Skip to main content
Green Button

Ingezoomd

dinsdag 9 jun 2026

Tramconducteur in Rotterdam in oorlogstijd #2

Iedere week van verschijning van de Oud Rotterdammer, dus om de twee weken, publiceren we op deze website een aflevering van het feuilleton ‘Tramconducteur in Rotterdam in oorlogstijd’. Het feuilleton […]
Een melkboer krijgt hulp bij het duwen van zijn wagen door de sneeuw over de Witte de Withbrug. Op de achtergrond op de Witte de Withstraat rijdt een tram. (Foto: Stadsarchief Rotterdam uit de collectie van Lex de Herder.)

Iedere week van verschijning van de Oud Rotterdammer, dus om de twee weken, publiceren we op deze website een aflevering van het feuilleton ‘Tramconducteur in Rotterdam in oorlogstijd’. Het feuilleton is een initiatief van Jet Rijlaarsdam en haar zonen. Deze keer: 1942: ‘De strengste winter sinds 140 jaar’

‘De wind blijft maar Oost dus er is nog geen verandering te wachten. Ik sta twee truien hoog in mijn kraag te ploeteren in tot het uiterst volgeladen wagens als het dan eens een ogenblik minder druk is weet je niet waar je kruipen moet van de kou’.

De winter van 1942, een van de koudste van de twintigste eeuw, maakte het leven zwaar. Bevroren kanalen en rivieren lieten het vervoer van aardappelen, kolen en ander voedsel niet toe. Wintergroenten zoals boerenkool, spruiten, waren niet te krijgen. Ook het tramverkeer ondervond veel hinder. Bij het personeel was grote uitval door ziekte. Lange diensten, en Hendrik moest door sneeuw, ijs, en over het ijs fietsen om de remise te bereiken. Fietsen werd onmogelijk door opgehoopte sneeuw die langzamerhand in ijsbergen veranderde. Hij baaide na negen uur dienst + 20 km op zijn klompen door de sneeuw.[i] Thuis werkt hij zijn dagboek bij en ging om negen uur naar bed. Om de volgende dag niet te laat op zijn werk te komen, moest hij dan alweer om 3.30 op. ‘Het is gewoon beestenwerk’, aldus Hendrik in zijn dagboek.

Halverwege januari (Hendrik had ontbeten met vijf boterhammetjes met wat chocolade-smeersel als ontbijt), ontspoorde zijn bijwagen ‘s ochtends om acht uur bij de Eendrachtsweg. De motorwagen stond twintig meter verder stil Geen van de vijftig passagiers raakte gewond. Hendrik, was enorm geschrokken en werd door een collega bij dokter Van der Perk gebracht die hem broom en een kopje echte thee verstrekte.[ii] Om twaalf uur hervatte Hendrik in Delfshaven zijn dienst. Het personeelstekort trachtte de RET op te vangen door bij inlevering van vrije dagen het personeel met extra geld te belonen. Hendrik had zijn vrije dagen hard nodig. Na vijf dagen werken kwam hij afgepeigerd thuis:

‘Toch vrij vandaag, gelukkig maar want ik was doodop, lichamelijk ging het nog wel, maar geestelijk was ik volkomen uitgeput. Vijf dagen zoveel kou trotseren onder de slechtst denkbare omstandigheden is meer geweest dan ik kon verdragen. Gisteravond een inzinking, ik kon de kou niet meer verdragen en ben met m’n jas aan in bed gekropen. Ik was zo volkomen leeg dat ik me een kwartier lang niet kon verroeren, ik heb slecht geslapen’.

Op zijn vrije dag nam hij vaak een kuipbad en hielp hij zijn vrouw Co met klusjes. ’s Avonds bij de kachel was het goed uit te houden en hij constateerde hoezeer een vrije dag hem opknapte. Collega’s lieten zo’n vrije dag aan zich voorbijgaan om extra geld te verdienen. Hij begreep deze zucht naar geld van zijn collega’s niet, noodsituaties daargelaten. ‘Ik begrijp tenminste niet hoe iemand zo’n geldhonger kan hebben dat hij zo’n kostelijke dag verkwanselt voor een paar zilverlingen en dan krijgt hij nog papiergeld ook’.

Het negatieve benoemen van papiergeld hing waarschijnlijk samen met de invoer van de zinken munten van 25/10/5/ 2 1/2 en 1 cent. Halve stuivers, stuivers van nikkel en zilveren kwartjes en dubbeltjes waren intussen verdwenen. De diensten (door Hendrik betiteld als poeiers) op de tram waren lang en zwaar, negen of tien uur dienst achtereen zonder schafttijd was eerder regel dan uitzondering. Bestuurders kwamen in die tijd soms niet opdagen zodat je anderhalf a twee uur zat te wachten op hun komst. Tijdens een dienst van ruim 10 uur en drie kwartier raakte voor Hendrik alles in de knoop:

‘Bij iedere halte staan drommen mensen te wachten en als er dan dikwijls pas na een half uur of nog langer een tram komt is hij vol, veel voller dan een blik sardientjes, toch wordt hij bestormd en hierbij gebeuren meermalen ernstige ongelukken’. Een keer zag hij hoe bij zo’n bestorming een vrouw onder de voet werd gelopen en daarbij ernstig gewond raakte.

Tot in maart hield de kou fel aan. De straten bleven extreem glad: en zonder lappen of sokken om hun voeten kwamen de mensen niet meer normaal vooruit. Hendrik beschreef in zijn dagboek de directe omgeving: ‘De natuur is nog zo dood als een pier, de knoppen aan de bomen willen niet eens dik worden, de vogels houden hun snavels zo dicht als een pot’. De winter hield aan, de lente bleef uit. Sneeuwruimers verwijderden de ijsbergen met bijlen en houwelen: ‘Ik wil geen nabeschouwing houden over deze marteling maar nooit zal deze winter uit mijn geheugen raken’.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *