Skip to main content
Green Button

Herinneringen aan de stad
zaterdag 25 apr 2026

Buiten zwemmen in het ‘Overschietje’

We stonden op een zomerse dag dicht op elkaar gepakt te wachten voor het zwembad aan de Wouwerlaan, de opgerolde handdoek met de zwembroek onder de linkerarm, de rechterhand zat in de broekzak stevig dichtgeklemd met daarin een zweterige stuiver of een dubbeltje. Klaar om het bad te bestormen, zodra de toegang werd vrijgegeven.

Als je vooraan in de rij stond, kon je bij het hek van de entree nog naar binnen kijken en zien hoe de badmeester ongeduldig op zijn fluitje blies om de zwemmers van het vorige uur uit het zwembad te verwijderen. Pas daarna kon de volgende lichting zwemmers worden toegelaten. Dat kon gescheiden zwemmen zijn voor meisjes en vrouwen enerzijds of mannen en jongens anderzijds, maar er was ook een zogenaamd ‘familiebad’, waar iedereen terecht kon.

Bij de entree haalde je dan op het bevrijdende moment je kaartje. Voor vijf cent (een stuiver) maakte je gebruik van wat wij het ‘varkenshok’ noemden, de gemeenschappelijke kleedruimte. Voor tien cent (een dubbeltje) mocht je een eigen éénpersoons kleedhokje kiezen. Het was altijd een sport om een hokje in te pikken, ook al had je voor het ‘varkenshok’ betaald, wat in de drukte bij de toelating nog wel eens lukte. De badjuffrouw bij de ingang kon dan niet alles in de gaten houden!

Het water in het bad was niet echt schoon, want het Overschiese zwembad was gewoon met plankieren in de bestaande veenplas aan de rand van het dorp gebouwd. Het kwam dan ook regelmatig voor dat je door het groezelige water na afloop met een groene snor rondliep. Soms dreef er wel eens een drol in het bad of een dode vis die door het gaas onder het plankier was doorgekomen. Maar dat alles zou voor ons de pret niet drukken!

Als het fluitje van de badmeester voor het einde klonk, sprongen we gauw nog even in het water om er zo lang mogelijk van te kunnen profiteren. Daarna nog even onder de koude douche om het vuil af te spoelen en de groene snor te verwijderen, aankleden en hongerig terug naar huis. Dan liepen we langs de zaak van Knol op de hoek van de Parallelstraat, de eerste snackbar in Overschie, waar sommige kinderen voor een kwartje nog een zakje patat gingen halen. Daar hadden wij geen geld voor. Hooguit schoot er nog wel eens een waterijsje over, maar soms werd er toch door een vriendje grootmoedig een lekker hartig patatje gedeeld.

Ondanks de gezelligheid in het Overschiese zwembad verkozen we al gauw een spannend plekje bij de Spaanse brug, waar geen toezicht was van bemoeizuchtige badmeesters, maar schepen voor je neus voorbij voeren en je vrienden samenschoolden in het gras aan de walkant.

Het zwemmen in de Schie was bovendien gratis en het water leek ons zelfs schoner dan in het ‘Overschietje’!

De eerste keer dat ik ernaartoe ging, beheerste ik het zwemmen nog niet echt. Vanaf de losse stenen aan de kant dook ik het water in, waarna ik met een paar slagen de eerste dukdalf voor de brug bereikte. Daar klom ik dan op om vervolgens door de diepe vaargeul te duiken naar de tweede dukdalf aan de andere kant. Goed dat mijn ouders dat niet wisten, want wat was het onverantwoord als ik eraan terugdenk! Maar we leerden er vertrouwd te worden met het water en genoten er van de vrijheid. Naarmate we ouder werden durfden we meer stunts uit te halen, waaronder een sprong of duik van de brug.

Geen gevaar?

Als pubers zagen we geen gevaar bij wat er op en om de brug gebeurde. We hadden wel een sterk verhaal gehoord van een jongen die in de Schie was gedoken en met zijn hoofd in een emmer was terechtgekomen, waarna hij niet meer boven kwam. Maar wij dachten dat ons dat niet zou overkomen en dat is achteraf ook gebleken! Toch wisten wij niet wat ons werkelijk boven het hoofd hing: op 22 oktober 1959 stortte de bovenbouw van de brug naar beneden op het wegdek en deels op het brugwachtershuisje, nadat de scharnieras van de bascule was losgeraakt.

Schepen enteren

Toen we goed konden zwemmen, durfden we ook schepen te ‘enteren’ om te kunnen meevaren. Vanuit Rotterdam voeren die in de regel volgeladen in de richting van Delft, waarbij ze diep in het water lagen. Als we zo’n schip zagen aankomen, zwommen we in de richting van de boeg en lieten we ons langs de zijkant glijden, totdat we de rand van het gangboord konden vastpakken. Je werd dan aan de zijkant van het schip door de stroom meegevoerd en je benen gingen vanzelf omhoog, waarna je gemakkelijk één been in het lage gangboord kon leggen en aan boord kon klimmen naar de voorplecht. Daar was je op veilige afstand van de schipper in zijn stuurhut die al zijn aandacht nodig had voor het manoeuvreren.

Soms riep hij zijn vrouw om het stuurwiel over te nemen en kwam hij met een pikhaak over het dek om ons te verjagen, maar meestal lieten ze ons gewoon onze gang gaan, omdat we toch geen kwaad deden. Gevaar zagen we niet, al wisten we dat je niet in de buurt van de schroef moest komen als je van het schip af dook.

Als je bleef meevaren in de richting van Delft ging je eerst door de nauwe doorgang van de oude Hoge brug, waarna het schip met veel moeite een scherpe haakse bocht naar rechts moest maken op de plek waar de Schiedamse en Delftse Schie bij elkaar kwamen. Met een ruime bocht voeren we dan verder tot de molen en veevoerfabriek van Speelman. Daar wachtten we op boten die terugkwamen uit Delft.

Het kwam geregeld voor dat er geen schip aankwam

en dan liepen we door de polder terug om de bocht via het jaagpad af te snijden. We sprongen over de sloten of waadden er doorheen als ze te breed waren en bekogelden elkaar met de koeienvlaaien in het weiland. Smerig van de modder en de koeienstront sprongen we dan bij de Hoge brug weer in het water en spoelden we onszelf weer schoon.

Thuis werden de sterke verhalen uitgewisseld en de risico’s drongen kennelijk niet echt door tot onze ouders. We waren immers weer gezond teruggekeerd en per slot van rekening hadden zij vroeger zelf ook regelmatig in Schiewater gezwommen!

Karel Aardse

kaardse@ziggo.nl

Zo vermaakte je je in zomers Rotterdam

De vakantiemaand, augustus, kenmerkte zich ook vroeger al door wisselende beelden. Er waren dagen van 30 graden, maar ook druilerige sombere regendagen in Rotterdam. Dan speelden wij niet buiten maar bleven binnen. Maar mijn broer en ik wisten ons altijd goed te vermaken.

Wij speelden bijvoorbeeld eindeloos Mens erger je niet. De blauwe dopjes hadden een wit draadje om ze te onderscheiden van de groene dopjes. Wij hielden ook een competitie bij. Verder had mijn broer een Meccanodoos die elke verjaardag uitgebreid werd. Ik was daar stik jaloers op, maar ik mocht wel meedoen om iets in elkaar te zetten. Mijn broer maakte een keer een tram, die wij door de kamer lieten rijden met schaakstukken als passagier. Helaas was er toen nog geen Lego. Ook legden wij veel legpuzzels, niet meer dan 200 stukjes, want als het etenstijd was moest de tafel weer leeg zijn.

Speeltuin

Verder waren wij altijd weer blij als het dinsdag was. Dan kwamen de Spiegel, Margriet en Donald Duck uit. Daar waren wij weer een poosje zoet mee. Libelle en Panorama kwamen woensdag. Vroeger werden de bladen en kerkbodes aan huis bezorgd. In de vakantie hielpen wij daar ook aan mee. Trouwens, als wij niets te doen hadden gingen we naar de winkel en dan had mijn vader altijd wel een karweitje voor ons. En natuurlijk waren er altijd boeken om te lezen.

Maar er waren ook prachtige , warme zomerdagen. Dan gingen wij naar buiten, tollen, touwtje springen of rijden met de autoped. Om de beurt reden wij dan een blokje rond. Aan de overkant was een viswinkel waar staven ijs werden bezorgd en daar viel wel eens wat van af. In de zijstraten zinderde het dan van de hitte die tussen de muren bleef hangen. Af en toe kregen wij twee dubbeltjes, een om naar de speeltuin te gaan en de ander om op de terugweg een ijsje te kunnen kopen. Die bewaarden mijn broer dan in zijn broekzak, want meisjes droegen toen rokjes en die hadden geen zak om wat in te bewaren. De speeltuin was aan de Kanaalweg dicht bij het muizengaatje. Daar waren een zandbak, een wipwap  en schommels. Er waren ook watergoten met kranen en halverwege de middag kon je daarheen lopen om water te drinken. Wij speelden ook wel eens winkeltje op de waranda. Het leukste was eigenlijk het inrichten, met prijsjes gemaakt van de cijfers op postzegelvellen.

Appel

Ik herinner mij zo’n hete zomerdag. Mijn vader had een pakje dat weggebracht moest worden helemaal naar de Groene Zoom. Ik was 9 jaar en mocht dat wegbrengen. Nou was ik nog nooit zelfstandig met de tram het Oude Noorden uit geweest. Dus werd mij precies uitgelegd: met lijn 22 naar de Schiekade, daar overstappen op lijn 3 en dan tot het einde blijven zitten. Dat was allemaal heel spannend voor mij. Daar aangekomen kreeg ik van de mevrouw een appel (heel aardig) en die heb ik de hele weg terug mee in mijn hand gezeten. Want ik had nog nooit een ongeschilde appel gegeten.

Tijdens mijn verjaardag in augustus waren wij vaak met vakantie in een pension. Want mijn vader vond dat mijn moeder ook recht had om even niets te doen. Dan stuurden alle tantes mij een ansichtkaart, die ik dan later boven mijn bed prikte. Door de bossen lopen met een kaart voor de weg, eindeloos waren die dagen. “Het is weer voorbij die mooie zomer”, dat liedje van Gerard Cox liet later precies de gevoelens horen die wij toen voelden. Tijd was voor een kind iets onbestemds. Alles duurde heel lang, ook die 4 weken vakantie.

T.E. van Noordennen
debarim@vanlingen.net

Op de brommer naar het Midden-Oosten

Ik trouwde, net 19 jaar, op 20 december 1967 in Rotterdam. Mijn toenmalige echtgenoot Bob wilde met een brommer naar Zuid Frankrijk in mei 1968, maar ongetrouwd was geen optie voor mijn ouders. Van het geld op mijn spaarbankboekje (de Zilvervloot) kochten we twee Spartamatics, met een mandje voorop.

Vanwege de benzinestakingen in Frankrijk rond mei 1968 besloten we via België, Duitsland en Oostenrijk naar de Middellandse Zee in Joegoslavië te rijden. Bob had als motto: over de Brienenoordbrug rijden en niet meer achterom kijken.
We hadden een kleine tent, luchtbedden, slaapzakken en twee primusbranders in een blikken verpakking bij ons. Uiteraard ook een ‘nestje’ van drie aluminium pannen met een losse handgreep, twee borden, bestek en onze persoonlijke spullen. Qua kleding was het beperkt tot twee stuks (voor mij een spijkerbroek met truitje en een nylon jurkje). Daarnaast twee of drie onderbroeken, een bh, een bikini, een trui en een leren jas.
Alles zat in de twee zijtassen die op de brommers zaten en in de mand met tas voor het stuur. Bovenop die tas lag het boekje met de wegenkaarten van Europa, redelijk gedetailleerd.

Oostenrijk
We vertrokken op 30 mei 1968 en drie weken later zaten we in het zuiden van Oostenrijk, waar mijn ouders met mijn zus en haar vriendin, alsmede een oom en tante een vakantie hadden geboekt bij een pension in Rosegg aan de Drau. Daar zijn we toen een kleine week gebleven op een grasveldje bij het pension. Onder andere om de tent met een soort vloeistof weer waterdicht te maken. Helaas lukte dat niet.

Autotunnel
Toen wij vertrokken en werden uitgezwaaid door de familieleden reden we naar de Loibl-pas. Met de zwaar beladen bromfiets kostte het mij veel moeite om boven bij die tunnel te komen. Bob reed het laatste stuk vaak zo ver voor mij uit, dat hij naar beneden kijkend mij een stuk lager zag ploeteren.
Boven aangekomen bleek de Loibl-pas een autotunnel te zijn, waar andere vervoersmiddelen niet door mochten. Maar uiteraard stond dat nergens aangegeven, dus Bob ging de discussie met de douaniers aan. Uiteindelijk was er contact geweest met de douaniers aan de Joegoslavische kant en werden auto’s even tegen gehouden (alhoewel wij geen auto’s gezien hebben en het zal dus heel stil zijn geweest).

Waterval
Door de tunnel kwamen we dus in Joegoslavië en besloten om benzine te sparen (we leefden van 10 gulden per dag om het zo lang mogelijk te redden) zonder de motor te gebruiken de lange weg naar beneden te rijden.
We kwamen op enig moment langs een weg waar we een waterval hoorden. Dus stopten we en liepen er door de bomen naar toe. Bleken later de Plitvice meren te zijn, die we zo dus illegaal voor een deel bekeken hadden.
Zodra we de kust bereikten volgden we de kustweg tot net boven Albanië. Waar het kon kampeerden we ‘wild’; anders op een eenvoudige camping langs de weg.
Als het warm was doken we even in zee en gingen dan in bikini of zwembroek verder op de bromfiets.
Boven Albanië moesten we over een onverharde weg (pas van Pec) en vervolgens via Skopje naar Griekenland. Daarna vervolgden we onze weg door het noorden van Griekenland en kwamen uiteindelijk op een camping net voor Istanbul in Turkije.

Bosporus
Omdat we geen visum voor Syrië kregen, namen we 5-6 weken later aan de andere kant van de Bosporus vanuit Istanbul de trein naar het oosten. De brommers mochten mee als bagage tot aan Erzurum. Vandaar met bussen en vrachtwagens meegereden tot aan Teheran in het toenmalige Perzië.
Met veel moeite hebben we daar de beide brommers kunnen verkopen. Bij de douanes werden de brommers steeds ook in de paspoorten geschreven, dus we moesten eerst invoerrechten in Teheran betalen om dat ook weer in de paspoorten te regelen.

Verliefd
Tot zover dus de reis van de tweeNederlandse Spartamatics, waar de mensen in Teheran echt verliefd op waren. Wie weet hoe lang ze daar nog hebben rondgereden na de val van de Sjah van Perzië.

Ceylon
Voor dat geld twee goede rugzakken gekocht en daarmee zijn we via Afghanistan, Pakistan en India met de goedkoopste reismogelijkheden (liften met vrachtwagens, bussen en 3e of 4e klas trein uiteindelijk begin september 1968 beland bij een correspondentie-vriendin in Colombo (in voormalig Ceylon).

Ziekte
Wegens ziekte van Bob begin oktober hebben we weer de terugtocht naar Nederland geregeld, deels met de trein en kleine stukjes met het vliegtuig waar treinverkeer niet mogelijk was.
We kregen hulp van (schoon)ouders die poste restante naar Istanbul een koffer met warme kleding hadden gestuurd en ons financieel ondersteunden.
Dit was mijn eerste buitenlandse reis en ik had ook nooit gekampeerd. Maar deze ‘halve wereldreis’ zal ik nooit vergeten. Dit kon op deze manier alleen maar als je jong bent en je het gevoel hebt dat de wereld voor je open ligt. Gewoon ontslag nemen en weer een baan zoeken als je terugkomt. Uiteindelijk heeft deze reis zesmaanden geduurd en kon ik direct weer aan het werk bij de advocaat waar ik daarvoor ook als secretaresse had gewerkt.

Elly Visser-Smit
tel. 06-44618910
visser.smit@planet.nl

‘Amerika’ overleefde alles en iedereen

In de zomer gaan we naar zee. En voor Rotterdammers ligt die voor de deur: in Hoek van Holland. Zeker nu de Hoekse Lijn er is, ben je er zo. Badgasten van verder kunnen ook al meer dan een eeuw terecht in ‘de Hoek’. Bijvoorbeeld in Hotel Amerika, dat al 121 (!) jaar bestaat. Joris Boddaert schreef er dit verhaal over.

Hoek van Holland hoort sinds 1914 bij Rotterdam, maar in ‘de Hoek’ is daar weinig van te merken. Logisch ook. Het dorp was voorheen een deelgemeente en tegenwoordig een ‘gebiedscommissie’, een vreemde bureaucratische omschrijving. De ruim 12.000 inwoners zal het een zorg zijn. Zij genieten, zo pal aan zee, sowieso het meeste zonuren van onze gemeente, en de zeewind zorgt ook voor veel frissere lucht. En van half juni tot eind oktober kan er langs het 3,5 kilometer lange en ook overal brede strand dagelijks door duizenden zwemmers een duik in zee worden genomen.

Metro

Hoek van Holland ie helemaal ‘hot’. Zeker sinds 1 april 2023. Toen opende het metrostation ‘Strand’. De rechtstreekse – best snelle – metro brengt een ieder vanaf station Beurs binnen 30 minuten aan het strand! Ik vermoed dat nergens ter wereld een metro zo dicht stopt bij de kustlijn.

Meliefje wat wil je nog meer? Het gemeentelijk besluit om de oude spoorlijn (sinds 1893!) te vervangen met een metrolijn werd al in 2013 genomen. Het heeft dus eventjes geduurd. Maar goed, nu ie er is, zijn zowel de ‘Hoekers’ en alle Rotterdammers zeer tevreden. Geloof u mij, vrijwel álle horecatenten draaien een goed seizoen, en het dorp plukt uiteraard menig graantje mee.

Deze introductie is nuttig, want ik heb zo de idee dat er maar weinig over onze ‘eigen’ badplaats geschreven wordt. Ik wil graag één keer deze lacune een beetje bijschaven. Het is lang niet gemakkelijk om je 25 kilometer verderop nog Rotterdammer te voelen, maar grappig genoeg voel ik mij in de Hoek altijd zeer senang.

Oudste eetplek

In juni heb ik vanwege mijn nieuwe boek ‘Rotterdamse Restaurants’ (ondertitel: 1900 – heden) een kijkje genomen op de één na oudste eetplek van onze stad. Het gaat om Hotel-restaurant Amerika, dat dateert van 1902. Alleen de van 1897 stammende Ámerican Bar’, later Pschorr-West, daarna De lange Muur en thans de Vietnamese eetzaak Pho aan Kruiskade 1 is vijf jaar ouder. Overigens is De Pijp (Gaffelstraat) uit 1898 qua naamgeving de oudste eetzaak van onze stad. Het is een klein wonder dat Amerika ruim 120 jaar heeft overleefd. Het pand aan de Rietdijkstraat 96 is wonder boven wonder nog zeer solide en dankzij een mooie constructie (aanbouw) is de toekomst gewaarborgd. Ik sprak met de exploitant van de bistro Andreas Tabor (1985) die samen met zijn echtgenote Linda Geers de touwtjes stevig in handen heeft. Hij vertelt dat het hotel met z’n 20 kamers (eigendom van exploitatiemaatschappij Alphatron) prima loopt.

Andreas Tabor: “De hotelgasten dineren meestal ter plekke. Onze bistro aan de straatzijde is prima geoutilleerd. Overigens exploiteer ik tevens restaurant de Torpedo- loods, met groot terras. Daar bevindt zich ook hotel Kuiperduin, eveneens eigendom van Alphatron. De grondlegger van dit bedrijf was Dick Slingerberg (1949-2022), die veel geld verdiende met het ontwikkelen van scheepsbruggen en radarinstallaties. Dick heeft veel voor Hoek van Holland be- tekend. Hij was de drijvende kracht om het zieltogende Amerika nieuw leven in te blazen. Hij hielp mij persoonlijk tijdens corona. Ik was bijna failliet, maar hij sprong bij.” “De hotelgasten dineren meestal ter plekke. Onze bistro aan de straatzijde is prima geoutilleerd”.

In het hotel hangen prachtige foto’s van het roemruchte hotel, dat alle stormen gedurende ruim 120 jaar heeft overleefd. In café Prins Hendrik, dat naast Amerika is gevestigd, vraag ik aan ‘dorpsoudste’ loods Rinus van der Knijff hoe het nu met het ‘Rotterdam-gevoel’ zit bij de gemiddelde Hoeker. Hij begint hard te lachen, en zegt lichtelijk smalend: ‘Wat denk je zelf? Voor de meesten blijft het hier altijd ‘ons dorp’, dat was vroeger al zo, en zal dat altijd blijven. De metro verandert daar niks aan. Die rijden aan het eind van de middag weer propvol terug richting Rotjeknor.’

Intekenen

Woensdag 25 september verschijnt het boek ‘Rotterdamse Restaurants’. Ondertitel: ‘1900 – heden’. Een onmisbaar document, waarin haarscherp het lokale ‘buiten de deur eten’ van de afgelopen 120 jaar wordt beschreven. Nooit eerder werd in 010 zo breed en uitgebreid onze rijke Rotterdamse eetgeschiedenis in beeld gebracht. Het boek (hardcover/gebrocheerd/gebonden/full colour) meet 24 x 34.5 cm (salonta- felformaat), telt 160 pagina’s met circa 350 illustraties. Gewicht boek: 1,4. kilo. Het documentaire boek bevat een namenregister en een complete restaurantindex. Alle boeken zijn genummerd. De prijs van het boek bedraagt in de boekwinkel 59,50 euro. U kunt tot 5 augustus a.s. inschrijven op het boek. U krijgt dan 25 procent korting, en betaalt 44,50 euro. In- clusief verzendkosten. Als intekenaar wordt u achterin het boek met naam en voorletter(s) vermeld, zonder adres. Uiteraard mag u op meerdere boeken tegelijk intekenen. Er verschijnt maar één druk. Een herdruk zal er nooit komen. Het bedrag van 44,50 euro, of een veelvoud daarvan, kunt u overmaken op banknr. NL 98 ABNA 024 34 20 684 ten name van J.Boddaert. LET OP: vermeld bij het overmaken van de koopsom altijd uw huisadres, het boek wordt immers bij u thuis bezorgd. De banken verstrekken geen adressen.

Voor nadere informatie:: jorisboddaert@gmail. com of 06 -18849644.

Joris Boddaert

Ik word oud..

Ik weet dat dit niet vanzelfsprekend is. Stiekem hopen we er allemaal op, maar vaak loopt het leven anders dan gepland. Veranderingen waar je geen rekening mee gehouden hebt, tegenslagen […]

Ik weet dat dit niet vanzelfsprekend is. Stiekem hopen we er allemaal op, maar vaak loopt het leven anders dan gepland. Veranderingen waar je geen rekening mee gehouden hebt, tegenslagen om te verwerken of kansen die je moet pakken.

Dit is er zo een. Een kans die je moet pakken. Een kans die je leven een wending geeft die je van te voren nooit had kunnen bedenken. Vanaf 8 april jl. ben ik eigenaar van De Oud Rotterdammer. Je weet wel die nostalgische krant over Rotterdam. Waarom? Het voelde goed, de uitdaging is geweldig. Maar bovenal krijg ik de kans om de nalatenschap van de stad, waar ik zo gek op ben, vast te leggen. En te delen! Iedere twee weken kijken 300.000 paar ogen met mij mee naar de herinneringen van de stad. Hoe gers is dat! Nooit gedacht, maar ik kon het ook niet voorbij laten gaan. Met een gezonde opgestroopte mouwen mentaliteit ben ik nu creatief directeur van een krant, ben ik uitgever en werk ik samen met een gepassioneerd team.

Wat onze lezers mogen verwachten? We hebben de krant opnieuw vormgegeven, niet alleen qua content maar ook qua layout wordt alles een stukkie jonger. Want wie zegt dat je 80 mot wezen om Oud Rotterdammer te zijn? Met 45 ben je ook gewoon nieuwsgierig naar alle mooie verhalen die deze stad zo gers maken.

Ik ben heel benieuwd hoe jullie de krant gaan ontvangen, neemt er een mee als je langs de bieb, de super, tabakzaak of boekenwinkel loopt, de krant is en blijft gratis, al kan een abonnement nemen ook! Leest hem online, dat ken ook best. Nog even en dan zit je aan de oevers van de Maas op je gemakkie weg te dromen bij al die gerse verhalen uit ons nieuwe krantje. Ons, inderdaad, want de Oud Rotterdammer is en blijft er voor alle Rotterdammers en iedereen die van deze “rotstad” houdt.

Remco Lange

Brommeren van puber tot pensionado

Met een klap reden mijn beide broers Hans en Kees tegelijk achterop dezelfde vrachtwagen. Zij hadden allebei een zelfde Tomos bromfiets, gekocht van het geld dat ze verdienden bij hun eerste baas, schildersbedrijf Berkvens uit de van Reynstraat in Rotterdam Crooswijk.

Het ongeluk gebeurde in 1964 waarbij de twee bromfietsen behoorlijk wat schade hadden. Een bromfietsverzekering was toentertijd nog niet verplicht waardoor geen schadevergoeding was en één van de Tomossen werd met de schade van de hand gedaan en die van mijn oudste broer in eerste instantie wel werd hersteld. Die brommer werd door hem fel oranje geschilderd op een perfecte manier dat deze gespoten leek. Na verloop van tijd werd er eigenlijk niet meer op gereden en verdween de Tomos in de kelder bij ons thuis. Het ding stond daar te stof te vergaren en mijn broer verkocht stukje bij beetje de onderdelen waarna er op de duur alleen het frame nog over was. Toen ik 16 jaar zou worden (1968) mocht ik de restanten hebben. Voor mijn verjaardag kreeg ik van mijn ouders 25 gulden waarmee je op de rommelmarkt onder de bogen van het oude station Blaak een gebruikt motorblok kon aanschaffen bij een handelaar die er altijd tientallen van diverse merken had liggen. Wel eerst controleren of de motor niet vast zat en of de twee versnellingen werkten. Na lang sleutelen en verzamelen van diverse ontbrekende onderdelen (waarbij ik me nu schaam omdat niet alles netjes werd gekocht) was ik de trotse eigenaar van de bijzondere in de hele buurt bekende oranje Tomos. Niemand had er zo een. Toentertijd kocht je een 2-versnellingen exemplaar nieuw voor 575 gulden en een met 3 versnellingen voor 650 gulden.

Rebellen

Een Tomos was eigenlijk een wat goedkoper duplicaat van Puch. De onderdelen van de één pasten ook op de ander. Puch was beter en steviger van kwaliteit. Puch en Tomos werden bereden door tegenhangers van ‘nozems’ die op hun beurt vaker op Zundapp, Kreidler, Royal Nord en Carelli reden. Reed je op een Zundapp of een Kreidler dan had je echt aanzien omdat die van hoge kwaliteit waren en dik over de 1000 gulden kostten. Berijders van een Puch of een Tomos werden ‘Rebellen’ genoemd, hadden geen “vetkuiven” maar vaak lang haar, een groene legerjas en waren doorgaans fan van de Beatles of Rolling Stones. De ultieme accessoire voor een Tomos was een zo hoog mogelijk stuur (het brede ossekopstuur of een heel smal U-stuur) waarbij je bij montage ook al je bekabeling moest vervangen. Later kocht ik heel bijzondere set die bestond uit een versnellingspook en een voetgaspedaal. Natuurlijk moest een en ander opgevoerd worden waarvoor je naar Philipsen op de Kruiskade, de opvoerspecialist van Rotterdam, ging. Voor 65 gulden kocht je een 60 cc cilinder, voor 18 gulden een 16 millimeter Bing carburateur en een groter voortandwiel waarbij je na montage toch zeker 65 km per uur reed. Nadeel van opvoeren was dat je frame na een tijdje krom trok. Kreeg je verkering met een meisje dan moest zij eenmaal achterop gezeten genoegen nemen met een, zeker in de miniroktijd, onhandig brede, oncomfortabele en koude bagagedrager. Ongeloofl ijk veel kilometers en ‘de blits’ heb ik gemaakt. Heel veel heb ik gesleuteld met veel hinder voor de buren. Ik denk dat ik nu met een blinddoek een Tomos of Puch na al die jaren nog uit elkaar haal en in elkaar zet. Met alleen een schroevendraaier, een ring-steeksleutel 10-11 en steeksleutel 12-13 kom je een heel eind. Die had ik toentertijd altijd in mijn zak.

Harry van Oers

baan.oers@online.nl

Papa Blanca: een misdaadondernemer

Wie in de jaren zeventig tijdelijk goedbetaald werk wilde doen, kon bij koppelbazen terecht. Zij waren actief in het Rotterdamse havengebied en leverden arbeidskrachten aan tal van bedrijven.

Koppelbazen werkten zwart. Ze droegen geen loonbelasting en sociale premies af en konden daardoor hoge uurlonen betalen. Ideaal voor scholieren en studenten, maar ook voor mensen die voor korte of langere tijd wat extra’s wilden verdienen. Bijvoorbeeld naast hun uitkering. Het merendeels ongeschoolde werk was zwaar: sjouwen en schoonmaken, waaronder het beruchte classificeren. Dat laatste was het reinigen van machinekamers en scheepsruimten. Wie wilde werken kon zich in alle vroegte bij het Centraal Station of in bepaalde kroegen melden. Koppelbazen kwamen dan met busjes voorrijden, selecteerden wie ze nodig hadden en brachten de werkwilligen naar het karwei bij hun klanten. De mensen kregen hun lonen per dag of per week contant uitbetaald.

Botlek en Europoort

Frans de Wit, geboren Schiedammer, groeide in die jaren uit tot de grootste koppelbaas van Nederland. Het leverde hem in de Rotterdamse onderwereld de bijnaam ‘Papa Blanca’ op. Samen met drie partners was hij veel actief in de Botlek en de Europoort. Ze deden niet aan ongeschoold werk, maar leverden echte vaklieden aan bedrijven in de metaal en de bouw, zoals gespecialiseerde lassers, metaalbewerkers, machine- en constructiebankwerkers, timmerlieden en metselaars. Aan hen viel het meeste te verdienen; miljoenen guldens per jaar. Met dank aan klanten als ICI, Akzo, BP, Gulf, Wescon, Vloeigas, Shell, Heerema, Gusto, Verolme en Hoogovens. In hun hoogtijdagen hadden De Wit c.s. 1000 tot wel 1600 mensen aan het werk. Hun verdiensten gingen op aan dure auto´s, de weelderige inrichting van hun kapitale huizen, motorjachten, kostbare wijnen, antiek en lange vakanties in luxe hotels. Wat overbleef ging via een NMB-filiaal aan de Slinge naar Zwitserland. Daarnaast investeerde De Wit veel in uiteenlopende duistere zaken als het drukken van valse bankbiljetten, vervalsen van vakantiezegels voor bouwvakkers, heling van kostbare schilderijen, zwendel met valse diamanten en exploitatie van illegale gokhuizen. Ook was hij betrokken bij btw-fraude met partijen jenever en vlees en fraude met exportsubsidies. Papa Blanca kun je dus gerust een misdaadondernemer noemen. Altijd in voor iets nieuws. Hij was ook nog eigenaar van de Sherrybar op de hoek Karel Doormanstraat/Westblaak (volgens de recherche een ‘rovershol’) en seksclub El Deux aan de Eendrachtsweg. Papa Blanca liet het ook breed hangen in het lokale nachtleven. Hij was een bekende in de kroegen, bars, discotheken en nachtclubs waar de lokale penoze kwam, zoals ‘t Fust, Cosy Corner, Melief Bender, Porto Bello, Double Diamond, De Boomerang, El Amra, La Romantica en Le Bateau. Over zijn arrestatie en de rechtszaken tegen hem in 1980 kwamen de kranten ruimte tekort. Rechercheteams van de gemeentepolitie Rotterdam en de Rijkspolitie hadden twee jaar jacht op hem gemaakt. Het leverde De Wit zeven jaar gevangenisstraf op. De Rotterdamse auteur Ad van den Dool schreef het onlangs verschenen boek ‘Papa Blanca’. Daarin praat de nu 80-jarige hoofdpersoon uitgebreid over zijn criminele activiteiten van toen. Ook sprak Van den Dool met oud-rechercheurs die onderzoek naar hem deden. Het boek vertelt ook over het tweede deel van Frans de Wits ‘loopbaan’ in de misdaad. Na zijn gevangenisstraf ging hij gewoon door en wist tot 2006 onder de radar te blijven.

Het boek ‘Papa Blanca’ is te koop op www.deoudrotterdammer.nl in onze webshop en in de boekhandel.

Mario Been werd in Pisa Mariodonna

Zeg je Rotterdamse voetbalhelden, dan denk ik aan Mario Been. Hij werd geboren in het jaar 1963, het jaar waarin ik in dienst moest. Dat had je toen nog: dienstplicht. Hij groeide op in de Rotterdamse Bonaventurastraat, was een buurjongen van Henk Duut en werd al snel een voetbaltalent.  

Ik kende dat brutale voetballertje uit de jeugd van Feyenoord maar zag pas voor het eerst tijdens de scholieren ontmoeting ‘Rotterdam – Antwerpen’, wat een talent het was! Het was 1978 en de wedstrijd werd gespeeld in Antwerpen op het veld van Beerschot. De Rotterdamse scholieren wonnen afgetekend en Mario was de onverbiddelijke uitblinker. Hij zat op de middelbare school en wist zeker dat kennis van talen en financiën hem in de toekomst goed zouden kunnen ondersteunen. En dat klopte! Zorg ervoor dat je je ‘eigen boontjes kan doppen’, hadden zijn ouders hem mee gegeven.

Gouden Schoen

Mario won ‘De Gouden Schoen’ in 1984 voor Marco van Basten en Ruud Gullit. Als PR-man van Ahoy stelde ik hem indertijd voor aan André Hazes die repeteerde in het sportpaleis. Het gebeurde tijdens het evenement ‘Charlois Bruist’ waar Mario het startschot zou lossen voor de 10 km. prestatieloop. Later loste hij nog eens een startschot: voor de 3-daagse van Ankeveen. Een schaatswedstrijd op natuurijs. Mario was geblesseerd aan zijn knie en liep met krukken. We gingen samen het ijs op en kwamen er gelukkig zonder nog meer blessures van af. Ik was toen PR-man van het sportmerk Puma en Mario kreeg, als Feyenoorder, een contract met een ‘eigen’ kledinglijntje: een T-shirt, sweater en een jack voorzien van zijn logo. Ach, het leverde een beetje verkoop op maar daarvan werd hij geen miljonair. Dat werd hij wel toen hij overstapte van Feyenoord naar Pisa. Een ‘wereldcontract’ voor dit ‘binkie’. Mariodonna werd hij in Pisa genoemd. Ik ging een keer, rond 1990, bij Mario en zijn vrouw Astrid op visite. Ze woonden in een mooi huis in de Via Garibaldi in Pisa. “Je kan bij ons blijven slapen”, zei hij uitnodigend. ’s Middags speelde hij met SC Pisa een jubileumwedstrijd tegen een ploegje in de bergen van Toscane. Ik ging kijken en Mario had tegen de voorzitter van de club gezegd dat ik de president was van Puma in Europa. Hij kón liegen! Tijdens de maaltijd na de wedstrijd moest ik naast de voorzitter komen zitten. Mijn Italiaans was niet zó goed maar ik begreep wel dat we zijn club moesten gaan sponsoren. Ja, ja, en Been maar lachen.

Bruce

‘s Avonds thuis in de Via Garibaldi, dronken we er een biertje op en nog een paar… We gingen naar bed en natuurlijk moest ik midden in de nacht naar het toilet. Maar… waar was ik en waar kon ik de pot op? De hele avond had ik op de bank gezeten met hond Bruce, hun Rottweiler die net zo sterk was als een volwassen leeuw, tegen mij aan. Maar toen ik ‘s nachts de deur van de logeerkamer op een kiertje zette, stond Bruce voor die deur vervaarlijk te grommen en zag ik in de pikdonkere nacht alleen zijn gruwelijk grote tanden. “Mario”, riep ik zacht, naar de kamer aan de overkant van de gang, maar er kwam geen antwoord. Ik moest ongelofelijk pissen en keek of er een wasbak of desnoods een plantenbak op de kamer was. Maar nee, niet dus. Met gevaar voor eigen leven en met Bruce grommend tegen m’n dijbeen aan, haalde ik ongeschonden het toilet. De andere dag zei Mario met zo’n gemeen lachje dat hij mij niet had gehoord. Ja, ja, een ‘schurkje’ is hij altijd geweest én gebleven!

Nico Tempelman

nicotempelman@hotmail.com

1970: een heerlijk jaar voor Rotterdam

In het jaar 1970 was er veel te doen en aan de hand in Rotterdam. Zo was er de manifestatie C70 met paviljoenen en een kabelbaan die je over het centrum van stad voerde. Ook in dat jaar werd in het Kralingse bos het eerste grote popfestival georganiseerd in navolging op dat beroemde festival van Woodstock in Amerika. 

Een dag heb ik daarvan bijgewoond en dat was op zondag de laatste dag. Wat me nog het meest bijstaat van dat bezoek was niet alleen het aanzicht maar ook de geur van hasj en wiet die zwaar over het festivalterrein hing. Duizenden festivalgangers met hun kleedjes, tentjes en slaapzakken zittend op de grond of dansend op de muziek.

Huldiging

Maar Hemelvaartsdag 7 mei 1970 was dat jaar wel het hoogtepunt. Als 16-jarige met nog een paar andere jongens uit Tuindorp Vreewijk met de metro naar de Coolsingel toe om Feyenoord te huldigen voor het winnen van de Europa Cup I. We probeerden zo dicht mogelijk in de buurt van het balkon van het stadhuis te komen om de spelers en de Cup zo goed mogelijk te kunnen zien. Te midden van die enorme mensenmassa ontging je het overzicht van wat er om je heen gebeurde. Door het geduw en gedrang werd je ook bijna het zicht op de spelers op het balkon ontnomen. Nu ruim 50 jaar na het winnen van de Europacup I waren mijn herinneringen aan die dag dan ook erg gefragmenteerd en op enkele hoogtepunten na, al erg vervaagd. Totdat er op 2 februari 2020 op de televisie een documentaire verscheen van Andere Tijden Sport door Tom Egberts met als titel ‘We hebben ‘m’.

Chevrolet C10

De beelden brachten me weer terug naar de Coolsingel en het Rotterdam van 1970. Daarin zag je de opnamen van de oude Kuip en de omgeving op Zuid. Ook andere kenmerken uit die tijd zoals ’n peukie hangend aan de lippen van nog onbekommerd shag rokende supporters. In beeld kwam ook de jongere aanhang die met Feyenoordvlaggen zwaaiden en in de lantarenpalen voor het stadhuis waren geklommen. Ook de beroemde Rotterdamse politie auto de Chevrolet C10 was te zien. Een daarvan stond na de huldiging pontifi caal geparkeerd op de stoep vóór het stadhuis en de zwart wit beelden maakten hem nog indrukwekkender dan dat ie al was in die tijd. De robuuste uitstraling van die overvalwagens en het gezag van de politie hield blijkbaar die enorme massa nog makkelijk in toom.

Foto

Maar wat me persoonlijk het meest terugvoerde naar het Rotterdam van 1970 was een foto op het eind van die uitzending. De massa had inmiddels de Coolsingel en het Stadhuisplein grotendeels verlaten. Hier op die foto zag ik mezelf na 50 jaar voor het eerst terug als zestienjarige zittend op het plaveisel van de Coolsingel met in mijn hand een extra editie van het Rotterdamsch Nieuwsblad met als kop ‘Europa’s sterkste’. Het moment dat de fotograaf afdrukte kwam weer terug in mijn herinnering en ook mijn gedachte van toen, waarom er zo onverhoeds een foto in mijn richting werd gemaakt. Na het bekijken van de documentaire en de foto’s was de bedoeling van de fotograaf duidelijk, namelijk het vastleggen van deze bijzondere gebeurtenis voor Rotterdam in 1970 wat zichtbaar werd gemaakt in de euforie van haar inwoners.

Hans Beemster

hansbeemster@outlook.com

Amerikaanse piloot in Rotterdams verzet

Van de Rotterdamse verzetsstrijders zal wel niemand meer in leven zijn. Alhoewel, soms waren ze akelig jong, in die duistere jaren van de Tweede Wereldoorlog. Ook de Amerikaanse piloot James Keeffe was nog maar twintig toen hij als co-piloot boven Papendrecht uit zijn zwaar beschadigde bommenwerper moest springen. 

Dat was op 8 maart 1944. Op die dag draaide een enorme Liberator bommenwerper eenzaam rondjes boven het drierivierenpunt bij Dordrecht. Het toestel stond op de automatische piloot, met aan boord alleen nog het lichaam van flight-sergeant Miller. Hij was omgekomen tijdens de felle gevechten met Duitse jagers op de terugvlucht van een ‘raid’ op Berlijn. De rest van de bemanning was boven de Alblasserwaard gesprongen en al snel door de bezetter opgepakt. Behalve James Keeffe; hij wist zich razendsnel te verbergen in een konijnenhok onder aan de Papendrechtse dijk.

De bommenwerper sloeg tenslotte te pletter in Hendrik Ido Ambacht. James bleef wonderbaarlijk genoeg uit handen van de Duitsers en werd door enkele leden van het Papendrechts verzet met een roeiboot naar Dordrecht gebracht. Niet veel later ontfermde het Rotterdamse verzet zich over hem. Twee jonge mannen fi etsten brutaalweg overdag met James naar Rotterdam, langs diverse Duitse controleposten. James moest doorgaan voor een doofstomme mandenmaker. Hij verbleef kort op verschillende adressen, onder meer bij de bekende Rotterdamse verzetsstrijder Jo Berlijn, om uiteindelijk maandenlang onder te duiken bij de familie Jappe Alberts. In het huis van tandarts Jappe Alberts was toen ook al een joods gezin ondergedoken en het verblijf van James maakte de situatie niet makkelijker. James was nieuwsgierig en ongedurig. Hij had maar één doel voor ogen: terugkeren naar Engeland. Hij leerde al snel de nodige leden van het Rotterdams verzet kennen en zwierf met een aantekenboekje door de kapotgebombardeerde stad om aantekeningen te maken die misschien bruikbaar zouden kunnen zijn voor de geallieerden. Na D-Day wist hij het zeker; hij moest naar bevrijd gebied. Op de 15e juli was het zover. James ging via een vluchtlijn richting Antwerpen.

The great escape

En toen ging het fout. Hij werd verraden en kwam terecht in het beruchte krijgsgevangenenkamp Stalag Luft III, waar kort daarvoor de beroemde ontsnapping had plaatsgevonden die jaren later verfilmd werd onder de titel ‘The great escape’. James overleefde de oorlog en zwaaide tenslotte af als luitenant-kolonel bij de Amerikaanse luchtmacht. In de jaren vijftig en zestig bezocht hij met enige regelmaat de vrienden die hij in Rotterdam, Dordrecht en Papendrecht gemaakt had. En steeds weer vroegen zijn kinderen of hij al die ongelofelijke belevenissen wilde opschrijven, waarop hij steevast antwoordde: “Dat doe ik nog wel eens”. In 2010 was het dan toch zover. In maandenlange sessies vertelde hij alles wat hij heeft meegemaakt gedetailleerd aan zijn zoon Jim, die er tenslotte een schitterend boek over schrijft: ‘’wo gold Coins and a Prayer’.

Het boek wint verschillende prijzen en het verhaal komt na enige tijd ook het 4-mei Comité van Papendrecht ter ore. Jim wordt al in 2014 uitgenodigd om tijdens de 4 mei herdenking meer over zijn vader te vertellen. Zijn verhaal maakt diepe indruk, maar het duurt nog tot 2022 voordat de enthousiaste amateurvlieger Adri Brevet contact op neemt met de voorzitter van het Papendrechtse 4-mei Comité, Wim de Leur, en hem voorstelt het bijzondere verhaal samen te vertalen.

En dat gebeurt ook. Precies 80 jaar later, op 8 maart dit jaar, kwam Jim Keeffe met zijn vrouw Paula naar Papendrecht om het eerste exemplaar in ontvangst te nemen. Alomvattend De Nederlandse versie is uitgebracht onder de titel ‘Lberator Down’. Niet vaak worden er boeken gepubliceerd die een zo alomvattend verhaal vertellen. Van de opleiding van de jeugdige Keeffe in Amerika tot het bloedstollende verslag van zijn laatste vlucht en van zijn contacten met het Rotterdamse verzet tot zijn dramatische verblijf in Stalag Luft III.

Briefwisseling

Niet zo lang geleden kreeg Helen Berman, die als 8-jarig joods meisje samen met James bij tandarts Jappe Alberts zat ondergedoken, het boek onder ogen. Al die jaren had ze niet geweten wat er met haar Amerikaanse ‘vriend’ gebeurd was. Haar verhaal is als aparte bijlage toegevoegd aan de Nederlandse versie, samen met een deel van de briefwisseling die James direct na de oorlog had met zijn Rotterdamse contacten. Al met al een uniek boek, dat op een toegankelijke wijze een bijzonder stuk Rotterdamse oorlogsgeschiedenis vertelt. Wim de Leur wjdeleur@gmail.com