Tieners bij de vrijwillige brandweer
Je werd door de gemeente aangenomen vanaf 18 jaar met een goedkeuringsrapport van een bedrijfsarts. Belangrijk was dat je in Rotterdam woonde en werkte, bij voorkeur in dezelfde wijk. Dat gold dus voor de bakker, slager, melkboer, garagehouder, kapper, kantoorpersoneel enzovoorts. Wanneer je was aangenomen werd van je verwacht dat je een cursus ging volgen voor brandwacht en de nodige oefeningen zou bijwonen. Alle vrijwilligers hadden thuis een alarmtoestel; een kastje met aan de buitenkant alarmbellen en de hoorn aan een haak aan de zijkant.
Zodra de bellen rinkelden even luisteren waar de brand was en dan op eigen gelegenheid naar de brand. Ook de beroepsbrandweer werd dan gealarmeerd en vertrok het blusvoertuig in Charlois vanuit de brandweergarage aan de Brielselaan naar de brand. Ter plekke nam de hoogste in rang de leiding en gaf instructies voor de brandbestrijding. Rotterdam was verdeeld in wijken. Elke wijk had een bluseenheid met nummer. In Charlois waren dat 611 en 612. Die bluseenheden waren er voor woningen maar ook voor de scheepvaart in de Waalhaven, Dokhaven en Maashaven en voor de zuidzijde van de Maastunnel.
Spannende tijd
In de jaren ‘50 en ‘60 was ik bevriend met Wim. Hij woonde aan de Wolphaertsbocht. Zijn vader was brandmeester bij de vrijwillige brandweer. Dat stond ook op het bord aan de muur naast de voordeur. Het gebeurde regelmatig dat, als wij daar thuis waren, de alarmbellen rinkelden. Wij fietsten dan achter zijn vader aan naar de brand. Helaas mochten we niets doen. Wij waren nog maar net 17. Toch hebben we brutaal een brief geschreven aan B&W van Rotterdam met de vraag of wij lid mochten worden. Binnen enkele dagen was het geregeld. We ontvingen de officiële aanstelling tot adspirant brandwacht. Wim kwam in de wijk van vader, nr. 611, en ik omdat ik in een andere wijk woonde, de Walchersestraat, in nr. 612. Via het gemeentedepot kregen wij onze kleding.
Op het adres van mijn ouders werd een alarmtoestel geplaatst. Om snel kennis te vergaren volgden we de cursus brandwacht en haalden aansluitend het certifi caat voor werken met een persluchtmasker. In mijn wijk herinner ik mij de brandmeesters Gerritse, Dederd (bakker Kat. Lagendijk) en Manifargus, de kapper van het Amelandseplein.
Soms bezochten wij de brandweergarage voor een praatje met de manschappen en bewonderden het aanwezige materiaal, zoals de Magerieus Deutz ladderwagen, kleine bluswagens en de mooiste autospuit ter wereld: de Ahrends Fox. Gemaakt in 1928 in Amerika en herkenbaar aan de grote neus, Hij had een pompcapaciteit van ruim 3800 liter water per minuut en werd meestal ingezet om vanaf open water het bluswater door te pompen naar de brandhaard. Wij mochten deelnemen aan vele brandbestrijdingen.
Het waren huis-, keuken-, schuurtjes- en in de wintermaanden natuurlijk schoorsteenbrandjes en tijdens de jaarwisseling vuurwerk dat verkeerd terecht was gekomen. Ook soms een auto in brand in de Maastunnel en in de haven een machinekamerbrandje van een coaster of een broeiende lading van een zeeschip. Ook eens een middel alarm voor een grote woonetagebrand in de Tarwebuurt, veroorzaakt door het bijvullen van een oliekachel. Het was een mooie spannende tijd, die voor mij stopte na mijn verhuizing naar buiten Rotterdam.
Wim Sakko (brosa@ziggo.nl)










