Als je dat nu zou doen zou je als bestuurder direct de bak in draaien. Toen was dat normaal. Niemand zei er iets van. Bij de tompoezenverkoper was al een grote groep mensen in de huiskamer en stond het er aardig blauw van de rook. Ook daar keek men toen anders tegenaan dan nu. Samen met pa en ma veroverden we een plekkie en keek ik voor het eerst televisie. Vanaf dat moment kon Dorus natuurlijk niet meer stuk bij mij.
Daarom gingen we ook naar zijn voorstelling in het pand op het oude Schuddebeursterrein aan de Mauritsweg. Geweldig was dat. In de show waren ook Mini en Maxi te zien die allerlei muzikale acts hadden. Een paar maandjes later kwam Dorus op de televisie met het programma “Dorus op schoot” waarbij een meisje eindeloos “Poesie mauw” bleef zingen. Van dat programma was ook de foto in de “Oud Rotterdammer” van 6 februari. Dorus is altijd een favoriet binnen mijn familie gebleven. Als ik met mijn gezin in de auto op weg was naar onze vakantiebestemming, draaide ik graag de liedjes van Dorus. Vele jaren later waren we op bezoek bij mijn oma in een bejaardenflat. Terwijl we daar door de gangen naar haar kamertje liepen hoorde mijn vader de zeer karakteristieke stem waarmee de tompoezenverkoper een halve eeuw geleden zijn waren aanprees bij het Feyenoordstadion. Dus pa ging op het vertrouwde geluid af en stak bij de ontspanningsruimte zijn kop om de hoek. Daar zat de tompoezenverkoper aan een tafel te klaverjassen en toen hij mijn vader zag moest hij toch even goed nadenken en toen riep hij met die krakende stem van hem: “Héé bakkertje!!” Die mannen hebben nog even gezellig zitten praten en ook daar kwam Dorus eventjes ter sprake, want na al die jaren waren ze nog steeds allebei een hele grote fan.
Daan Koppenol, Zoon van de bakker uit Kralingen, koppenoldaan@gmail.com
En natuurlijk kregen we nog veel meer reacties op de ‘Ken je dit nog’ foto van Dorus. Lees maar!
Pim Smit: “Ja tuurlijk! Dorus! Tom Manders, broer van Kees Manders. Een theatershow voor de kinderen met de beroemde bij Dorus op schoot ‘Poessie mauw!’ aflevering. Zelf bezocht met het item dat de metro net in Rotterdam reed en hij deed alsof deze door het theater van zijn zaak kwam denderen. En natuurlijk de zeer bekende ‘muizevalletje’ octrooi aanvraag.”
Carla Versnel: “Op 27-4-1967 ben ik naar een voorstelling van Dorus geweest in zijn theater in de Mauritsstraat. Ik vond het geweldig, ik had het voorheen al op de televisie gezien. In het echt was het een belevenis. Er was volgens mij niet echt een podium, we zaten op kistjes en hij bewoog zich tussen het publiek. Ik ben erna nog een paar keer geweest, soms verkocht hij zelf kaartjes, zonder vermomming, dan was hij onherkenbaar. Ik moet er nog vaak aan denken, het was zo’n leuk avondje uit. De datum weet ik nog precies want toen we uit het theater kwamen was het feest in Rotterdam, er was een prins geboren, onze huidige koning. Ik was 19 jaar, had net mijn rijbewijs, ik mocht de auto van mijn vader lenen. Toen ik op het Hofplein kwam was daar een grote menigte feest aan het vieren, polonaise tussen de auto’s door en door het fontein. Ik kon geen kant op alle auto ‘s stonden vast. De lichte auto’s zoals de lelijke eenden moesten het ontgelden, de mensen vlogen zowat tegen het dak van de auto. Gelukkig was mijn auto wat zwaarder. Bedacht me op dat moment, dit is waarschijnlijk de laatste keer dat ik de auto mag lenen. Gelukkig was er geen schade, in die tijd was er nog feest zonder dat het op rellen uit liep.”
Jannie Hoogendoorn: “Ik denk dat ik 10/11 jaar oud was dat we op de Mauritsplaats dat leuke theatertje van Dorus bezochten. Veel hout binnen herinner ik me, volgens mij zaten we op kistjes en er was een beweegbare vloer, die als de metro zogenaamd langs kwam(onderdoor zei Dorus) ging bewegen, je zat dan echt te schud- den, hilarisch was dat. Het program was mét de Jonge Tien weet ik nog, daarbij zaten o.a. Mini en Maxi die onder andere het Hotscha trio deed samen met Dorus met borstels als mondharmo- nica’s, die gekke bekken van Maxi waren enig. Als kind was je de ster daar en mocht je lied of verhaal doen bij Dorus. Dit was een van m’n eerste theaterervaringen. Het was heel bijzonder. Onvergetelijk!”
Ruud Kuipers: “”In z’n hoestbui op vier wiele”, zo kwam Tom Manders (beter bekend als Dorus) in 1967 naar Rotterdam om daar een eigen theater te beginnen aan de Mauritsstraat vlak bij het Schouwburgplein. Voordat hij naar Rotterdam kwam was hij al heel bekend van televisie, hij speelde in verschillende shows, als komiek, conferencier en zanger, want hij schreef ook talloze liedjes. Dat waren altijd gezellige zaterdagavonden waar je voor thuis bleef. Het Rotterdamse avontuur duurde van 1967 tot 1970. Heel populair was het programma “Bij Dorus op schoot” waar zo’n 400 kinderen in het theater zaten en dan mochten de kinderen bij hem op schoot komen zitten voor een praatje en een liedje zingen, dat was een feest voor de kinde- ren. Een fragment dat is me altijd bijgebleven was een meisje van twee jaar met poesie mauw- poesie mauw- poesie mauw, wat wel een paar minuten duurde omdat dit de enige regel was die ze kende. Tom Manders was een geweldig artist helaas veel te vroeg overleden.”
Margriet de Held-Ouwerkerk: “Waarschijnlijk was het in 1966, ik was toen 13 jaar oud, dat mijn schoolvriendinnetje Marianne van Greeven mij uitnodigde om mee te gaan naar het cabaret van Dorus. Er waren speciale kindermiddagen. Haar broertje was jarig en mocht met een aantal vriendjes naar het cabaret. Buiten dat het voor mij leuk was om mee te gaan, was het ook handig om te helpen met de jongens een beetje in de gaten te houden. Ik kan mij herinneren dat ik het prachtig vond om mee te maken. Volgens mij stond het halfronde orgel van meneer Cor Steijn er ook maar er werd niet op gespeeld. Ook werden kinderen uitgenodigd om een liedje te komen zingen, waarbij natuurlijk het beroemde “Poessie Mauw” ook voorbijkwam, dit was inmiddels door de bekende en veel herhaalde TV-uitzending legendarisch. De ingang van het Cabaret was achter de toenmalige Pauluskerk, in de Mauritsstraat. Begin 70’er jaren werkte ik bij de Nedelandsche Middenstands Bank op de Westersingel toen een van mijn collega’s een keurige heer aanwees (met hoed?) en me vroeg of ik wist wie dit was. Het bleek Tom Manders te zijn. Ik heb hem nadien nog een aantal keer gezien en vond het een grote schok toen hij al zo jong overleed. Nog steeds komen de liedjes “Als ik wist dat je zou komen” en “2 motten” regelmatig in mijn hoofd, en soms ook hardop, voorbij. Ook “Weet je wat een Rotterdammer”, onvergetelijk, zeker als je bedenkt dat Dorus een Amsterdammer was, is het toch een prachtig lied over en voor Rotterdammers. Kortom hij heeft heel veel moois nagelaten.”
Karin Vermeer: “Jazeker! Ik herinner mij meerdere keren in het theatertje te zijn geweest, waarvan 1 keer met mijn vader en in ieder geval 1 van mijn 2 broers. Ik denk dat de jongste nog te klein was. Bij die gelegenheid werd mijn vader uit het publiek gepikt. Hij probeerde er nog onderuit te komen maar dat lukte niet. Hij moest samen met een andere vader een wed- strijdje “Luier verwisselen” doen op het podium. Ik weet niet meer wie er gewonnen heeft. Ook Mini en Maxi staan op mijn netvlies geschreven en de liedjes van Dorus kan ik mij ook levendig herinneren. Wij hadden thuis de LP van Dorus met meneer Cor Steyn. Verder zie ik Tom Manders nog als Dorus aan de bar staan voordat de voorstelling begon.”
Anneke Mengelkamp: “Ik ben woonachtig in Spanje. Mijn zus uit Spijkenisse stuurt me dit zojuist toe. Het is namelijk mijn jongste dochter Monica Mosch die op de foto staat. Het is heel wat jaartjes geleden zij is nu 63 jaar. Van deze foto zijn destijds ook ansichtkaarten gedrukt. Mijn toenmalige man, fotograaf Harry Mosch (en haar vader) Fotoburo Artifo Mariniersweg heeft deze opname gemaakt. Een leuke verrassing voor mij.”
Als Watersnood-evacué naar Hillegersberg
Mijn oudste broer Koos werd naar dorp gestuurd om te kijken wat er loos was. Om dezelfde tijd werd er luid op de ramen gebonkt, maar we hadden het nog niet door dat het water kwam. Later hoorden we dat het de buren waren die alarm sloegen, maar door de harde wind geen contact kregen. Of door het opkomende water geen tijd meer hadden. Mijn oudste broer Koos kwam na een kwartier al wadend door het water terug en schreeuwde: “Het water komt, allemaal naar boven!” We kregen het door toen hij de achterdeur open deed om naar binnen te gaan:het water stroomde naar binnen.
Alles moest naar boven: eten en drinken, tafels en stoelen. We kregen haast alles ook boven, behalve het orgel en het varken. Daar zaten we dan op de zolder waar we anders alleen sliepen. Koud en donker, 11 personen en mijn moeder liep op alledag. Ze was in verwachting van het kind dat op 17 februari zou worden geboren op ons Watersnood-adres). Er was geen elektriciteit, geen kachel. Gelukkig was ons huis aan de Prins Bernhardstraat een nieuw huis (uit 1947), dus de kans van instorting was dan ook niet aanwezig. Daar dacht je pas later over toen er foto’s tevoorschijn kwamen.
Van slapen kwam het niet meer en we wachten maar tot het licht werd. Het was een gekke zondagochtend, met z’n allen op de zolder. Het water stond zo’n 1.60 m. hoog op de trap. Er waren nog drie treden droog en we konden niet naar de kerk. Aan de voorkant van ons ondergelopen huis stond de kleuterschool met aan de kopse kant een grote muur. Daar kon je precies zien hoe hoog het water stond en ik hoorde mijn moeder nog zeggen: “Kijk, het water zakt ik denk dat over een uurtje alles weer droog is.” Maar wat was het geval? Als er ergens een dijk doorbrak zakte het water een paar centimeters om daarna snel weer nog hoger te eindigen.
Roeiboot
Rond half vier in de middag waren wij aan de beurt om gered te worden. We hadden heel wat bootjes met redders voorbij zien gaan om mensen uit hun huizen te halen, waar de nood nog groter was. Dit waren mensen die op de daken zaten of zo. Er kwam een roeiboot naar ons huis en er werd een ladder tegen de goot en de dakkapel gezet. Zo konden we zo de roeiboot in. Maar we waren met z’n elven en dat was te veel om in èèn keer mee te nemen, Bij de eerste redding waren mijn moeder (die op alledag liep) Piet, Loes, mijzelf en Kees, dus met z’n vijven, en onze twee redders. Later vernam ik dat dit de gebr. Molengraaf waren die ook in onze straat woonden.
De rest bleef achter. Al roeiend over de denkbeeldige watering, die nu èèn grote watervlakte was, gingen we langs het theehuisje richting Stationsweg. Daar aangekomen werden we opgevangen door vrijwilligers. Zij brachten ons lopend naar café Meiburg op de Ring, zonder vader en de rest. Gelukkig waren die er toch nog snel. Ook moest iedereen genoteerd worden en wie wie was en waar we naar toe gingen. We moesten zo rap mogelijk naar elders en de kans was dan ook groot dat dit gescheiden zou gebeuren. Maar gelukkig waren en bleven we bij elkaar. Op het RTM-perron stond lege bussen klaar om al de mensen die geen onderdak meer hadden te vervoeren naar Rotterdam, Onderweg via Abbenbroek over de Groene Kruisweg richting Spijkenisse keken we toch onze ogen uit. Vooral voorbij Geervliet.
Het was of we over het water reden, want alle sloten stonden vol. Hoe laat dit was? ik denk rond 5 uur in de namiddag. Ja, waar gingen we naar toe? We hadden geen idee. We kwamen in het Feyenoord stadion terecht, maar bleven daar maar een klein poosje en gingen toen met bussen naar de oude Ahoy-hallen in het centrum van Rotterdam, waar we eten en drinken en een legerbed kregen. Nog steeds waren we allemaal bij elkaar. Het was toen nog zondag ik denk rond 7 uur in de avond. Van slapen was natuurlijk geen sprake. Ik was toen bijna 9 jaar, we bleven die nacht daar.
Nassaukerk
De volgende morgen dus maandag 2 februari werden we in de middag naar Hillegersberg gebracht en wel we kwamen aan in de Nassaukerk aan de Kleiweg, dat was een gereformeerde kerk, want we waren ook gereformeerd. Daar werd toen ook naar gekeken. We werden opgevangen door de leden van deze kerk. We waren met z’n elven en om ons allemaal op èèn adres onder te brengen ging natuurlijk niet. Maar we werden zo dicht mogelijk bij elkaar ondergebracht. Ikzelf met m’n zus Riet op de Schiebroeksesingel nr. 15, bij de familie Harten. Zij hadden nog één zoon in huis en er was plaats genoeg. Mijn vader en moeder en mijn jongste broer Piet een paar huizen verder ook in dezelfde straat. Zo werden we verdeeld, zoveel dicht mogelijk bij elkaar.
Onder andere ook aan het Arolsenplein en de Emmalaan. Hillegersberg was toen een heel chique buurt met mooie en vooral hele grote huizen en we waren dan ook heel blij met de gastvrijheid van deze mensen. Ja, daar zaten we dan ver van huis (voor ons gevoel heel ver) bij toch vreemde mensen. En we moesten toch naar school. Zij die schoolplichtig waren kwamen terecht op de Nassauschool. Dat was de school zo’n beetje achter de Nassaukerk, nabij de Juliana van Stolberglaan. Deze school was een stadse school met twee verdiepingen en we kregen gym en gingen naar het zwembad. Wat een luxe!
Vol van begrip
Woensdagmiddag vrij, maar zaterdagochtend wel naar school. Dat waren we niet gewend en wat wel het fijnste was: deze school liep met het lesgeven ruim een halfjaar achter. Want wat was het geval? Thuis op het platteland was het schooljaar op 31 maart ten einde, maar in de grote stad was dat rond de grote vakantie, dus rond eind juli/ begin augustus. Al het lesvoer hadden wij op het platteland al gehad en al met al was deze periode op school een ‘makkie.’
Mijn vader ging werken bij een boer in de Schiebroeksepolder, nabij de Schiebroeksesingel, tenminste als hij niet mee moest helpen aan de dijken rondom Zuidland. De mensen waar ik met mijn zus Riet geëvacueerd was, zo heette dat toen, waren heel fijne mensen. Ze hadden een heel groot huis en vol van begrip van ons verdriet aangaande de Watersnoodramp en de gevolgen daarvan. Ik kan wel zeggen dat wij heel maar dan ook heel blij waren dat we het zo goed getroffen hadden en dat er heel veel mensen in Hillegersberg mee bezig waren om het verdriet van de ‘Watersnoodkindertjes’ een beetje te verzachten. Er was op woensdagmiddag in het gebouw Lommerrijk aan de Straatweg altijd de gelegenheid om de kinderen een speelmiddag te verzorgen. Voor ons wat dat altijd een fijne middag en we kregen ook fruit en snoep. Later werd deze woensdagmiddagen gehouden in de Uitstraat dat was een zijstraat van de Kleiweg, een café waar een zalencomplex bij was.
Dankbaarheid
In de Oranjekerk aan de Roozenlaan was er ook eenmaal in de week de gelegenheid om kleren of schoenen te krijgen. De meeste mensen hadden alleen nog wat ze aanhadden toen ze het huis uit moesten. Mijn moeder was toen in verwachting en op 17 februari 1953 kwam er een broertje bij. Als waardering voor al het goede wat deze Hillegersbergse mensen voor ons deden werd onze jongste broertje vernoemd naar mensen waar mijn vader en moeder met broertje Piet toen geëvacueerd waren. De naam werd Dick Pieter Kweekel, vernoemd naar Dick Pieter van Weelde. Deze mensen hadden toen een kolenboerzaak in Rotterdam. Normaal werden de kinderen toen vernoemd naar de ooms of tantes van de familie, maar nu niet. De dankbaarheid was groot, heel groot, vandaar.
Terug
Toen kwam het ogenblijk om weer terug te gaan naar Zuidland, ik dacht rond eind april/begin mei, ik weet het niet zeker meer. Maar wel weet ik dat ik terug in Zuidland weer naar school moest en dat iedereen over ging. Er bleef niemand zitten. Toen we weer terugkwamen in Zuidland, het was een hele grote bende, overal bergen huisraadafval, modder blubber overal. Het kon ook niet anders. Er werd veel geborsteld, schoongemaakt en waar er tekort aan was kon men bij de HARK terecht. Van horen zeggen, later in de tijd, werd er veel misbruik van gemaakt. Nu nog hangt er een hakbijl van mij schoonvader in de gang als aandenken die hij via de HARK gekregen heeft van het Canadese Rode Kruis. HARK was de verzamelnaam van een fonds waar goederen uit heel de wereld in gestopt werden en uitgedeeld aan mensen die het nodig hadden. De afkorting stond voor Hulp Aan het Rode Kruis, afgekort in de volksmond als HARK.
In hetzelfde jaar dus 1953, maar dan in december, was er bijna weer sprake van een watersnoodramp, op 24 december. Het was zaterdagmiddag. Het stormde weer erg hard. We gingen kijken op de Molendijk en daar kon je de schuimkoppen van het Spuiwater zien, boven de dijken uit. De wegen naar de haven waren afgezet. Na het rampjaar 1953, dus in 1954 werden er vakantie georganiseerd voor de ‘rampkinderen’. Dagvakanties in Rockanje en weekvakanties naar Horst America in Limburg. Zelf ben ik daar ook geweest, een week Limburg. Ook kinderen uit Flakkee waren er. Ik was toen 10 jaar en ik weet nog heel goed toen ik terugkwam datmijn moeder mijn kleren telde. Er was een sok zoek. Ze zei bijna ‘ga maar zoeken daar in Limburg’….
In de jaren na de Watersnood ramp ben ik als jongen van 10 jaar nog tweemaal gaan logeren bij mijn watersnood-’vader en moeder’. Er was toch een zekere band ontstaan ondanks mijn jonge leeftijd. Ook in de jaren dat ik trouwde en kinderen kreeg ging ik op bezoek bij deze mensen en maakte foto’s van hen, om nooit te vergeten wat deze mensen voor mij en voor ons betekenden. Ik ging af en toe in de loop der jaren toch even kijken, daar op de Schiebroeksesingel. Kijken of er alles nog stond, de Straatweg en Kleiweg, ook langs Lommerrijk .Tot op de dag van vandaag hebben deze mensen een bijzondere plaats in mijn hart. Nadat ik een computer aanschafte, nu alweer vier jaar geleden, zocht ik heel het internet af om foto’s van de Watersnoodramp in mijn Watersnood 1953 verzamelmap te zetten. Ook veel gewonen foto’s, gemaakt hier in Zuidland tijdens herdenkingsmomenten. Deze staan allemaal per straat en tijdstip in mijn computer voor ons nageslacht. Om nooit te vergeten wat de Hillegersbergse mensen voor ons gedaan hebben. Nu bijna 56 jaar na deze Watersnood van 1 februari 1953 is op het dorp op Kerkstraat nr.11 een gedenksteen in de muur te zien met de hoogste stand van het water en deze was daar 1.56 meter, Op de Ring is een monument ter gedachtenis en dit is een Korenaar als symbool van wederopbouw na deze ramp en ere aan de 21 overleden dorpsbewoners tijdens deze ramp.
Teun Kweekel t.kweekel@kpnmail.nl
Een scheldwoord met gevolgen
Dus die kwajongensstreken werden uitgehaald in een veel slechtere vooroorlogse crisistijd. Ook toen was de jeugd niet altijd een voorbeeld van goed gedrag. Maar een ding staat vast, de straat was meer dan nu, toen voor de jeugd. Op straat was geen auto te zien, hooguit de handwagen van de melkboer en de bakker. Spelen, of dat nou voetbal, slagbal, puttenloop of vele andere spelletjes waren, ging volgens de regels van de straat. Maar ik schooierde ook graag langs haven en mart. Ik speelde bij de bouw van het Stadion, op boomstammen aan de Waalhaven en in de grienden bij de Barendrechtse brug. Altijd uit op avontuur en zorgen dat je buiten het gezichtsveld van een juut bleef, wat niet altijd lukte.
Zo heb ik nog een herinnering aan een zaterdagmiddagverblijf in de politiepost Sandelingstraat. Ik was door de wijkagent betrapt bij het klimmen op een tuinschuurtje om een tennisballetje te redden. Zonder alle belevenissen te romantiseren was toen het spelen ook niet altijd even vernakelijk. Er waren in Zuid toen ook ‘no go’ buurten. Straten waar je als kind niet alleen doorheen durfde lopen. Om confrontatie voor of tegen te ontwijken was het dikwijls voldoende om het op een lopen te zetten of anders klappen te krijgen.
Ambachtschool
Maar nu over de ‘donderstenen’. In de jaren ‘60-70 heb ik wellicht met een van de genoemde gezworen kameraden een confrontatie gehad. Het incident vond plaats met scholieren van een ambachtschool aan de Hillevliet. In die tijd was ik opzichter bij de reinigingsdienst ROTEB. Voorloper van de huidige BOA. De welvaart had een kwalijke weggooimaatschappij en straat- en stadsvervuiling tot gevolg. Soms zo erg dat optreden geboden werd. Ingelijfd bij het uit 8 man bestaande korps behoorde het ook tot mijn taak om de pas opgebouwde stad door gedragswijziging schoner te krijgen. Vanwege mijn werkwijze, gaan tot bij de bron, had ik een jonge opzichter onder mijn hoede. Hij moest in de praktijk leren hoe potentiële vervuilende bewoners te benaderen.
Op die bewuste dag hadden we zonder incidenten in de Polderbuurt controle gehouden. Het liep tegen etenstijd. We liepen langs de ambachtschool naar de dienstauto om te gaan eten. Plotsklaps werd gingin de bovenverdieping van de school een raam open en werd er met een schreeuw L..L geroepen en het raam met een klap weer dichtgegooid. We keken elkaar aan. “Hoor je dat”, vroeg ik mijn maat. Ja natuurlijk, antwoordde hij, Maar, zei hij geruststellend, ik voel me niet aangesproken hoor. Om hem te leren dat je zoiets niet ongemerkt voorbij moet laten gaan gingen we de school in. De conciërge zat net aan de lunch. Hij hoorde het verhaal van de bejegening aan, deed met een klap zijn broodtrommeltje dicht. We moesten hem via de trappen naar boven volgen. Ineens stonden we gedrieën voor een klas met overblijvers waar het doodstil werd.
Onder het wakend oog van de conciërge vroeg ik wie die weinig fraaie benaming uit het raam had geschreeuwd en vroeg voor wie van ons beiden die naam eigenlijk bedoeld was. Men keek wat schaapachtig in de het rond maar er kwam geen enkele reactie uit de groep. Pas toen ik tot de conclusie kwam dat iedereen in de groep het wel gedaan zou kunnen hebben, greep de conciërge in. Hij kende zijn pappenheimers blijkbaar. Hij beëindigde het gesprek en zei het erg te vinden dat de school door de uitlating van een leerling in een minder fraai daglicht werd gesteld. Hij noemde resoluut een van de scholieren bij naam als dader en verzocht hem vriendelijk met hem mee te gaan. Gedwee liep de voor ons vermeende dondersteen met ons mee naar beneden. Enigszins ongerust vroeg ik de conciërge hem niet al te zwaar te straffen. Dat beloofde hij. Maar dat het uitjouwen niet geheel straffeloos bleef was ons duidelijk.
M. Zuijdweg
m.zuijdweg@kpn.nl










